KutBinnenlanders.nl

Tag: inburgering België (Page 1 of 3)

België voor beginners

Briljant. Ik kan natuurlijk mijn huiswerk doen, of ik kan gewoon een aan bijna alle kanten niet kloppend filmpje kijken. Ik was op zoek naar Bert Kruismans’ “België voor Beginners”, een voorstelling die momenteel toert en ook al op DVD verkrijgbaar is maar voor de uitkeringsgenietende KutBinnenlander een beetje aan de prijzige kant blijkt. Kom ik dit tegen. Lees voor uw eigen plezier eens de commentaren – en wie volgt dit op en maakt een heerlijke geschiedenisherschrijving van Nederland ? Eentje waarin we de Friezen van de Martianen kregen en alle veroverende volken enkel uit waren op onze Veluwe ?

Nog een leuk detail: DEEL 4, nergens andere delen te vinden. Zo hard gezocht, ik wou wel wat te lachen hebben.

Hier met commentaar

 

Inburgering (15) – nog wat huiswerk


Ik zit hier een beetje onbeholpen naar mijn huiswerk te staren. De laatste inburgeringsles is later deze week, en hoewel ik het semi-vrijblijvende karakter van de cursus (o.a. geen examen !) verfrissend en erg vriendelijk vind, en de lesstof praktisch erg nuttig, kom ik niet voorbij deze vraag. Het probleem ? Het rechtervakje is veel en veel te klein ! “Wat was jouw beeld van België voor jou(w) komst? En daarna?”. Het klinkt als een simpele vraag. Zeker vóór is goed in te vullen: wat weten wij in het noorden immers doorgaans van onze zuiderbuurtjes ? Fritten. Tweetalig (wat dus drietalig blijkt te zijn). Bier. Veel auto’s. Zacht taaltje. Ze lachen veel, althans volgens Het Goede Doel dan. Wielrennen. Komt u verder ? Ik destijds niet, hoor. 1830, wellicht nog. En dan natuurlijk de belgenmoppen, maar die neemt hopelijk geen enkelen ‘Ollander echt serieus. Één ding mag in beide vakjes in mijn geval: het idee dat een maatschappij er voor allemáál is, zogezegd het nog allerminst zover als bij ons gevorderde ‘ikke ikke ikke’-gevoel, dat had ik al wel door. Dat was een van mijn voornaamste redenen om naar het Zuiden te trekken: ik was die ontwikkelingen over het afgelopen decennium in ‘Olland spuug- en spuugzat. Ik kan niet wonen in een maatschappij waar zorgen en geven om elkaar ophoudt bij de voordeur zolang de bewoner het zelf maar goed heeft. Daarna, tsja, daar heb ik al veel artikelen over geschreven hier, en er kan nog veel meer gezegd worden. De rampzalig slechte fietspaden, bijvoorbeeld. De soms idiote verkeerskruispunten, waar niet zelden geen groen licht voor niet-rechtdoor is, wat situaties oplevert voor fietsers en voetgangers waar auto’s hen zowat van de weg af knallen omdat zij immers evenveel recht hebben af te slaan als de ‘zwakkere’ weggebruikers om rechtdoor te reizen. De scherpe hatelijke moppen die ze hier over ‘ons’ vertellen, met als gemene deler ‘hoe kunnen we Nederland onder de zeespiegel krijgen’. De vele wegen die een rechtgeaarde Belg rondom de vereiste officiële paden beloopt om dingen gedaan te krijgen, met als gevolg dat die officiële paden voor niet-ingewijden enkel nog langer en ingewikkelder worden. De zeldzaamheid van pin geldautomaten in het straatbeeld (ga maar zoeken, is het devies). Maaltijd, diensten-, opleidings-, cultuurcheques, alles met ‘cheques’ hier. Hoezeer lokaal dialect bijna volledig hun cultuur en identiteit bepaalt. Behulpzaamheid, vriendelijkheid, maar ook een semi-achterbaks wantrouwen: bij een Belg telt zogezegd de twééde indruk pas, en als je ze beledigt, lachen ze vriendelijk (om je) maar denken er ondertussen veelal zo het eigene van. Alles dat maar opgeofferd dient te worden aan de Goede Vrede. Tenzij het een aantasting van de algemene kwaliteit van leven betreft, dan gaan ze hier met fakkels, hooivorken, stoeptegels de straat op. Het ingewikkelde politieke systeem: vier regeringen, nog los van de Europese.. Stemplicht. ‘Vrijwilligers’plicht bij verkiezingen. 24/7 zorgvoorzieningen. Solidariteit. Eendracht maakt macht. Chrysanten op 1 November. Ga zo maar door. En nog een heleboel praktische zaken die ik over de afgelopen drie kwartalen door schade en schande heb opgepikt die ook nog het nodige over dit land en hoe het functioneert zeggen. Dat krijg ik echt nevernooit allemaal in dat kleine rotvakje.

 

Inburgering (14) – huiswerk: Daens

In mijn middelbareschoolcarrière had ik de redelijk zinnige gewoonte mijn huiswerk bijna nooit eerder dan daags voor de relevante les te doen. Dit heeft als gevolg gehad dat beduidend wat irrelevante informatie niet beduidend relevant is blijven hangen. Oude gewoontes slijten slecht, dus de avond vóór mijn volgende inburgerings-les keek ik naar Daens, de verfilming uit 1992 van het boek van Louis Paul Boon over ‘Daens, de Ghandi van Aelst’. Verzonnen citaatje van mezelf. Ik moet zeggen dat, aangedikt sentiment en verwrongen historische feiten voor dramatisch effect terzijde, de film me toch flink ontroerde. Iederen ‘Ollander die mijn teksten over Vlaanderen leest, mag ik toch als geïnteresseerd in de materie aannemen, en kan ik als zodanig de film aanraden. Voor Vlaanderen zet ik deze film makkelijk op een rij met ‘Ollandse must-sees als Op Hoop Van Zegen, Max Havelaar en Dokter Vlimmen. Sterker nog, Daens is een samensmelting van deze drie films, op het gebied van de Vlaamse Beweging. Het verhaal opent met de eigenzinnige dwarsliggende pastoor Daens, die na een problematisch verleden bij verschillende andere kerkposities, doodleuk afreist naar zijn broer in Aalst, meldend aan zijn kerkelijke meerdere dat als ze hem nodig hebben, ze hem daar kunnen vinden. Ietwat onvoorbereid – in de film, althans – stuit hij, vers uit de trein, op een doodgevroren arbeiderskind, één van velen die in armoede het leven lieten in het vroeg industriële Vlaanderen, dat overmatig gerund werd door waalse ‘dikkedeuren’, zoals we in Tilburg zouden zeggen. De Vlaamse, veelal ongeletterde en zeker stemrechtloze arbeider, van klein kind tot haast bejaard, werkt zich in de film etmalen een slag in de rondte om vervolgens volledig uitgebuit te blijven voor een graaistuiver. Daens trekt zich gaandeweg de ontwikkelingen meer en meer het lot van dit verpauperende volk aan, uit katholieke inborst en zich voelend gestaafd door een geschrift van de Paus dat het lot van de arbeider wil verbeteren. Uiteraard maakt hij hierbij vijanden in machtige kringen, zowel aan de politieke / rijke kant als in de Kerk. En hoewel de twijfel hem bij vlagen bekruipt, wint de rechtvaardigheid en weet hij het zelfs tot populistisch verkozen volksvertegenwoordiger te schoppen, om de ‘mannen met macht’ maar eens goed te vertellen hoe de Vlaming eraan toe is. Uiteraard is Daens ‘bigger than life’, net zoals Tilburg’s eigen Peerke Donders dat vast wel zal zijn in het aankomende Peerke de film. Desalniettemin vertellen meerdere bronnen me, waaronder mijn inburgeringsinstructrice die me de film aanraadde, dat het wel een symbolisch sterk en gevoelsmatig accuraat beeld schetst van de omstandigheden uit die tijd. Uiteraard zou een gortdroge verfilming van de werkelijke gebeurtenissen niet bepaald een lekker wegkijkend stuk drama opleveren, dat snapt een kinderarbeider nog. Desalniettemin prikkelt het me wel om meer over deze beginjaren van de Vlaamse Beweging (die zo ongeveer ten einde kwamen rond de tijd dat Godfried Bomans er wat zijdelingse vraagjes over stelde) te weten te komen. Wij krijgen dit niet op de ‘Ollandse scholen. Ik vraag me, na het zien van de film, toch af waarom dat is – is het niet relevant voor ons om te weten hoe eensgezind, met niets en daarmee álles te verliezen, Vlaanderen staakte om de meest basale burgerrechten te bekomen ? Van de drie ‘Ollandse films genoemd in de inleiding, geeft alleen Vlimmen een – vanaf de roman fórs afgezwakte – veegje uit de pan naar de machten van De Kerk, en ook al verzetten ze zich wel alledrie tegen De Macht Van Het Geld, het echte verzét komt er niet in beeld. Wij ‘Ollanders verfilmen graag de aanklacht, en dan is het wel mooi geweest weer. Dat de strijd daarmee nog niet gestreden is, en nog een hoop meer bloed en ellende met zich meebrengt voordat er enige merkbare verbetering komt, dat verromantiseren we toch maar liever in de bioscoopzaal. Welnu, dáár schoot het mij bij Daens toch echt wél een beetje vol van. Mooi hoor, zo’n dwars pastoorke dat zich voor de armen in gaat zetten en wel even, in habijt en al, tegen de stroom in gaat. Maar waar het écht Vlaams wordt, is wanneer het aldus verdedigde volk zélf, spontaan, uit eigen rechtvaardigheids- en saamhorigheidsgevoel, de straat op gaat, en zich desnoods door de gendarmekes laat neersabelen. En die hele Daens is dan ook in de film feitelijk niet eens de échte hoofrolspeler. Toevallig op de juiste plek op het juiste moment, met net genoeg lef in zijn donder om zich erover uit te spreken, wordt hij o.a. door de Paus enkele dagen achtereen aan het lijntje gehouden, en een beetje geridiculiseerd door mede-verkozenen. Maar hem overkomt eigenlijk vrij weinig. Ja, zijn familie, en met name zijn volgelingen, die mogen het verduren. Daensje zelf zit vooral met de kwestie of hij nu de Kerk an sich belangrijker vindt dan de kerkelijke samenliefde en zijn rechtvaardige inborst. Het zou een vrij bizar filmpje hebben opgeleverd als hij op puntje bij paaltje voor de Kerk had gekozen, mag duidelijk zijn, dus Adolf Daens is hier niet de held. Nee, de held, dat zijn de Aalstenaren, gesterkt door profiteurs van zowel de Gentse socialisten als de liberalen, die ineens een machtige stem – een héúse stem, aangezien en passant maar even het algemeen stemrecht (voor de trouwe lezers inderdaad: stemplicht) ingevoerd wordt, hebben gevonden om hun onrecht en ellende aan de kaak te stellen. En om dat, een ruime eeuw na de in de film verbeeldde omstandigheden, terug te zien, terwijl de Vlaamse strijd echt toch heus wel gestreden is, zonder verlies van menselijkheid, zonder verlies van de krachtige arbeidersmentaliteit, zonder verlies van authenticiteit, en eten, onderdak, en zelfs in Katholieke tijden de eigen onsterfelijke Ziel riskerend, ontroert me toch zeer. Want de Belg, hij is geen mens, hij is een vólk. En dat vólk, dat is de onbetwiste hoofdrolspeler in deze film. Ik denk dat ik voor het eerst in mijn leven blij ben mijn huiswerk eens gedaan te hebben.

 

Inburgering (12)


Vandaag is het dan toch echt zo ver – ik ga aan mijn eerste inburgeringscursus. Er gaat niet direct een verslag komen, dus u moet maar gewoon wachten op meer, maar ik ben alvast benieuwd. Ik heb wel van tevoren een map gekregen die ik zo driekwartig doorgelezen heb, en een cd-rom die ik nog niet echt doorgekeken heb. Drukdrukdruk gehad en zo. Maar ik ga er met een open mind naartoe en we zien wel. En ja, ik ga u heus wel berichten wat ik zoal geleerd heb hoor. Maar ik lig op dit onderwerp achter: ik heb ondertussen ook wat filmmateriaal geschoten voor filmpjes over de Inburgering, maar ook nog niet echt aan toegekomen om daar iets fatsoenlijks van te brouwen. Het komt dus, allemaal nog. Echt. Heus.

 

Inburgering (11) – Protestrelletje te Gent

Na een tip per SMS van mijn vriendin, dat er ‘anarchistische protesten’ van jongeren met zwarte vlaggen en kleding waren, die de studentenhoek van het centrum van Gent aan het bezetten waren, en dat er politie met heuse gepantserde bussen en een helicopter naartoe waren getogen, pakte ik mijn camera maar even mee. Voor de nachtbrakers onder de KutBinnenlanders dan: geinige beelden vanaf de rand van een afgezet stuk Gent. Hoewel er niets echt schokkends in gebeurt, toch maar mooi mijn eerste Belgische protestrel.
Update Hier meer informatie, het waren linkse protestanten die onvrede uitten jegens een rechtse betoging elders in de stad.
Update 2 Op YouTube druppelen er wat interessante reacties op het filmpje binnen. Check ‘em out.
Update 3, 17 November Het krijgt nog een héél erg staartje, deze kwestie.

 

Inburgering (10) – De Maat Der Dingen


Met angst in het hart liep Godfried Bomans in het Vlaamse landschap rond en vreesde dat de industrie de maat der dingen begon uit te maken, daarbij de natuur én de menselijkheid van Vlaanderen doend verdwijnen. Met een beduidend geruster hart kan ik van het tegendeel spreken: goed dertig jaar na dato is er beduidend veel prachtige natuur in het nederbelgische landschap over, en ook met die menselijkheid zit het nog wel snor, zoals ik gisteren in een stukje over de chrysanten van 1 November schreef. Vandaag echter ging ik op pad en stelde ik mijzelf in de loop der dag de vraag: maar welke van dié twee bepaalt méér De Maat Der Dingen in hedendaags Vlaanderen ? Ik kon dit uiteraard enkel voor Gent beantwoorden, en dan nog anekdotisch, maar gelardeerd met prachtige plaatjes (al zeg ik het zelf) dus hopelijk vergeeft u me de wat beperktere breedheid die ik compenseer met een zoomlens.

De paniekerige papiertjes, verregend afgebeeld boven de inleiding, had ik al eerder opgemerkt. Ik was ook van zins er iets mee te doen. Want wie vanaf Gent St.Pieters (zeg maar Gent Centraal, als er zoiets zou bestaan) naar het centrum der stad loopt, komt opeens op het kruispunt van Charles de Kerchovelaan een prách-tig stukje bermnatuur tegen. Compleet met aan elkaar gelinkte vijvertjes en een veelvoud aan kleurige planten. Gewoon, patsboem, tussen twee brede rijbanen, waar dagelijks duizenden automobilisten voorbijrazen zonder op of om te kijken naar dit middenbermparkje. Een stukje natuur wat ‘wij Nederlanders’ amper meer aan ‘parken’ bezitten, en dat dreigt dus te verdwijnen om plaats te maken voor een fantasieloos stukje miniem gras met een paar boompjes, that’s it. Ik was dus allerminst van plan dit te laten verdwijnen zonder er minimaal over te schrijven, mét foto’s. Maar het is een beetje druk geweest de afgelopen maanden en het schoot er volledig bij in. Vandaag fietste ik erlangs en hoorde een benzinemotor grommen en mannen met fluoriserende hesjes rondlopen, en even dacht ik verdomme, te laat !

Maar gelukkig, vooralsnog bleek het enkel om het opruimen van herfstbladeren te gaan. Mijn advies, voor eenieder die wat fraais in Gent wil meekrijgen, is spoedig nog eens te komen kijken, want vroeger of later staan hier de bulldozers en graafmachines wél korte metten te maken met dit mooie middenbermpark en dan zal het toch te laat zijn. Zonder te overdrijven heeft dit miniatuurparadijsje er bij mijn eerste bezoek aan Gent mee aan bijgedragen dat ik zéker wist dat ik voor de juiste nieuwe woonplaats had gekozen. Sentimentele en romantische zak als ik er ben. Om u warm te krijgen, enkele foto’s…

Let met name op de zwarte rouwbanden die de protesteerders om de bomen hebben gewikkeld, dat slaat een klein brugje naar de rest van dit stuk.

Na mijn chrysantenstukje van gisteren gaf mijn vriendin – geboren en getogen Gentse – de tip om anders, nu ik wegens werkeloosheid toch ‘de tijd heb’, eens een kijkje te gaan nemen op Campo Santo, het lokale historische (en) bekendheden-kerkhof. Van wat ik begreep bij het inlezen (hier een wat minder lelijk vorgegeven site, want Comic Sans MS is voor lutsers) waren er veel familie-sepultures (of grafkelders), monumenten, en eeuwenoude gedenktekens. Ik stelde me zo voor dat daar waarschijnlijk wat minder chrysanten te vinden waren.

Ik had ’t mis.

Meer nog dan naar de bloemen keek ik met open mond naar de prachtige graven. Creativiteit was zeer zeker geen must, zoals ik ook bij mijn bezoek aan een ander kerkhof gisteren constateerde, maar buiten enkele modegevoeligheid hier en daar blinken de graven toch fors uit op creativiteit. Weerom laat ik liever de plaatjes voor zichzelf praten. Mijn lens heeft zich verlekkerd aan al dit prachtigs.

Tussen de fleurige chrysanten en de prachtige gedenkstenen was het volstrekt helder: de doden zijn hier niet dood, ze léven ! Ze worden hier gevierd, herinnerd, geëerd. Niet met een saaie grauwe obligate grafsteen met naam, geboorte- en sterftedag, en een ‘echtenoot van’ of ‘hij was geliefd’, nee, je vindt hier hele gedichten, levensbeschrijvingen, kunstwerken, foto’s – bijna ieder van deze laatste rustplaatsten straalt uit wie daar ligt… niet wát. Een lugubere gedachte, schoot het door mijn hoofd, toen ik verscheidene mysterieuze grafbeschadigingen gewaar werd.

Sommigen zou je goed aan storm- of erosieschade toe kunnen schrijven, maar sommige anderen lijken toch echt net zo man made als de gedenkstenen zelf.

Niet dat ik bepaald geloof dat daarbinnen nog iets of iemand zit dat zich eraan stoort, maar respectloos leek het me wel – let wel, mocht er een paar moedwillige mensenhanden aan te pas zijn gekomen. Grave robbing, het leek me bijzonder smakeloos. Verder rondwandelend merkte ik echter dat er ook grave robbing van een heel andere orde plaatsvond. Sommige graven waren zo overwoekerd door mos, klimop en andere natuur dat er met geen mogelijkheid meer vast te stellen was wie er met het gedenkteken nagedacht was geweest. En iets klopte daar wel aan. De natuur maakt wellicht hier en daar plaats voor de mens, maar uiteindelijk maakt iedere mens weer plaats voor de natuur. Er is geen Maat Der Dingen, eerder een soort prettig wederzijds vandalisme. Wat hooguit blijft, in onze menselijke wereld, is wat de mensen na ons de overlevering in helpen. En zo stond ik ineens stil voor het prachtige gedenkteken voor Karel Lodewijk Ledeganck. De romantische dichter, de aanbidder van Vlaanderen, de evangelist der Vlaamse Beweging.

Dát is nog eens eerbied tonen. Dát is nog eens een gedenksteen voor je volksheld neerzetten. En hoezeer het Brabantse en Vlaamse volk ook het alouds nederige, onderdrukte en uit eigen as herrezene beiden in zich dragen: rondkijkend merkte ik hier een breed scala aan hélden vertegenwoordigd. Van regenten tot huismoeders, van simpele zielen tot hoogleraren. Hier geen kruikenzeiker, hier geen sullige Peerke Donders, hier zéker geen Wesley, VOF de Kunst, of mannen die enkel om halve euro’s vragen. Hier lag Vláánderen.

Bij de uitgang zag ik het kastje pas. Dezelfde leerlingen van de pal aan het kerkhof gelegen school, die de mooi vormgegeven inlees-site die ik een stuk terug linkte, hadden gebouwd, hadden blijkbaar ook een plattegrond met achtergrond-informatie gemaakt. (Brutaal gepiratiseerd: voorkant en achterkant, voor uw eigen thuisinburgeringscursus.) Mag je zo het kerkhof mee opnemen om de beroemdheden en bezienswaardigheden mee op te zoeken. Er wordt enkel verzocht de plattegrond daarna weer terug in het kastje te steken want hij is blijkbaar met bescheiden middelen gemaakt. Geen overbetaalde cultuurmakelaar is hier aan te pas gekomen, geen winkelzijstraat is hier met overtrokken middelen voor ingericht, niks geen fratsen. Gewoon klasse, to the point, met extra informatie over deze bijzondere mensen. Ik verwacht dat weinig Tilburgers de strekking van dit stuk gaan snappen. Dus kop ik speciaal voor hen uit met een melig, puberaal fotootje. Ook gezien op Campo Santo.

 

Inburgering (9) – 1 November


Allerheiligen is een waterken of een winterken is de weerspreuk die hoort bij 1 November. Een landelijke ‘feest’dag, die in België een massale dodenherdenkingsdag inhoudt. Traditioneel legt men dan chrysanten – grote, kleurrijke bollen chrysanten – bij de graven van de overledenen. Feitelijk zou ik, onder gezelschap van een local, op zondag eens gaan aanschouwen hoe zo’n Vlaams kerkhof dan zou wemelen van het volk en chrysanten, maar het bleek een waterken: straalverzopen ben ik, op een korte wandeling, waardoor het verdere plan de kerkhoven nog te bezoeken maar werd laten varen. Vandaag was het aanzienlijk beter weer, en had ik bovendien gelegenheid om toch eens te gaan kijken. Niet helemaal hetzelfde als de dag ‘zelf’ meemaken, maar ’t is toch iets. Wij kennen dat helemaal niet, die 1e November. Althans, we hebben dat als vrije dag afgeschaft in de jaren ’60, blijkt bij nalezing (bijna twee decennia voordat ik een glinstering in mijn vader’s ogen was dus tegen de tijd dat ik van bepaalde zaken kón weten, wist ik niets van 1 November). Het hoe en waarom tussen het christendom en katholicisme (laat staan het protestantisme en wat voor impact dat na Willem de Zwijger op ’s KutBinnenlands landschap heeft gehad) laat ik u graag allemaal zelf terugzoeken. Wat mij vooral opvalt, is een drastisch verschil op de kerkhoven. Althans, met waar ik zelf vandaan kom dan. Op het Katholieke-toen-gedwongen-protestants-maar-toch-stiekem-ook-katholiek-gebleven Brabantse land heb ik in mijn leven niet overdreven veel kerkhoven bezocht. Ik ‘ken’ er niet veel mensen, zogezegd, misschien maar goed ook, al heb ik niets tegen een kerkhof bezoeken op z’n tijd. Eerder om artistiekere redenen dan, zogezegd. Om mensen te observeren die om verloren geliefden rouwen, of om foto’s van graven te trekken (vreemde Vlaamse uitdrukking, geef ik toe). Op een Tilburgs kerkhof vlakbij waar ik woon (West) staan de graven in volstrekt identieke vormgeving in fantasieloze rijen, met als enig verschil hoe verweerd of door vogelschijt/regen-kalkaanslag bedekt ze zijn. Rouwen is er een plichtmatige aangelegenheid, met weinig keuzevrijheid. Bijna alsof men wil zeggen, qua doodgaan hebben we toch allen geen keuze, waarom in de uitstraling van onze laatste rustplaats dan wel. Onder veel andere dingen die me opvielen hier in Gent, is dat middenin winkelstraten ‘begrafeniswinkels’ staan. Met een vanzelfsprekende uitstraling alsof voor een grafsteen shoppen met evenveel nonchalance en plezier zou moeten kunnen als voor schoenen of een nieuwe plasmatelevisie. Op dit Vlaamse kerkhof stonden, ondanks hier en daar zichtbare modegrillen, bijna geen twee grafstenen die er hetzelfde uitzagen. Het wemelde er van de liefde voor verloren zielen. Ontroerd schoot ik nog onderstaand fotootje van een verdwaalde roos tussen al die veelkleurige chrysanten.

 
« Older posts

© 2020 KutBinnenlanders.nl

Theme by Anders NorenUp ↑