Ooit komt het allemaal terug

Categorie: Gerrie S. Veters (Pagina 1 van 3)

Man (32 en/of ouder).
Zie @Elagabalus_

Persbericht: Boekje 13, The Rexit, 1 dec a.s.

kaft-the-rexit-1

Tilburgse schrijvers en andere creatievelingen nemen ludiek afscheid van oud-Nachtburgemeester

REXIT: Kubila’s geven schop na

TILBURG – in 2006 was René van Densen de eerste Tilburgse geïnaugureerde nachtburgemeester (omdat zijn collega Troy Titane zich nog tijdens de inauguratie op 5 augustus 2006 in Cul de Sac demissionair verklaarde). Hij bracht o.a. in december 2007 het boek Tilburg: De Anus van Nederland (uitverkocht) uit waarin het nachtleven van Tilburg, inclusief de toen bestaande kroegen, in woord en tekening vereeuwigd werden. In 2008 richtte hij het roemruchte weblog KutBinnenlanders.nl (vanaf nu: de Kubila’s) op, als absurdistisch-kritisch tegengeluid jegens het toen veelgehoorde ‘kutbuitenlanders’. En een paar maanden geleden verruilde hij Tilburg voor Gent. Nu presenteren schrijfcollega’s en vrienden het boek “Rexit” op donderdagavond 1 december in de Kunstmaan. Lees verder

 

Pak de agenda maar: 26-10

Er is weer eens iets te doen!

Wat: Presentatie van ons VIJFDE boekje!

Wanneer: 26 Oktober aanstaande, ’s avonds (tijdstip volgt nog)

Wie: Iedereen met interesse want het wordt weer een leuk programma

Waar: Galerie Kokon, Stationstraat 38/40

Waarom: KutBinnenlanders.nl vijf jaar, vijfde boek, 14 auteurs, dus feestje!

Is de rug van het boekje niet fout: Ja, we kunnen niet Photoshoppen.

 

VANDAAG GESLOTEN OP LAST VAN POLITIE

Op last van de politie is de website www.KutBinnenlanders.nl vandaag gesloten. Er mogen vandaag geen berichten op deze website geplaatst worden wegens, wij citeren uit de officiële sommatie die op onze deurmat viel: “het verregaande risico op opruiende satire“. Het is de heren in blauw ter ore gekomen dat zich op de website KutBinnenlanders.nl o.a. de volgende heren bevinden: “dhr. AHJ Dautzenberg, dhr. S. Food, dhr. R. Densen, dhr. G. Veeters en dhr. A. Vreeling. Bij nader onderzoek blijken deze heren zich systematisch schuldig te maken van berichtgevingen die niet of slechts gedeeltelijk op waarheden berust zijn en waar vaak een maatschappelijk opstandige bijsmaak aan kleeft.” In een Post Scriptum verklaart de politie “het waarheidsgehalte van de uitspraken van de heer O. Pater nog aan het onderzoeken” te zijn.

Het bevel omhelst slechts deze zondag. Morgen zullen er weer reguliere updates op dit weblog verschijnen.

 

Schaatsen (5)

De grote schrijver Ko te Let nam het applaus dankbaar in ontvangst. Net toen hij wilde vertellen dat zijn nieuwe bundel voor het kleine bedrag van 14,95 in de winkel lag, zag hij dat hij de stadsvijver naderde. Het was een drukte van jewelste op het ijs.

Jongeren waren er aan het ijshockeyen, vaders sjorden aan sleeën. En daar, daar ging de cultuurmakelaar. Hij zwierde in ’t rond. Hij draaide achtjes om de dichter Sjack von de Vam. Hij had pret voor tien. De cultuurmakelaar had een Unox muts op. De dichter Sjack von de Vam bulderde ook van het lachen. Zijn vilten baard wiegde mee met de lachsalvo’s. ‘Die Von de Vam gaat er met de stads literatuurprijs vandoor als ik niet oppas’, bromde Ko. Hij stond besluiteloos aan de kant, tussen de ganzenpoep. De cultuurmakelaar zag de grote schrijver niet. Hij zwierde gewoon rustig door, daar op de stadsvijver. Daar greep hij Wief Jizk de Kirgizische puntdichteres met sterallures bij haar middel. De cultuurmakelaar deed of hij onderuit ging en Jizk lachte geluidloos. O, o, o wat hadden ze een pret. Zonder Ko.

Ko zag zijn plannetjes allemaal in het water vallen. Hij wilde een sing a long musical over het leven van Lex Goudsmit maken, een poëtisch vierluik over het verdwenen bakkertje van om de hoek en een episch werk over Miend van de Dobbelare, de befaamde leprose. Hij zag zijn subsidieverzoeken al door de shredder van de cultuurmakelaar gaan terwijl Jizk en Von de Vam er hard bij stonden te lachen.

Een grote daadkracht welde plotseling in hem op. ‘Ik zal ze hebben’, bromde de grote schrijver. ‘Een beetje mijn business verzieken.’ Hij zocht een rustig plekje om het ijs op te komen en zo de cultuurmakelaar te kunnen verrassen met een kolderieke manoeuvre. Onder een treurwilg ging Ko op de kant zitten. Met een verbeten hoofd sjorde hij zijn veel te kleine, vieze kunstrijschaatsen aan. Hij richtte zich wankelend op. Het ijs trilde een seconde en sloeg toen onder Ko’s trillende schaatsen weg. De grote schrijver kreeg een golf groen stadsvijverwater binnen. Boven het wak zag hij de olijk lachende gezichten van de cultuurmakelaar, de dichter Sjack von de Vam en Wief Jizk. Die Ko.

(Ko heeft het flink onder de leden, beste lezers. Maar wees niet bang: de erven van Linda zorgen goed voor hem.)

 

Schaatsen (4)

De grote schrijver Ko te Let stond beteuterd voor de deur van Greutzenbad. Hij had de kunstrijschaatsen bij hun veters vast. De schaatsen waren een beetje vies wit. Er zaten krassen op het leer. Ko was helemaal niet blij met zijn geleende schaatsen. ‘Kop op jong, wie weet wat deze dag gaat brengen’, sprak hij tegen deur.

Hij liep de flat uit, op weg naar de stadsvijver. Ko voelde zijn rechtervoet wegslippen. De stoep was spekglad. ‘Wat is dit hier,’ riep hij uit. Hij keek verwijtend naar de tegels onder zijn voeten. Er was helemaal niet gepekeld! Ko was woedend. Het labbekakkerige pekelgedrag van de buurtbewoners irriteerde hem. Zoveel oude mensen en werklozen en niemand die er aan denkt afdoende te pekelen. En hardwerkende buurtbewoners als de grote schrijver Ko te Let maar onderuit gaan. Ko besloot er werk van te maken. Met de schaatsen schuifelde hij richting het stadskantoor. Hij ging zijn beklag doen. ‘De ambtenaren van stadskantoor 3 zullen dit varkentje wel even wassen’, lispelde hij verbeten.
Aan de gifgroene balie van stadskantoor 3 stond een vrouw. Ze droeg een bril met een dik roodmontuur. Ze loenste. ‘Kan ik u helpen, meneer?’ Ko zei dat hij melding wilde maken van ontverantwoord pekelgedrag. De vrouw keek hem nadenkend aan en schreef daarna wat op een papiertje. ‘Onverantwoord pekelgedrag. Nou we zullen ernaar kijken hoor, meneer Te Let.’ ‘Kunt u wel zorg dragen dat mijn klacht anoniem blijft?’ Ko was ontdaan dat er geen bedankje vanaf kon. Met een warm gevoel van burgerzin, stapte Ko naar buiten. Alweer een goede daad verricht. Als bekende stadsbewoner diende hij het goede voorbeeld te geven. Misstanden moest hij aan de kaak stellen. Als hij het niet deed, wie wel? Hij stond op een podium. Hij kreeg de medaille van goede burgerzin uit handen van een glunderende burgemeester met rode konen. ‘Voor de heer Te Let. De grote schrijver die al jaren het goede voorbeeld geeft van hoe het hoort in onze stad. Graag de handen op elkaar voor de heer de Let. De grote schrijver!’ (Wordt vervolgd, want een lage drukgebied met sneeuwmomenten nadert onze stad.)

 

Schaatsen (3)

De grote schrijver Ko te Let sloop de trap af. Het was gehorig in het trapportaal, maar van hém zouden ze geen last hebben. Ko was altijd muisstil. Want hij had veel burgerzin. De andere bewoners van zijn flat hadden aan hem een fijne buur. Er kon altijd een groet vanaf. En soms een praatje. Mooi vond de grote schrijver dat, converseren met de mensen in zijn flat. Hij schoot ze dan aan bij de brievenbussen en vertelde hoe het met hem ging. Wat hij aan het schrijven was en op welke literaire avonden hij acte de présence had gegeven.

Hij wist niet of ze allemaal begrepen wat hij zei, want het waren natuurlijk geen grote schrijvers. Of lezers. Terwijl hij toch buitengewoon toegankelijk proza maakte! Hij wond zich er over op toen hij bij Greutzenbad voor de deur stond. Nu even rustig, fluisterde hij tegen de deur. De grote schrijver Ko te Let stelde zich op voor de deur van Greutzenbad. Hij keek door het spionnetje. Was daar wel iemand thuis? Het had weinig zin aan te bellen bij Greutzenbad als die niet thuis was. Voor zover hij het zag, kon hij het inderdaad beter laten. Greutzenbad leek er niet te zijn. De gang was leeg. Er zat niemand in de stoel. Wel stond de toiletdeur op een kier. Misschien toch een kans dat Greutzenbad thuis is, deduceerde Ko.

Klongelongtongtong. Het was een aanstellerig deurbeldeuntje vond de grote schrijver. Dan zijn eigen deurbel. Een beschaafd, ingetogen maar toch duidelijk fwwwwrrriiit. Maar dat geluid van Greutzenbad, dat kon niet. En dat voor een intellectueel. Greudtzenbad las alle grote schrijvers. De grote schrijver Ko te Let vond Greutzenbad ‘interessant en Vergaay-achtig.’ Ko kende Vergaay niet, maar had Vergaay wel hoog zitten. ‘Ja, Greutzenbad wist immers van de hoed en de rand in schrijversland.’

De deur ging open. Greutzenbad wreef met zijn linkerhand door zijn intellectuelenbaard. ‘Meneer Te Let, wat verschaft mij de eer.’ Ko legde uit dat zijn schaatsen zoek waren. Dat de noren waarschijnlijk onder vijftien moltondekens in zijn inbouwkast lagen, vertelde hij er niet bij. Greutzenbad zou wel denken. ‘Natuurlijk kunt u mijn schaatsen lenen! Ik pak ze even!’

Ko kreeg witte kunstrijschaatsen in zijn handen geduwd. Maat 42. De grote schrijver had op een paar stoere noren gerekend. Of anders ijshockeyschaatsen. Hield Greutzenbad hem hier voor het lapje? ‘Veel plezier!’. Greutzenbad gooide de deur dicht. Daar stond Ko mooi mee te kijken.

(Wordt vervolgd zolang de vorst nog aan de grond zit.)

 

Schaatsen (2)

De grote schrijver Ko te Let wachtte niet op antwoord. Hij vermande zich en vatte de koe bij horens. Hier moest het vet ergens staan, peinsde hij. Tussen de molton dekens. Waarom was hij in het bezit van vijftien molton dekens? Was hij vergeten hoezeer die zijn huid irriteerden? De grote schrijver wachtte niet op een antwoord. Het vet moest gevonden worden. Waar was de cementkuip met het vet en de schaatsen? Tussen de moltondekens, zoveel was zeker. Schaatsen in het vet bij de moltondekens, hij herinnerde het zich nog van de verhuizing.

Zo. Genoegd gelanterfant. Met één kordate armbeweging pakte hij een rood witte moltondeken tussen rechterduim en wijsvinger. Hij tilde de stof op. Ah jakkie molton. Die vieze stof. Ko gruwde van molton en zijn dekens. Hij had vroeger een molton rompertje gehad en dat was hem niet goed bevallen. En toch was hij in het bezig van vijftien exemplaren van het prikkende textiel. Het was een raadsel dat zich niet liet oplossen in een namiddag. Dat moest wachten. ‘Ik parkeer dit raadsel even.’ Hij tilde met een pijnlijk gezicht een andere deken op. Het viel hem zwaar. Het molton was stoffig en leek dwars door zijn huid te prikken. Hij liet de deken los en zuchtte. Zuchtte nog eens en draaide zich om. Hij liep naar het raam. De grote schrijver duwde de gordijnen opzij en keek naar buiten. Hij tuurde naar de glimmende straat onder hem. Het leek nog altijd niet te dooien. ‘Vadertje dooi geeft mooi niet thuis’, mompelde hij. Het lag dus in de lijn der verwachtingen dat het ijs op de stadsvijver er nog lag. Erger nog: dat mensen er nog op konden schaatsen. Zonder er doorheen te zakken. Zo volledig moest hij wel zijn, vond de grote schrijver. Hij had helemaal geen zin om te schaatsen. Dat gekras op het ijs. Hij kotste ervan. Het idee alleen al om met die ijzers in het ijs te gaan lopen steken, benauwde hem. De grote schrijver moest even gaan zitten. Een paniekaanval. Ook dat nog. Ko voelde met zijn rechterhand aan zijn voorhoofd en stond op. Voor de badkamerspiegel zag hij de rode vlekken op zijn langwerpige schrijvershoofd. Hij had zich teveel ingespannen. Ook dat nog. Zo is het geen doen, stelde hij vast. Hij wachtte tot zijn hoge hoofd weer zijn normale schrijverskleur had en schoot zijn jas aan. (Wordt vervolgd. Helaas geen illustraties van de erven Linda deze week. Die zijn met zwangerschapsverlof.)

 

Schaatsen (1)

De grote schrijver Ko te Let besloot zijn schaatsen uit het vet te halen. Hij zuchtte, deed de gordijnen weer toe en liep naar de inbouwkast. Hij opende de deuren en zuchtte opnieuw. Doelloos bleef hij voor de opening staan. Hij betastte zijn linker schrijversoorlel. Die was pluizig zeg. Het verbaasde de grote schrijver Ko te Let  dat zijn linker schrijversoorlel zo zacht was. Als een bolletje katoen. Hij liep naar de badkamer en keek in de spiegel. Zijn linkeroorlel was dik bedekt  met transparante vlashaartjes.

Nu rechts. De grote schrijver keek met toegeknepen ogen over zijn brillenglazen heen. Hij kreunde kort maar hoorbaar. Ja, ook al. De rechteroorlel droeg ook al een tooi fijn haar. Maar het was minder uitbundig dan links. Was dat omdat zijn moeder hem met een twijg sloeg wanneer hij rechts schreef? Omdat hij anders nooit een grote schrijver kon worden. Alle grote schrijvers zijn immers links. Nu pakte hij de rechteroorlel tussen zijn rechterduim en wijsvinger. Een logische combinatie. Hij was geen motorisch wonder, maar zover was zijn 45-jarige lichaam inmiddels wel. Die fout zou niet meer gemaakt worden. Zij was ook al zacht. Of was het toch een hij? Gedachteloos keek Ko naar zijn hoofd. Correctie. Het was een langgerekte kop. Zoveel was duidelijk. Met een dunne mond er op en kleine ogen er in. Ook dat nam hij ter kennisgeving aan. Hij wreef, expres met de rechterhand, over zijn hoofd. Een kaal hoofd. Hij moest het erkennen. Het hoofd van de grote schrijver droeg allang geen tooi van zwarte haren meer. Een halve, gekantelde cirkel om zijn oren. Een halve Saturnus ring van zwart piekhaar. Ko draaide zich om en liep de natte ruimte uit. De natte ruimte, hoe verzon hij het toch? De literaire energie spoot in zijn hoofd in het rond. Zoals de fonteintjes op het plein.  Had hij zich gedoucht? Hij kon het zich niet meer herinneren. Misschien slechts een kattenwasje. Hoe dan ook, de grote schrijver liep terug naar de openstaande inbouwkast. Allemaal moltondekens lagen er in de kast. Slordig opgevouwen, maar hij gaf er geen zier om. ‘Voor kuisen maken we wel weer een andere keer tijd’, fluisterde hij tegen de dekens…


(Wordt uiteraard vervolgd, want Koning Winter is nog wel even in het land.)

 

Slaag

Ik incasseer ze. Niet met plezier, maar ook niet met tegenzin. Met niets, eigenlijk. Ik ontvang de slaag neutraal. Niet dat de eerste klap me niet verbaasde. Zo gek ben ik nu ook weer niet. We kenden elkaar net. Marieke vertelde dat ze binnen onze relatie graag met andere mannen wilde neuken. ‘Eén man doet het niet voor mij, Tom. Ik moet een hele hoop lullen in me hebben. De hele tijd. Anders voel ik me klein.’ Ik zei dat ik haar begreep en het gevoel herkende. Ik wilde ook met andere vrouwen naar bed. Er kwam een scherpe trek rond haar mond. Voor ik het wist lag ik onderuit met een gevoelloze kaak. Pijn kan iedereen uitdelen, maar een klap die gevoelloos maakt, is andere koek. Daar moet je wat kracht achter zetten. Mijn Marieke.

Ik was verbaasd van onze eerste klap. Later kond ik het plaatsen. Marieke is een zeer fijngevoelig instrument. Ze pikt de lichtste verstoringen op. Een psychiatrisch verleden en een leven bij een therapeut. En werkloos. En ze shag rokend. Ze heeft het als hypersensitieve vrouw niet gemakkelijk. Dat begreep ik toen. Ze legde het niet met zoveel woorden uit, maar ik kon het plaatsen. Ik kon het hokje aftimmeren en wegzetten. Daarna was het klaar. Ik heb ook het geluk dat ik de extremen ontwijk. Ik blijf altijd in de dalen, tussen de pieken. Grote emotionele uitingen raken mij niet. Ik filter ze weg. Ze vervliegen als alcohol. Ik kan niet lachen als een vriend de loterij wint, ik kan niet huilen als hij zijn vader verliest. Ik kan niets. Ik ben onder alle omstandigheden Zwitserland. Zo heb ik het heel fijn met Marieke. Zij deelt uit, ik incasseer. Een rolverdeling waar we ons beiden goed bij voelen. Ik ben een meester in incasseren, Marieke een fantastische uitdeler. Een complementaire relatie. Eén keer heb ik er iets van gezegd. Ze sloeg me –verrassend- met haar rechtervuist vol op mijn slaap. Toen ik bijkwam, zei ik: ‘dat moet je niet meer doen. Dat is gevaarlijk.’ Ze stompte me krakend op mijn neus. Mijn tussenschot is kapot, maar Marieke vindt het goed zo. Ze geeft er graag klappen op.

 
« Oudere berichten

© 2020 KutBinnenlanders.nl

Thema gemaakt door Anders NorenBoven ↑