KutBinnenlanders.nl

Tag: Kunst In De Besloten Ruimte (Page 1 of 2)

Kunst In De Besloten Ruimte (9)

Tilburg straalt (op rokjesdag)

    De kitscherige fonteintjes op de Heuvel waren me natuurlijk al eerder opgevallen. Maar pas toen het meisje haar rokje optilde en een waterstraal opving met haar kruis, zag ik de werkelijke schoonheid van het plein – en niet alleen ik. Binnen de kortste keren stond het vol met wellustige dames van alle leeftijden. Allemaal hadden ze een waterstraal te pakken. Rokjes omhoog, onderbroekjes aan de kant en – genieten maar.

    In het begin durfden de vrouwtjes nog niet goed te kermen, maar al snel kwam de een na de ander zonder gene publiekelijk klaar. Wat een geluid! De Apenheul rond voedertijd is er niks bij. En wat een gezicht! Prachtig dat collectieve genot. Ontroerend ook. Zo zie ik Tilburg graag.

    Ik wandelde naar de laatste vrije straal en duwde mijn handpalm tegen het omhoog spuitende water. De kracht! Jaloers keek ik om me heen. Een alternatief voor ons mannen moet toch voorhanden zijn? Met een ruk werd ik opzij geduwd door een hitsige dertiger – haar ogen die van een dronken maniak. Nog voor ik goed en wel kon reageren stond zij al met haar benen wijd te genieten. Ze leek op een mongool wiens haren langdurig worden gekamd.

    Geïrriteerd verliet ik het bordes. Mijn erectie schuurde tegen de binnenkant van mijn nauwe spijkerbroek. We leven in een matriarchale maatschappij, dacht ik, ook al weten vrouwen hun machtspositie te camoufleren met decolletés en een aanstellerige giechel. De Heuvel leverde opnieuw het bewijs… Ik besloot maar naar het Marietje Kessels monument te gaan. Altijd goed voor een zaadlozing. In het geniep, dat wel. Ook dat schuurde.

 

Kunst In De Besloten Ruimte (8)

Noem me maar Alfred. Waarom ook niet. Ik leef immers een overdrachtelijk bestaan. Nog niet zo lang trouwens, maar dat doet hier niet ter zake. Wel van belang is mijn hang naar zuiverheid, naar onbespoten fruit. Want zonder die drijfveer stond ik hier nu niet, tegenover haar.

Ik ken haar al pakweg vijf jaar. De eerste keer dat ik haar ontmoette was tijdens de communie van mijn zoontje, haar klasgenoot. Ze zag er prachtig uit, een bruidje dat de aanstaande echtgenoot simpelweg niet kon afwijzen. Dat deed hij dan ook niet, want ze straalde als een brandende engel toen de pastoor haar een ouwel tussen haar lipjes schoof.

De jaren daarna kwam ik haar regelmatig tegen op het schoolplein. Ik zag haar huppelend op groepjes jongens afstormen. Die stoven ongemakkelijk uiteen, nog niet klaar om haar uitdagingen met stoerheid te pareren – die kenden ze nog maar alleen uit piratenfilms of onbenullige Chinese vechtfilms. Vaak ook hing het meisje als een weeskind aan de arm van een jonge leraar – met een lerares heb ik haar nooit gezien.

Van een veilige afstand volgde ik haar dartele bewegingen, zag haar ontpoppen tot een fraaie vlinder en voelde me betrapt toen ik lieve tietjes ontwaarde in haar bloesje.

Een enkele keer hadden we oogcontact. Niet lang, want ik kon haar uitdagende blik niet verdragen. Veel te veel vrouwelijkheid in zo?n jong lijfje. Beschaamd wendde ik mij dan af.

Mijn zoontje ging naar het vmbo, zij naar de havo in de stad. Ik verloor haar uit het oog. En nu sta ik tegenover haar, op een open plekje in het zonnige herfstbos. Is het al een jaar later?

Hoe ik hier kom ga ik niet vertellen. Ik ben er niet trots op. Ogen kunnen je hypnotiseren, huren, als een vampier leegzuigen – laat ik het daar maar bij houden.

“Je ziet er goed uit voor je leeftijd.”

Zoeter kan een stem niet klinken. Ze staart me veelbetekenend aan.

“Jij bent nog veel te jong om je daarmee bezig te houden.”

Ik doe mijn plicht, zoals een volwassen man betaamt.

“Oh ja?”

Ze trekt uitdagend haar T-shirt naar beneden. Haar borsten golven tegen de strakke stof. Tepeltjes schieten met scherp. Ik duizel.

Ze gaat tegenover me zitten, zonder dat haar ogen me ook maar een ogenblik loslaten. Haar rokje hangt nonchalant over haar prachtige bovenbenen. Met haar vingers plukt ze de stof langzaam omhoog. Een rood onderbroekje wordt zichtbaar. Geschrokken kijk ik weg.

“Durf je niet te kijken?”

En dan ook nog zo brutaal…

“Ik heb het al eens gedaan hoor.”

Dertien jaar en dan al zo fysiek aanwezig. Dat is niet goed, dat mag niet… Ik schrik van mijn morele reactie. Meisjes van dertien mogen immers gestenigd worden – één kort bericht in de krant. Ook mogen ze solo avonturen beleven op de wereldzeeën – enkele lange verhalen in de pers. Maar hallo! raak je ze liefdevol aan dan is het medialandschap te klein. En terecht. Dus. Ik moet naar huis – en snel!

Maar kijk haar nu eens Zijn. Ze gaat rustig achterover liggen op de dorre bladeren, alsof er niks aan de hand is. Een been op de grond, met het andere wiebelt ze op en neer. De stof van haar slipje beweegt vrolijk mee. Ik zie hoe haar lipjes zich liefjes verstoppen achter het rood. Het nazomerlicht danst over de o zo zachte rimpels. Volgens mij bliksemt het in haar kruis – dertien jaar, en de inhoud van haar broekje viert al uitbundig een Suikerfeest.

Elektriciteit schiet als een razende door mijn lijf. Als verlamd blijf ik zitten.

“Wil je niet met me vrijen?”

Ik kijk haar angstig aan, mijn hart gaat tekeer als een mitrailleur die op weerloze wezens schiet. Ze gaat nu recht zitten en plukt aan mijn broek.

“Je moet me wel even helpen hoor, die knoop krijg ik zo niet los, ik heb pianovingers…”

Korte masturbatiepauze. In elk geval voor mij, even de hormonen aftappen, want anders ontaardt het verhaal in porno, terwijl het toch vooral een allegorie moet zijn, een verhaal dat het Echte Leven meer dan meesterlijk neerzet. Voel U echter niet geremd om ook Uw gerief te zoeken, dat is gezond. Bovendien schept het een band tussen schrijver en publiek – en wat willen we nog meer?

Mijn vlees is zwak, net als mijn geest. Laat ik maar doen wat zij wil, dan wordt niet duidelijk wat ik wil. Verzachtende omstandigheden.

Onhandig stroopt ze mijn broek naar beneden. Toch niet zo ervaren, denk ik, maar we zullen zien. Ik druk haar tegen de grond, schuif haar rok omhoog. Met mijn lippen wrijf ik over haar kruis. Ze blijft rustig liggen terwijl ik haar benen voorzichtig spreidt. De stof van haar broekje schuurt over haartjes, ik voel het met mijn mond. Ze is toch meer vrouw dan ik dacht. Met mijn tong duw ik zachtjes tegen haar lippen. Ze heeft al echte kussentjes. Nog altijd beweegt ze niet. Maar wat ruikt ze heerlijk… zo puur, zo zoet, een beetje naar rozemarijn…

Ik stroop haar broekje naar beneden. Ze tilt haar billen op. Kijk nou toch eens, die lieve haartjes… wat zien ze er nog gelukkig uit. Voorzichtig streel ik haar bosje en open het. Ze is nat. Het topje van mijn wijsvinger schiet naar binnen in de nauwe opening. Zo te voelen is ze inderdaad geen maagd meer, geen gummie oing oing te bekennen.

“Weet je het zeker?”

Ze knikt, maar de sprankeling lijkt uit haar ogen verdwenen. Helaas is er geen weg terug. De locomotief is op stoom. Een cul-de-sac.

Ik maak mijn eikel nat en probeer bij haar binnen te dringen. Ik voel hoe ze verkrampt. Toch druk ik door. Stroef glijd ik bij haar binnen. Met haar armen drukt ze tegen mijn borst, alsof ze mij elk moment van zich af wil duwen.

“Zal ik stoppen?”

“Nee ik vind het lekker.”

Voorzichtig stoot ik in haar. Haar benen worden keihard. Toch maar stoppen! Ik verlaat haar prille liefdesgrot en ga weer zitten. Beteuterd kijkt ze me aan.

“Dat is niet erg hoor”, probeer ik haar te troosten. “Misschien ben je toch nog te jong voor seks.”

Ze reageert niet.

“Vind je het goed als ik me even aftrek op jouw billen. Het zaad moet er wel uit, of wil je dat ik explodeer?” Mijn grapje ontspant haar. Lachend gaat ze op haar buik liggen? Ze heeft nog een beetje meisjesbillen, nog niet helemaal volgroeid, maar wat zijn ze prachtig en zo lekker onschuldig wit… Ik schuif haar benen bij elkaar en plaats mijn knieën naast die van haar. Ik begin te masturberen terwijl ik over haar zachte landschap streel. Alsof ik met een mes over het water glijd. Onwennig blijft ze liggen. Dit kent ze niet. Natuurlijk niet, maar voor alles komt een eerste keer.

Als ik in haar bilspleet wil afdalen naar haar negende opening knijpt ze haar spieren samen. Toch enige repulsie. Gelijk heeft ze. Veel te jong om nu al twee liefdesopeningen te ontdekken. Die bittere maan komt nog wel. Ik verhoog het tempo en spuit al snel over haar kont. Liefdevol wrijf ik het zaad over haar billen uit.

“Wat is dat warm”, zegt ze giechelend.

 

Kunst In De Besloten Ruimte (7)

Een geiser van gekrijs

Het duurde even voor de eerste steen doel trof. Het was opvallend hoeveel mannen mis gooiden. Soms meters. Zenuwen? Lijkt me sterk, het geloof stond immers aan hun zijde. Terecht overigens. Vrouwen moeten niet zo’n grote broek aantrekken. En al helemaal niet uitrekken. Vooral niet in het bijzijn van drie moslimmannen. Kat. Spek. Et cetera. Tja, dommigheid komt overal voor. Ook bij meisjes van dertien. Dat blijkt maar weer. Goed dat er corrigerende maatregelen bestaan. Dat zal ze leren. De geile sloeries. Verkrachting mijn reet… Tot zover de moraal, terug naar de actie. Zoals gezegd was het even wachten tot de eerste PATS! Een inspirerende PATS! Op het jukbeen. Het bloed gutste eruit. Vrijwel meteen. Een teken van hogerhand. Van Allah. Een aanmoediging, dat vooral. Dus. PATS! PATS! PATS! Et cetera.

Het toeval wilde dat ik vorige week in Somalië was. Een oud-studiegenoot van me woont/werkt in Mogadishu. Tweehonderd euro retour – de lage vliegprijzen blijven me verbazen. Maar niet te lang, want voor je het weet is het leven alweer voorbij… Een weekje vakantie dus. De eerste dagen verliepen rustig, om niet te zeggen saai. Wat rondhangen in de blanke pubs… Totdat… een buzz zoemde door de wijk… er stond een steniging op stapel! Mijn vriend wist te vertellen dat het een culturele happening van formaat zou worden. Ik moest mijn borst maar eens natmaken. En, wat zouden mijn vrienden thuis jaloers zijn. Die kans wilde ik natuurlijk niet laten lopen.  

Het stadje Kismayo lag op een voor Afrikaanse begrippen steenworpafstand van Mogadishu. Met de hagelwitte leaseauto van mijn vriend legden we de route in een halve dag af. We waren ruim op tijd, dus we slenterden wat rond in de buurt van the place to be, het plaatselijke voetbalstadion… Ongeveer een uur voor het spektakel startte, arriveerde een vrachtwagen. De lading: stenen. De chauffeur stortte ze opvallend routineus in een van de strafschopgebieden. (Het doel was voor de gelegenheid verwijderd.) Het verbaasde me dat we er gewoon naartoe konden lopen – entree hadden we ook al niet hoeven betalen. Waarschijnlijk zijn de culturele activiteiten in Ethiopië gesubsidieerd, al dan niet met ontwikkelingsgelden. Ik raapte een steen op. Niet groter dan een tennisbal. Keurend liet ik het graniet (?) een paar keer in mijn handpalm ploffen.  

De houten tribune stroomde langzaam vol. Met mannen, uiteraard. Opvallend veel blanke mannen overigens. De buzz had zijn werk gedaan onder de toeristen. Ook wij namen plaats, allebei een tej in de hand. De feestelijke drank smaakte lekker bitter. Denk aan… nee, ga zelf maar een keertje proeven. Tweehonderd euro kunt ook U gemakkelijk betalen. En misschien heeft ook mazzel en kunt ook U naar een steniging. Cultuur snuiven reinigt de ziel. Dus. De stevig vastgebonden slet werd binnengedragen door twee mannen, gevolgd door een stoet moslims (?) met baarden. Ze spartelde en schreeuwde. Ja meisje, berouw komt na de zonde! Nu pas zag ik dat er op de middenstip een gat was gegraven. Het meisje erin, het gat dicht en gooien maar zou ik zeggen!

Nee, zo gemakkelijk ging het niet. Eerst de rituelen. De baarden slingerden haar allerlei verwensingen naar het hoofd. Het spuug vloog haar om de oren. Een paar mannen begonnen in tongen te praten – en zelfs te schuimbekken. Wat een prachtig schouwspel. En het meisje bleef maar schreeuwen. Omdat alleen haar hoofd boven de grond uitstak, had dat een mooi dramatisch effect. Alsof een geiser van gekrijs omhoog spoot uit de spelonken van het vagevuur. Ja, de regisseur had het goed begrepen… Een soort scheidsrechter (de regisseur?) in een zwart gewaad maakte een einde aan het voorspel. Het was tijd voor het hoofdprogramma… De mannen liepen naar de berg stenen en staken er een paar in hun buideltassen. Met gesteende vuisten gingen ze in een kring om het meisje staan. Op zo’n twintig meter afstand, zodat de toeschouwers optimaal van het spektakel konden genieten. En geen journalisten te zien! (Een buzz heeft zo zijn eigen wetten.) Noem het decadent, maar ik hou van exclusiviteit.

PATS! PATS! PATS! Het bloed spoot er nu uit. En een gekrijs!  Zoiets afgrijselijks had ik nog nooit gehoord. Een rilling schoot over mijn rug. Om mijn ongemakkelijk gevoel weg te drukken, riep ik ‘Jew! Jew! Kill the jew!’ Een enkeling herkende de Monty Python sketch uit The life of Brian en lachte bevestigend. PATS! PATS! PATS! Drie keer achter elkaar raak! Ha, ik kwam weer in het spel… Geconcentreerd probeerde ik me te verplaatsen in de benarde positie van de sloerie. Brrrrrrrrr… Shit zeg, dat associëren verhoogde de amusementswaarde aanzienlijk… lekker zielig… He, wat nu?! De scheidsrechter legde de wedstrijd stil. Een paar verpleegsters groeven het meisje uit de grond. Ik dacht te zien dat haar bovenlip loshing – ik had helaas geen verrekijker bij me. Zou ze dood zijn? Nee, gelukkig, ze was slechts bewusteloos. Binnen vijf minuten was ze weer speelklaar gemaakt door de verpleegsters. Mijn vriend stootte me triomfantelijk aan en stak zijn duim omhoog.  

PATS! PATS! PATS! Het hoofd spatte bijna uit elkaar. Daar kon een splattermovie niet aan tippen. De hoer moest nu wel dood zijn. De scheids beëindigde de wedstrijd. Dat kwam hem op een striemend fluitconcert te staan. Ja, de sfeer zat er goed in. Ook wij waren in onze nopjes… We dronken nog een tej of twee, drie, vier, vijf… Aangenaam rozig reden we terug, over de verlaten zandwegen langs de kust. Ik kneedde mijn kruis, was een beetje geil geworden. Mijn vriend had het in de gaten. Hij kende wel een adresje. ‘Hier zijn zat hoeren jongen, dit land wemelt van de hoeren.’   

 

Gezien: De steniging van Aisha Ibrahim

Waardering: Beoordeling: ۞۞۞۞۞

 

Kunst In De Besloten Ruimte (6)

Sysyphus, dus

‘Je wilt dus eh… uit het raam springen?’ Hij wees naar het venster naast zijn bureau. Hij lachte daarbij ongemakkelijk, alsof het van hem werd verwacht. Zijn schouders schokten een beetje op en neer. Het hoofd bewoog niet mee. Ik moest denken aan Herman – goeie morgen deze morgen – Koch in Debiteuren/Crediteuren. Ja, B. Drooglever, verzuimarts van Maetis, bracht de stemming er goed in. En ik hoefde er weinig voor te doen. Het melden van enkele depressieve klachten was ruimschoots voldoende om zijn komische talenten te lanceren.

Op de fiets naar Industrieterrein ’t Laar voelde ik de eerste voorpret opkomen. Mijn verwachtingen waren hoog gespannen. Op de site stonden mooie dingen. ‘Arbodienstverlener Maetis is er op gericht om werkgevers zakelijk en werknemers persoonlijk gezonder te maken’. Kijk! ‘Maetis heeft een individueel beweegplan voor fittere werknemers.’ Wauw! ‘De oplossingen op het gebied van verzuimmanagement zijn modulair opgebouwd en afgestemd op de vangnet- en maatwerkregeling.’ Prách-tíg!

Ook de uitnodigingsbrief was veelbelovend. Ik kreeg een vermaning, want ik was niet komen opdagen bij de eerste afspraak. ‘Hierdoor zijn wij genoodzaakt om deze no-show bij u in rekening te brengen.’ Eerdere afspraak? Na tien minuten dwalen door een goed geconstrueerd doolhof van menu-opties en rockballads in orgeluitvoering kreeg ik een ongeïnteresseerde dame aan de lijn. Nee hoor, ik had maar liefst twee (!) oproepen gekregen – voor de zekerheid stuurden ze er altijd nog eentje achteraan. Ja, dat wist ze zeker. Nee, het systeem maakte geen fouten… De volgende dag kreeg ik opnieuw een uitnodigingsbrief. Identiek aan de eerste. ‘Hierdoor zijn wij genoodzaakt om deze no-show bij u in rekening te brengen.’

Ik moest mij melden op de tweede etage van ‘het roze gebouw op het einde van de Dr. Paul Janssenweg rechts’. Het hol van de afgekeurde en/of mislukte huisartsen had dus een vrolijke tint. Vast en zeker om de onkunde te camoufleren. Dat viel me tegen. Zoveel zelfkennis had ik niet verwacht. Maar wellicht was het toeval… Ik stapte uit op de tweede verdieping en meldde me bij de balie. Daar zat niemand. Op de achtergrond zag ik vier mensen, weggedoken achter een pc. Ik klopte op het raam. Een man met een bruine pullover en een borstelige snor keek geïrriteerd over zijn schouder. Een bovengemiddeld dikke vrouw klikte snel een kaartspel weg. Verder geen actie. Ze lieten me staan. Gelukkig, die roze kleur was geen opzet. De onkunde mocht wel degelijk getoond worden. Ik kreeg er weer plezier in. 

Ik nam plaats in de wachtkamer. De tijdschriften dateerden van begin 2006. Viel me mee. Ik nam L’étranger van Camus uit mijn binnenzak en begon te lezen. Na een tijdje schuifelde een kleine, schuchtere man langs. Hij droeg een witte jas en een volle baard. Zijn eggness was niet te missen. Zijn onhandig loopje, zijn meidenpiemel, zijn dommige ik-kan-er-ook-niets-aan-doen blik, zijn hangende schouders. Een ei van jewelste. Hij knikte bangig naar mij en schuifelde voorzichtig verder. Een kwartier lang gebeurde er niets. Niemand te zien of te horen. De receptie was nog steeds onbemand. Tien minuten later stelde een lange man zich voor als B. Drooglever. Ook een witte jas. Ook een ei. Zijn onhandig loopje, zijn meidenpiemel… etc. Ik liep vrolijk achter hem aan naar zijn spreekkamer.

‘Je wilt dus eh… uit het raam springen?’ Hij verraste me. De dommigheid was groter dan gehoopt. Het werd dan ook een uitermate gezellig gesprek. Natuurlijk paste ik op mijn tellen. Stel je voor dat B. Drooglever tegen alle natuurwetten en verwachtingen in toch een zweem van een ego zou bezitten… Nee, ik liet de bureaucratische machine gewoon lekker zijn ding doen – en genoot daar met volle teugen van. ‘Ken je de openingszin van Le Mythe de Sisyphe van Camus?’ vroeg ik aan B. Drooglever. Nee, natuurlijk kende hij die niet. Ik citeerde op een nonchalante manier. ‘Il n’y a qu’un problème philosophique vraiment sérieux: c’est le suicide.’ Opnieuw schokten zijn schouders op zijn Herman Kochs…. En zo probeerden we er allebei iets van te maken.  

Ja, die Camus had het goed begrepen. In l’absurde zit de zuurstof. Het absurdisme als hét medicijn om de zinloosheid van het irrationele leven te kunnen verdragen – en er zelfs van te kunnen geníeten. Optimistisch nihilisme. Dus. Duw net als Sysyphus telkens opnieuw die zware steen naar boven en… rollen maar! Plezier verzekerd.

Gezien:           Arbo-arts B. Drooglever in zijn natuurlijke habitat

Beoordeling:   ???

 

Kunst In De Besloten Ruimte (5)

De dodo van de orale kunsten

Klokslag 17.00 uur treedt hij binnen. In café ’t Buitenbeentje, zijn habitat. Zoals elke donderdagmiddag. De Opperpater. Hand joviaal in de lucht. Luidruchtig. Hij begroet de aanwezige paters en knikkers en bestelt aan de bar zijn eerste halve liter. Hij wacht quasi-nonchalant op zijn pul bier. De € 2,50 aan muntgeld rammelt ongeduldig in zijn hand. Na een eerste slok neemt hij plaats aan het hoofd van zijn stamtafel. Met een schuimsnor, die vanzelf wel wegtrekt. Hij lacht. De Opperpater lacht vrijwel altijd. En hij neemt het woord. Om de komende drie uur niet meer daarmee te stoppen. Een tiental fans hangt weer aan zijn lippen. De lippen van de enige echte Tilburgse voordrachtskunstenaar. Klokslag 20.00 uur verdwijnt hij weer. Eastenders kijken. Op BBC one.

De Opperpater. Hij heeft een imposante keelklank, een tikkeltje nasaal. Geen piepende eunuch, maar een zalvend grommende beer. Zijn woordkeus is zorgvuldig bijgeslepen, afgestemd op zijn gehoor. Maar niet serviel of dwepend. Oh nee, zeker niet. Eerder pronunciatio, overtuigend. Maar let op! Hij toont zijn paspoort van eruditie zonder zijn toehoorders te schofferen. Zonder boven hen te gaan staan. Hij is een van hen. Sámen nemen ze de lift naar een hogere etage. En sámen stappen ze uit. Dat is de ware kracht van de Opperpater. Zijn witzen hebben bovendien altijd meerdere lagen. Geen eendimensionale grappen en grollen. Noblesse oblige. De Opperpater, zwaar van gewicht en zwaar van inhoud.

Ook vandaag weet hij weer indruk te maken. Met zijn performance. Zijn metamorforistische gebarenkunst is onvergetelijk. Hoe miniem zijn fysieke handelingen ook zijn. Z’n pantomimiek beperkt zich tot een subtiel spel met zijn wenkbrauwen. En een geraffineerd lachje. Hooguit een lichte plooi, die de viriliteit van de inhoud versterkt. Wel dominant: zijn echoënde bariton. En zijn decorum, dat hij streng bewaakt. Dankbare instrumenten van een ware vakman. Hij probeert de bezoekers van ’t Buitenbeentje ermee te verlichten, te stichten zelfs. De Opperpater is een man van deugd en waardigheid. Althans, tijdens zijn voordrachten. Daarbuiten overschrijdt hij nog wel eens het grensgebied. Maar nooit op het podium?

De Opperpater is overigens als voordrachtskunstenaar een autodidact. Dus geen geschoolde maniertjes. Geen aanstellerig gehinnik. De Opperpater is een natuurtalent. Het zit in zijn genen. Hét. ’t Is moeilijk te omschrijven. Hij heeft hét gewoon. Aan zijn kont hangen, als het ware. Hij hoeft zijn retorische kunsten niet naar populistische voorgangers of succesvolle politici te modelleren. Ook is hij wars van classicistisch geneuzel. Hij is zichzelf. Geeft gewoonweg toe aan de aandrang om te oreren. Aan de flow van de taal. Declameren is bovendien gezond, zegt hij. Het regelt de lichaamtemperatuur. Het overtollige vocht verdwijnt door de muzische inspanning uit het imposante lichaam – via adem, speeksel, transpiratie en tranen. Geest en lichaam trekken bij de Opperpater samen op. Als avontuurlijke woudlopers. Gebroederlijk zij aan zij. Af en toe een gebbetje makend.

De voordrachtskunstenaar, de dodo van de orale kunsten. In de loop van de twintigste eeuw uitgestorven. Compleet uitgestorven. Monddood gemaakt door de televisie en alles wat daarna kwam. De Opperpater geeft het metier weer een nieuwe injectie. Met zijn welsprekendheid plaveit hij de weg voor een nieuwe generatie redenaars. Wie weet, stampt hij een nieuw gilde uit de grond. Een rederijkerkamer anno 2008. Ja, ja, ja, ja… Laat iemand een traktaat aan deze man wijden. En snel een beetje.

Gehoord: De Opperpater, Kafee ?t Buitenbeentje
Waardering: ?????

 

Kunst In De Besloten Ruimte (4)

Een opwaartse lijn, een voortdend’rende trein

Een kantoordichter. Het fenomeen rukt op. Een collega die zijn collegae enkele inspirerende woorden schenkt. Of zoiets. Is blijkbaar nodig. Ook het ambtelijk apparaat van de gemeente Tilburg is er hard aan toe. Althans, volgens burgemeester Ruud Vreeman. Hij nam het initiatief voor een poëtisch pilotproject, in stadskantoor 1. Is het succesvol, dan wordt het uitgerold. Opgeschaald naar stadskantoor 2, stadskantoor 3, et cetera. U begrijpt de strekking. Volgens Vreeman moet het kantoordichterschap “het eroderen van de persoonlijkheid door de hiërarchie en bureaucratie van een grote organisatie” tegengaan. Zo, zo. En hij méént het: hij schreef zelf het eerste gedicht (na het volgen van een workshop, met welgemeende passie verzorgd door een van de voormalige stadsdichters). Daarna is het stuivertje-wisselen. Wethouder Joost ‘hetera’ Möller staat al in de startblokken.

Loop ik over het nieuwe Pieter Vreedeplein
Dan zie ik de contouren van een echte stad
Dansen op het ritme van de tijd
en denk ik fijn
Terug aan het verleden, het heden, de toekomst
en wat We met zijn allen realiseren met zijn allen.
De PC Hooftstraat, ja zelfs die,
krijgen we dan ook klein met ons eigen dromenpaleis,
met onze postmoderne Mall en ja,
de T zit in een opwaartse lijn,
een voortdend’rende trein.
Ik stroop mijn mouwen op tot boven mijn taken,
Zet mij schrap tegen de seconden, de minuten, de uren, en zal
Van mijn werk een eeuwigdurende uitdaging maken.
Ook jullie bevlogenheid maken dat ik vlieg, dat ik kan bewaken
Dat onze stad de hoge pieken scheert, niet het troosteloze dal
En dus zeg ik met trots: jongens, blijf mij alsjeblieft raken!

De burgemeester zet meteen de toon. Het is duidelijk wat hij met het kantoordichterschap beoogt. Zijn ambtenaren moeten hem blijven raken. Alsjeblieft blijven raken. Een nobele boodschap. En vriendelijk verpakt. Geen flauwe veroordeling van de aanwezige lethargie, met bestofte stoplappen als ambtelijke luiheid en verstoppertje spelen voor de boze buitenwereld… Ha, ik begin te allitereren. Het gaat vanzelf. Zal wel door de poëtische kracht van Vreemans gedicht komen. Want het moet gezegd: onze burgemeester is een verdienstelijk dichter. Een zéér verdienstelijk dichter. Om te beginnen kiest hij voor de sonnetvorm. Klassiek, zo op het eerste oog. Traditioneel, ook op het tweede oog. Maar de schijn bedriegt. Wat zeg ik, de schijn bedríegt. Want wat een geraffineerde dichter is hier aan het woord. Hij tilt de klassieke vorm op en transponeert die naar deze tijd. Hupsakee! En nee hoor, geen strak metrum. Overboord daarmee. Flexibiliteit is wat deze tijd nodig heeft. Vreemans dichtregels bepalen hun eigen ritme. Kort, lang, zes jamben, vier jamben, hij draait er zijn dichtershand niet voor om. Dat het rijmschema wél strak blijft, versterkt de zeggingskracht. En met resultaat. Want welke boodschap zit er onder die anarchistische vormbehandeling verstopt? Juist, je hebt het verleden nodig om verder te komen. Je gooit het kind niet met het badwater weg. Wat een vondst! Gaan we iets dieper in op het gedicht, dan zien we dat Vreeman veel gebruik maakt van enjambementen. Bijvoorbeeld: ‘… en denk ik fijn / Terug aan het verleden…’. In het nú hebben we het fijn, maar dan wel dánkzij het verleden. Die metafysische gedachtelijn wordt versterkt door de verfijnde woordkeuze: seconden, minuten, uren. De burgemeester reist dynamisch op en neer tussen het heden en het verleden. Hij zit net als de T in een voortdend’rende (let op de versnelling door de apostrof!) trein. En daar voelt hij zich comfortabel bij. Vol vertrouwen op weg naar de toekomst. De chute gebruikt Vreeman wél weer klassiek: hij laat de octaaf en het sextet met elkaar schuren, een beetje vechten zelfs. En hij trekt zijn conclusies. Hij stroopt zijn ‘mouwen op tot boven zijn taken’, een prikkelend beeld. Hij schakelt een tandje bij, doet meer dan wat van hem verlangd wordt. Maakt van zijn werk een ‘eeuwigdurende uitdaging’. Op een prettig dwingende manier activeert hij zijn ambtenarencorps opnieuw, na de functionele herhaling van de woorden ‘met zijn allen’ in een eerdere strofe. Zodat hij straks vol trots door Tilburg (en omgeving) kan lopen. Door zíjn PC Hooftstraat, de Mega-Mall. Hand in hand met zijn vrouw. Een mooi klassiek plaatje. Zoals het hoort. Ook in 2012.

 

Kunst In De Besloten Ruimte (3)

Een catch-22 avant la lettre

De stof wordt er letterlijk afgeblazen. Bibliothecaris Rien Vissers schaamt zich zichtbaar. “Sorry hoor, maar het boek is al meer dan tien jaar niet uitgeleend.” Boeken die niet populair zijn, verdwijnen naar het magazijn. Dat lot viel ook Lucifer (1654) ten deel. Een sleutelwerk in het imposante oeuvre van Joost van den Vondel (1587-1679). De Nederlandse Shakespeare, de Goethe van de Lage Landen. Ik trek me met het toneelstuk terug in de middelste van drie stiltecabines van de bibliotheek. Links naast me een moslimmeisje, via haar mobiel druk in gesprek met een vriendin. Rechts een Tilburgse, ook aan de kwaak. Met vingers in mijn oren lees ik een vergeten meesterwerk.

Een onterecht vergeten meesterwerk. Want oei, oei, oei, de vonken vliegen er vanaf. Het thema is dan ook buitengewoon intrigerend: engelen die er een potje van maken. En waarom maken die engelen er zo’n potje van? Nou gewoon, omdat ze jaloers zijn. Jaloers op de mens, zojuist door god naar zijn evenbeeld geschapen. (Evenbeeld, een mooi woord.) De engelen zijn dus jaloers. Want stel dat de kersverse Adam & Eva en al hun nakomelingen de lievelingetjes van god worden. Dan zijn de engelen gedoemd tot dienstbaarheid. Dat kan natuurlijk niet. En hupsakee, de hemel staat in brand! Aan de ene kant stedehouder Lucifer. Hij voert een leger aan met daarin illustere namen als Belzebub, Belial en Apollion. Tegenover hem de veldheer Michaël, met zijn schildknaap Uriël en de beschermengelen Rafaël en Gabriël aan zijn zijde.

Op, trekt op, o gij Luciferisten,
Volgt deez’ vaan.
Rukt te hoop al uw krachten en listen.
Trekt vrij aan.

De diepgelovige Vondel schept een meeslepend drama. Engelen die er een potje van maken, dat is me ook nogal wat, zeker voor een gevoelige geest. Engelen moeten zachtjes zingen en fluisterend vliegen, in witte gewaden. Lief zijn. Niet elkaar met vlammende zwaarden hardhandig de kop in slaan. En om de tragedie compleet te maken: natuurlijk maken ook Adam & Eva er een potje van, in de luwte van de hemelse stormen. Ook zij houden zich niet aan gods regels. Foei! De gevolgen zijn dan ook fraai. Bijzonder fraai:

De Godheid dreigt de vrouw, die Adam heeft verleid,
Met weên en barendsnood en onderworpenheid;
Den man met arbeid, zweet en zorg en lastig slaven;
Den akker, die den mens ten leste zal begraven,
Met onkruid en veel ramp

Een moraliserende boodschap, zo op het eerste gezicht. Maar de ware strekking van Lucifer is niet zo gemakkelijk te duiden. De causaliteit tussen de motieven is behoorlijk complex. De hemel en de engelen zijn er volgens het Oude Testament (een boek) het eerst. Daarna schept god op aarde de mens, zoals gezegd naar zijn evenbeeld. (Evenbeeld, inderdaad een práchtig woord, met zijn verlokkende open klanken. Dat kan gewoon niet zonder gevolgen blijven.) De mens, die vervolgens op een lange dwaaltocht verzeild raakt – en uiteindelijk maar god en de engelen schept (naar zijn evenbeeld, uiteraard), je moet toch iets. Evenbeeld naar evenbeeld naar evenbeeld. Die grenzeloze fantasie hebben we toch niet voor niks. Projecteren maar!

En dan komt de dichter Vondel en die doet er met zijn geraffineerde verhaallijnen nog een schepje bovenop. De engelen maken er een potje van en verpesten het zo ook voor de mens. De creatie verziekt het voor de creatie van zijn creatie. Jawel, we hebben hier te maken met een catch-22avant la lettre. Er is gewoonweg geen ontkomen aan. We zitten gevangen. Gevangen in ons eigen hoofd. Vondel legt de vinger op de zwerende plek en bekritiseert daarmee impliciet ook zijn eigen geloofsovertuiging. We verdoemen onszelf, met grote geestdrift. Met opvallend grote geestdrift. Wat moeten we anders? Masochisme waar je U tegen zegt. Opgewekt verlaat ik de bibliotheek. Het regent. Heerlijk. Soms is het in de gevangenis best aangenaam.

Gelezen: Lucifer, Openbare Bibliotheek Tilburg
Beoordeling:

 

Kunst In De Besloten Ruimte (2)

Geen hupsakee, jou neem ik mee

De broek is eigenlijk van zijn vader. Eigenlijk, want het sjofele kledingstuk is ‘geleend’. Stiekem ontvreemd, uit de antieke kleerkast. Om vervolgens een prominente rol te spelen in de expositie Oidipous Sex. Tja, je moet er maar opkomen? De Tilburgse kunstenmaker H. kwam er op. Vaderhaat in’t kwadraat. Of, hoe een versleten icoon versleten blíjft. Want laat één ding duidelijk zijn: het idee ontstijgt de artistieke pretentie níet. Alle mooie, prijzende woorden van Ewald Poulet ten spijt. De artistiek leider van Lokaal 0 deed nog zo zijn best tijdens de opening van de expositie. Maar Poulet lijkt wel vaker goud te zien in een… ach ja, waarom ook niet… in een hoop fecaliën.

Natuurlijk is de bobbel lekker dwars, door zijn natuurgetrouwe schreeuw om aandacht. Natuurlijk is de houding aangenaam nonchalant, bijna omnipotent kek. Brutaal solliciterend naar een proces-verbaal. Maar de kijker mist de emotionele diepgang. Het kunstwerk wil maar niet onder je huid kruipen. Kijken naar Oidipous Sex is niet meer dan kijken naar een gevulde broek. Geen aha-erlebnis. Geen ongemakkelijke jeuk. Zelfs geen hupsakee, jou neem ik mee. De kunstenmaker H. slaat met Oidipous Sex de plank finaal mis.

Alhoewel, ‘finaal mis’ is misschien te sterk uitgedrukt. Het besloten karakter van het werk komt immers redelijk uit de verf. Ik durf het met een beetje fantasie zelfs ‘verdienstelijk’ te noemen. De toeschouwer moet gissen naar de fysieke inhoud van de broek. Geschoren? Trendy cockring? Expressieve bloedvaten? We weten het niet. Een anatomische studie wordt het nooit. Dat valt te prijzen. Maar voor de rest, een slap aftreksel van Warhols befaamde vanitas vanitatum, et omnia vanitas. Misschien heeft de kunstenmaker H. nog een jurk van zijn moeder achter de hand?

Gezien: Oidipous Sex, Lokaal 0, Tilburg
Beoordeling:

 

Kunst In De Besloten Ruimte (1)

Het vlammende moeten

Van Densen maakt het dit keer wel erg bont. Zijn levensgrote ‘magnetic nudes’ sieren de muren van een wasruimte van Coca Cola Technical Services, een soort afwerkplek voor afgedankte frisdrankapparaten. De tentoonstelling Petrarca Revisited is dan ook alleen toegankelijk voor het personeel van het Amerikaanse conglomeraat. Gelimiteerde toegankelijkheid in een passieve omgeving, zullen we maar zeggen. Jammer voor het grote publiek, maar die beslotenheid komt de zeggingskracht van zijn installaties wel ten goede.

Echo’s van Petraca’s wereldberoemde amour fou worden als het ware gevangen gehouden door de robuuste wanden, de kille atmosfeer. Ze kúnnen niet ontsnappen, hoe graag ze dat ook zouden willen. Liefdesverdriet tussen vier muren en geen l’aura (zachte bries) die de pijn verzacht. Een ode aan ‘het vlammende moeten’, de fatale aantrekkingskracht van de alles verzwelgende lust. Saillant detail: de installaties zijn gemaakt van magneetstrips, restmateriaal.

Met Petrarca Revisited zet Van Densen een opvallende stap in zijn carrière. Hij laat zijn conventionele kunstopvattingen voor het eerst eens écht achterwege. Hij durft te kiezen voor het kunstmatige – van de meest onbeschaamde soort nog wel. Laten we hopen dat hij die lijn doortrekt. De eens zo vermaarde Tilburgse School kan best wel wat originele ‘gekkigheid’ gebruiken.

Gezien: Petrarca Revisited, Kapitein Hatterasstraat 52, Tilburg

Beoordeling:

 
« Older posts

© 2020 KutBinnenlanders.nl

Theme by Anders NorenUp ↑