
Zo. Dat was ook weer gebeurd. Otto staarde in een reusachtige gat. Het leek verdacht veel op zo’n overdrachtelijk gat dat zich aandient wanneer een werkzaamheid tot voldoening is afgerond. Hij vond het wel weer welletjes geweest. Zijn werkdag had zoete vruchten gedragen en hij besloot er nog wat te laten hangen, voor morgen. Nee, hij had ook geen idee wat dit alles betekende en waar het toe leidde, maar vermoedde wel dat het ergens hout sneed. In zijn inktzwarte bolide met spookachtig blauwe verstralers snelde de president directeur grootaandeelhouder over de snelweg. Hij deed 160, 180, 200, godweet hoeveel kilometer per uur. De verlichte vensters van de huizen vervaagden links en rechts van hem als wazig witte vlekken. Al zijn tegenliggers was hij kwijt. Zo gleed hij voort het gat van de nacht in.






Reactietjes