KutBinnenlanders.nl

Tag: Hofnar van de Ondergang (Page 1 of 5)

Hofnar van de ondergang (50)

 
Er was gekookt, gegeten, en met overgave geheupt. Ze lagen te zweten. Zij stak een sigaret op.

“Ik vond het trouwens prachtig, hoe je dat gisteren zei.”

Hij draaide zijn hoofd naar haar. “Wat dan ?”

Ze blies een wolk. “Dat je de – wat was het ook alweer ? – de hofnar van de ondergang bent.”

Hij draaide zijn hoofd naar het plafond. Hij was opgehouden met haar te vertellen dat het allemaal buiten hemzelf om over zijn lippen gerold was. Ze geloofde hem toch niet.

Ze draaide zich op haar elleboog en keek hem aan. “Dat gaat over heel die zelfmoord-gekkigheid toch ? Want met al die media-aandacht die het kreeg ben je wel een soort hofnar geworden.”

Diederik haalde zijn schouders op. “Ja och, dat zelfmoord gedoe.”

“Waarom ben je daaraan begonnen ? Mag ik dat vragen ?”

Diederik glimlachte. En dacht terug aan toen zijn leven nog op orde was. Toen hij met een magnetronmaaltijd op schoot en een hond aan zijn voeten nog in oude doen was. Net voordat de eerste gekke gedachte zijn kop in knalde. Het leek jaren geleden, een andere wereld.

Hij keek haar aan. “Het zal je misschien verbazen, maar er zit niet echt een groter plan achter mijn handelen. Ik doe maar wat, in het leven.”

Ze knikte.

“Ik ging naar school, en heb doorgestudeerd, omdat het andere mensen een goed idee leek. Toen heb ik maar wat werk aangenomen dat toevallig op mijn pad kwam. Vrienden als Stan zijn vrienden omdat ze in mijn buurt blijven opduiken. Zelfs mijn hond – ik heb een hond, trouwens, hij is bij mijn moeder aan het logeren – heb ik op een willekeurige impuls in huis genomen. Er hing een briefje in de supermarkt en ik dacht, och, waarom niet, gezellig.”

Nathalie glimlachte. “Zo doen volgens mij de meeste mensen maar wat. Maar velen houden graag de illusie vol dat er een koers en doel achter zit.”

Hij keek in haar ogen. “Jij ook ?”

Ze keek weg. “We hadden het over jou. Hoe zit dat met die zelfmoord nonsens ? Ben je dat nog steeds van plan ?”

Hij staarde naar het raam. “Volgens mij was ik dat nooit echt van plan. Ik denk dat ik een soort inzinking had, dat ik mijn oude leven te lang beu was. En dat dat ineens tot uitbarsting kwam. Via een misverstand met Stan, die dat wel een goed idee vond, kwam er al die ellende van.”

Ze pruillipte. “Ben ik ook ellende ?”

Hij grijnsde. “Jij bent het enige goede dat van al die waanzin op mijn pad gekomen is.”

Tevreden kuste ze zijn lippen. “En nu ? Wat ga je nu doen ?”

Diederik haalde zijn schouders op. “Dat zelfmoord gedoe is toch maar nep. Maar zelfs dan heb ik er eigenlijk niet zo’n zin meer in. Maar als ik aan morgen denk, of hoe het verder moet met mijn leven, dan word ik even heel stil. Want ik heb geen idee hoe het vanaf hier gaat. Wat ik moet doen. Als ik eraan denk, voel ik me verdrinken in mogelijkheden die ik niét wil, en zie ik eigenlijk bijna geen pad dat ik wél wil inslaan.”

Ze sloeg een arm om hem heen. “Oké. Dus we denken niet aan morgen en maken er gewoon van dag tot dag het beste van. Deal ?”

Diederik zuchtte tevreden. En keek vervolgens verstoord toen hij zijn telefoon weer hoorde trillen.

 

Hofnar van de ondergang (49)

 
De zon kaatste fel van de zonnebril op Alain’s gezicht af, recht in de ogen van Diederik. Geïrriteerd trok die zijn oogleden dicht. Niet hij, dacht hij bij zichzelf. Iedereen behalve Alain. Hij zuchtte en opende de deur om de ongewenste gast binnen te laten. Bij het binnenlopen reikte Alain hem, arrogant kijkend, een stapel enveloppen: “Je post. Volgens mij niks belangrijks, maar ik heb het maar meegenomen. Jezus, wat heb jij met je haar gedaan ?”

Diederik sloot met een zucht de deur en rustte even zijn hoofd ertegen terwijl Alain al de hal doorgelopen was. Hij hoorde hem praten in de woonkamer. “Zo, dus hier hou je je nu schuil ? Niet slecht, kerel.” Diederik gromde stilletjes, zijn nekharen stonden overeind. Alain volgend keek hij snel zijn post door. Rekeningen. Een brief van zijn voormalige werkgever – te herkennen aan het regenboogmannetje op de envelop. Ongewenste ongeadresseerde post. Hij gooide de stapel achteloos op de woonkamertafel. “Bedankt. Wat kom je doen ?”

Alain zat, zelfingenomen, comfortabel in de bank genesteld. “Ik kwam je post brengen,” sprak hij grijnzend. “Stan had me gevraagd dat voor je te regelen aangezien al die cameramuskieten in de bosjes mijn kop niet kennen. Ik had geen sleutel maar die postbusjes in jouw flat stellen qua slot niet veel voor.” Hij bekeek zijn nagels. Diederik vroeg zich onwillekeurig af of Alain ook zijn appartement binnen was geweest. Vast wel. Maakte niet uit, alles daarbinnen was stuk.

Alain staarde de kamer rond. “Zozo, hier woont iemand met een aardige smaak.” Hij stond op en liep op een vitrine af. Diederik haastte zich naar hem toe en loog zo overtuigend mogelijk: “Als je het niet erg vind, ik heb deze middag nog wat dingen te doen. Kwam je voor iets dringends ? Anders heb ik liever dat je weer gaat.”

Alain snoof. “Oké, boodschap begrepen.” Hij grabbelde zijn jas van de bank. “Oh, er was wel één ding. Stan vroeg of je nog je krabbel wou zetten, iets met de beeldrechten van je filmpje of zo.”

Diederik grabbelde de papieren die hem aangereikt werden, haastig aan. Hij wou Alain zo snel mogelijk het huis uit hebben. “Ik heb hier nog ergens een pen,” treuzelde die, terwijl hij in zijn zak zocht. Diederik gritste een pen van de woonkamertafel: “Laat maar, hier ligt er al een.” Snel zocht hij op het papier waar er een handtekening moest, en plaatste die. “Als het kan moet er onder iedere pagina een paraafje, en op pagina drie nog één krabbel,” sprak Alain op een amper overtuigende behulpzame toon. De pen rolde ongeduldig over het papier.

Diederik gaf hem de papieren terug. “Was dat alles ?” Alain dacht even. “Ja, ik geloof het wel. Ik zal Stan de groeten doen en we spreken je snel.” Hij trok zijn jas aan terwijl Diederik dicht achter hem aan de hal in liep. “Tot later weer hè.”

Terwijl de deur achter hem dichtsloeg, zuchtte Alain even opgelucht. Het was gelukt. Grijnzend liep hij de stoep af, zijn schaduw achterna.

 

Hofnar van de ondergang (48)

 
Diederik was vakkundig het roerei aan het verpesten. Licht gefrustreerd schoof hij de spatel door de pan en probeerde het zwartblakeren zoveel mogelijk te voorkomen. Hoe is het mogelijk, dacht hij bij zichzelf. Onverwacht een halve held op een podium, een kluns voor het fornuis. Alsof zijn lippen tijdelijk zijn leven voor hem geleefd hadden en dat leven beter leefden dan hijzelf.

De geblakerde kruimels wierp hij zo onopvallend mogelijk in een servet en bij de rest gooide hij wat haastige specerijen, dan leek het nog ergens op. Het vuur had hij al uitgedraaid. Nathalie had niets in de gaten: ze zat verzonken in de krant. “Iets interessants ?” vroeg hij, blij dat ze afgeleid werd. Hij zette het bord met het wanordelijke ontbijt in haar blinde hoek, hopend dat ze al lezend geen acht zou slaan op hoe het prutsel eruit zag.

“Hmm,” mompelde ze, en prikte een ongeziene hap op haar vork. Diederik draaide zich opgelucht om en schepte zijn eigen bordje vol. “Sorry, lieverd,” sprak ze, nog altijd geconcentreerd op de krant. “Ik zit te kijken wat er voor vacatures zijn overal. Ik ben toe aan een nieuwe uitdaging, zeg maar.” Ze keek hem glimlachend aan terwijl ze het roerei at. Bij het prikken van nog een hap staarde ze naar het bordje. “Wat… heb je in vredesnaam hiermee uitgespookt ?” Ze schoot in de lach. Diederik grinnikte schaapachtig mee.

“Eens zien. Zie je mij als hoofd logistiek van een bouwmaterialenbedrijf ?” Ze keek gespeeld-serieus naar de krant, en toen naar hem. Diederik knikte. “Is je op het lijf geschreven. Zonder twijfel.” Nathalie knikte. “Goed antwoord. En hier…” ze bladerde één pagina terug, “Directeur van een ziekenhuis, zou ik ook moeiteloos kunnen. Of hier, VIP-helocopterpiloot.” Ze zuchtte en sloeg de krant dicht. “Een wereld van mogelijkheden ligt aan mijn voeten,” mompelde ze schamper terwijl ze nog wat ei vorkte. “Ik kan net zo goed besluiten een eenhoorn te worden. Of een planetenstelsel. Ik kan verdomme niks.”

Diederik wist niet at hij moest zeggen. Dus pakte hij maar de koffiekan en schonk haar mok bij. Ze glimlachte naar hem, stralend. “Dank, schat.” Ze dronk haar koffie en staarde uit het raam. “Ik ga me straks maar laten voorlichten door een kudde uitzendconsulenten. Zullen we vanmiddag samen wat leuks doen anders ?”

Diederik knikte. “Ik heb geen plannen vandaag, dus zeg het maar.”

Nathalie grijnsde. “Uitvreter. Mijn schrijvertje.” Ze boog over tafel om hem te kussen.

Diederik glimlachte. In het juiste gezelschap heb je enkel koffie en verpest roerei nodig, dacht hij stilletjes.

Stan hoorde haar scherp en gorgelend hoesten in de andere kamer. Iedere hoest joeg een medelijdende kramp door zijn lijf. Maar hij kon er nu even niet voor haar zijn. Hij moest het fijne hiervan weten. Zo geconcentreerd mogelijk – hoest, kramp – las hij mail – hoest, kramp – na mail uit de diederikwildood.nl email account door. Beste blabla, dank voor je bod, bullshit bullshit vele inzendingen bla het interessantste bod is gedaan dus helaas is de veilig afgesloten enzovoorts. Klik, klik. Waar is de mailwisseling die met de topbieder gepleegd is, heen verdwenen, dacht hij gefrustreerd. Hij moet er ergens tussen zitten. Verdomde Alain, gromde Stan in zichzelf, waar heb je je afspraken met deze man gelaten ?

Een heftige hoestrochel deed hem toch even bezorgd omkijken. Het ging elke dag slechter. Maar concentreer je, Stan. Aandacht erbij. Waar is het contract, verdomme, Alain, waar is het ? Hij nam zijn telefoon niet op, dat was irritant en ongewoon. Stan had woedend zijn voicemail volgebruld maar nog niets gehoord.

Vertwijfeld streek hij zijn hand door zijn haar. Zou die idioot de zakelijke afspraken via zijn privé-mail geregeld hebben ? Als dat zo is, was er geen manier om te weten wat er voor afspraken gemaakt zijn. Godver, het zal toch niet. Nee. Nee, dat kon niet. Dat zou Alain niet gedaan hebben. Met een verbeten gezichtsuitdrukking boog hij zich weer over de verzonden items folder en klikte weer verder. Dank voor je bod, hoest kramp, dank voor je bod, hoest kramp. Dat buiten de zon scheen, merkte hij niet.

 

Hofnar van de ondergang (47)

 
De metalen klem bewoog trillend naar voren. Verdomme, dacht Peter. Waarom heb ik hier niet weer gewoon nee tegen gezegd ? Hij vervloekte zijn meegaandheid, daar bovenin de toren. Maak je niet ongerust, had Stan gezegd. Ik heb voor alles gezorgd, had Stan gezegd. Alsof Stan ooit eerder met een hoogspanningsmast had gewerkt. Peter ook niet, trouwens. Ik heb me uitgebreid ingelezen, had Stan gezegd. En ik heb via een mannetje geregeld dat er geen spanning meer op die toren staat, had Stan gezegd. Peter ademde diep in. Moed houden nu. Wat had hij een gruwelijke schurfthekel aan werken met stroom. Schokken krijgen was niet zo zijn ding. En vlamboogenergie ook niet echt. Hij klikte de klem vast aan de bovenkant van de toren en verwachtte nu in één scherpe lichtflits niet meer te bestaan. Stijf hield hij zijn ogen dichtgeklemd. Om ze daarna weer voorzichtig te openen. Niets. Hij slaakte een zucht van oplichting.

Onderaan de toren stond Stan bezorgd toe te kijken. “Gelukt ?” riep hij omhoog. Peter stak een duim op en zocht de tweede klem. Hij werd afgeleid door beweging in zijn ooghoek. Er kwam iemand aangelopen vanuit het noorden van de weide. Nieuwsgierig keek hij naar de naderende gestalte, de klem bungelend uit zijn hand. Wat kwam die man hier nu weer zoeken ?

Stan had niets door. Hij dacht aan de vrouw die thuis pijn lag te lijden. En aan het geld dat nodig was om haar beter te krijgen. Beter, zodat alles weer kon zijn zoals vroeger. Daarom moest dit spel tot in de puntjes gespeeld worden. In één klap was er dan ruim genoeg geld om haar – hij hoorde nu de voetstappen en draaide zich om.

Stan keek verbaasd naar de man die naderde. Hij schatte hem begin 50, kranig van postuur, karaktervol gezicht dat streng stond. Relatief net pak. De man strekte al lopende zijn hand uit. “Hans Gebbink, aangenaam. U bent, neem ik aan -”

“Stan,” onderbrak Stan hem kortaf. Hij schudde de hand. “We zijn hier met iets bezig, als u het niet erg vindt, dat nogal nauw luistert. Tests bij hoogspanning, dus als u zo vriendelijk zou willen zijn om weer verder -”

“Tests,” herhaalde de man. “Dat vindt mijn opdrachtgever uiterst ongewoon. Wat moet er getest worden ? We hebben betaald voor een zelfmoord.”

Stan voelde zijn bloed ijskoud worden en deed zijn best niets te laten merken. Verdomme. Werkte deze man voor de man die het hoogste bod had gedaan ? “U werkt voor … ?” vroeg hij voorzichtig.

“Houdt u maar niet van de domme,” sprak Gebbink, terwijl hij de toren inkeek. “Wat doet die man daarboven met die veiligheidsriemen ? Ik hoop toch dat Diederik – als dat zijn echte naam is – zijn daad in zijn eentje gaat verrichten.”

Think fast, dacht Stan, en hij stamelde: “N-natuurlijk, maar u, u zult toch ook begrijpen, n-nadat hij zijn daad verricht, moet hij ook nog een keer naar beneden gehaald worden. Zijn nabestaanden stellen wellicht een helemaal verkoold lijk niet zo op prijs. En stel dat hij zich bedenkt, dan -”

Gebbink draaide zich met een ruk om en staarde met één opgetrokken wenkbrauw Stan aan. “Zich bedenken ? U maakt een grapje, hoop ik.”

Stan keek Gebbink verbaasd aan. “Het kan toch altijd nog voorkomen dat Diederik, op het laatste moment, -”

“Niks ervan,” bromde Gebbink. “Lees uw contract er maar eens op na. We hebben onder volledig bindende voorwaarden getekend. Als u contractbreuk pleegt, zult u het weten. Mijn cliënt is niet zo gefortuneerd geworden door loopjes met zich te laten nemen. Dus als het niet geeft,” hij keek terug omhoog de toren in, “roep uw man maar weer naar beneden, die riemen zijn nergens voor nodig.”

Stan knipperde met zijn ogen. En had ineens het gevoel middenin een sneeuwstorm op de Noordpool te staan, zo koud prikte de paniek vanuit alle richtingen in zijn huid.

 

Hofnar van de ondergang (46)

 
Zacht kusten haar lippen Diederik wakker. “Goedemorgen lieverd.” Hij glimlachte duf. Ze trok zich warm tegen hem aan.

“Ik ben zo trots op je, weet je dat. Mijn schrijver.” Ze giechelde en kuste hem nog een keer.

Diederik trok een grijnsgrimas. “Ik had er anders geen woord van geschréven hoor. Alles vloeide er spontaan uit. Geen letter van op papier.”

Ze rolde even met haar ogen. “Podiumbeest dan. Sjacherijn.” Ze greep haar hoofdkussen en sloeg ermee tegen zijn hoofd. Diederik grinnikte.

“Dat klinkt al beter. Heb ik je trouwens al bedankt om mij zo het podium op te zetten ? Als ik geen natuurtalent was gebleken was ik snoerhard op mijn bek gegaan daar.”

Nathalie giechelde nog een keer. “Ik wist wel dat dat niet zou gebeuren. Ik heb altijd gelijk.” Ze trok een eigenwijze glimlach en Diederik keek in haar ogen.

“Kom,” besloot ze koket. “Ontbijt.” Ze gaf een speelse tik tegen zijn wang en kuste hem nog een keer. Diederik had geen zin in ontbijt. Hij greep haar vast en kuste haar diep. Ze aarzelde even, blijkbaar van haar stuk gebracht, maar liet haar armen om zijn hoofd glijden. Haar lijf kronkelde tegen het zijne aan en hij draaide zich op haar. Het ontbijt kon wachten.

Richard veegde het ei uit zijn snor. Zijn dagelijkse ontbijt smaakte hem altijd prima, maar eten zonder de halve maaltijd zijn snor in te vorken was hem nog nooit gelukt. Hij klapte zijn kleine zakkammetje open en borstelde zijn trademark feature weer schoon en keurig. Vervolgens las hij verder in de krant en gromde. Weer niets. Dat hele zelfmoordverhaal, inclusief de hoofdrolspelers, nu al een week in ijle lucht verdwenen. Geen van de PR-bureaus wist van iets. Niemand wist van iets. Dit kón niet. Hij voelde het. Hier zat een groot verhaal in.

Jongen kondigt aan zelfmoord te willen plegen, houdt internetveiling, krijgt een bod, website sluit veiling, en ineens is het muisstil. Nee, dat maakte je hem niet wijs. Dit kon niet het einde van het verhaal zijn. Hij besloot het over een andere boeg te gooien en pakte zijn telefoon. Enkele vette duimprikken op het scherm later was hij bij zijn facebook-pagina. Hij trok het toetsenbordje op het scherm tevoorschijn en begon te typen. Het filmpje met die ‘Diederik’ plaatste hij, met eronder: AAN AL MIJN FANS. Ik ben bezig met een reportage over deze bijzondere oproep, die zoals jullie weten een paar weken geleden nogal wat losmaakte. Wie mij en mijn redactie bruikbare achtergrondinformatie kan bieden, wint twee kaartjes voor de show. Daarnaast mag je me dan persoonlijk nog even komen begroeten achter de schermen. Stuur dus nu je tips ! – Liefs, Richard.

Met een laatste duimdruk stond de oproep gepubliceerd en leunde hij achterover. Hij staarde naar Diederik’s gezicht in het fimpje. Waar je ook heen bent verdwenen, dacht hij bij zichzelf, ik ga je vinden, ventje. En jij vertelt mij het echte verhaal. Tevreden liet Richard een boer en schonk zichzelf nog een koffie in. Nu maar wachten. De honderdduizenden fans van zijn pagina wisten misschien iets dat al die dure onderzoeksjournalisten die hij tot zijn beschikking had, niet konden achterhalen. Al had hij eigenlijk nog nooit eerder zijn publiek zo ingeschakeld. Hij was benieuwd.

Kom maar op met die moderne tijd, dacht Richard. Toon me de kracht van die zogenaamde sociale media.

Hij had het amper gedacht of de eerste reactie was al binnen.

 

Hofnar van de ondergang (45)

 
Met een brede glimlach werd Diederik wakker naast Nathalie. Ze hadden samen zijn succes-avond gevierd. Er was op gedronken, ze waren nog wat gaan eten en uiteindelijk hadden ze heerlijk gevreeën. In het ochtendlicht zag de wereld hem er inmiddels veel beter uit. Hij had de avond van zijn leven gehad. Nooit had hij durven vermoeden dat hij zulke dingen op een podium zou staan te roepen.

Hoe laat zou het zijn ? Hoewel het eigenlijk niets uitmaakte – zowel hij als Nathalie hoefde niet echt ergens te zijn vandaag – grabbelde hij zijn telefoon. Half acht. Vroeg. Hij zag een bericht dat hij een oproep gemist had. Stan. Half slaperig belde hij het voicemail nummer.

“Diederik, dit is Stan. Bel me even, we moeten onderhand een afspraak plannen voor je – heh – zelfmoord. Oké, later kerel.”

Met een zucht liet Diederik zich terug op zijn hoofdkussen vallen en draaide zich om. Niet nu. Dat hele zelfmoordgedoe sprak hem eigenlijk helemaal niet meer aan. Stom idee. Hij knuffelde tegen Nathalie aan en rook haar zachte vanillegeur. Een brede glimlach verscheen op zijn lippen. Het leven was goed. Waarom zou hij het willen beëindigen ?

De innerlijke stem met de bizarre uitspraken zweeg. Hij had zijn ruimte om te spreken gekregen, gisteren op het podium, en die ruimte met beide handen aangegrepen. De waanzin had zich uitgeschreeuwd en kon daar tevreden een tijdje op teren. Diederik kon zich de laatste keer niet heugen dat hij zich zo goed had gevoeld. Met dat gelukzalig besef viel hij terug in slaap.

“Ik weet het niet, hoor,” keek Alain mismoedig om zich heen, “met deze plek.” Met een scherpe afkeur tilde hij zijn luxe leren schoen uit het modderige graslandschap. “Kon je niet een betere plek vinden ?”

“Dit is perfect,” sprak Stan stellig. “In de wijde omtrek geen pottekijkers, enkel weide zo ver als het oog strekt.”

Alain keek hooghartig om zich heen. Hij had het nooit echt op natuur gehad, en hier was hij omsingeld. Hij snoof mismoedig. “Als jij het zegt.”

Stan klom enkele treden omhoog de toren in. “Dit is ook prima. Vertrouw me nu maar, Alain, dit is allemaal perfect.” Hij sprong de toren weer uit, draaide zich om en staarde omhoog. “Alleen…”

“Alleen wat ?” vroeg Alain ongedurig.

“Het gaat nog een hele trucendoos kosten om dit geloofwaardig te faken. Dat we de ideale locatie hebben gevonden is één ding, maar hoe gaan we hier veiligheidsriemen en netten aanbrengen en die vervolgens in de eindvideo geloofwaardig weer wegwerken ?”

“Laat dat nou maar aan mij over,” gromde Alain. “Als jij nou je deel van het werk doet in dit smerige moeras” – hij veegde zijn schoen af aan het gras en zette daarbij zijn andere schoen in een modderpoel – “verdomme, wat een tyfuszooi hier. Maar als jij het hier allemaal in orde brengt, bewerk ik daarna de video wel. Je zult er niks meer van zien. Of twijfel je ineens aan mijn kwaliteiten soms ?” Hij gaf Stan een scherpe blik, die grinnikend terugkeek.

“Rustig, kameraad. Ik geloof heus wel in je. Ik zit alleen even praktisch te kijken. We zullen daar –“ hij wees rechts bovenin de toren – “en daar in ieder geval leidingen moeten aanleggen. En natuurlijk moet op een of andere manier de stroom er af gehaald worden. We gaan hier toch nog wel een paar mannetjes bij nodig hebben vrees ik hoor.”

Alain vloekte nogmaals om zijn modderige schoenen. “Als hun geheimhouding maar gewaarborgd wordt.”

Stan keek nogmaals omhoog, met zijn handen in zijn zij. “Komt allemaal goed, jongeman. Komt allemaal goed.”

Hoog boven hun hoofden zoemden de hoogspanningslijnen van de elektriciteitstoren vervaarlijk.

 

Hofnar van de ondergang (44)

 
Daar stond Diederik. Het zweet leek rechtstreeks uit zijn poriën te stomen. Het licht scheen genadeloos in zijn gezicht. En erachter voelde hij de tientallen paren ogen priemen, al hadden het er net zo goed duizenden kunnen zijn. Zijn benen rubberden. Zijn keel sloeg spontaan kurkdroog uit en hij schraapte hem. Hij had de aankondiging uitgesproken horen worden door de jolige presentator. Die had benadrukt dat dit Diederiks eerste optreden was en hoeveel moed er voor nodig was om op een podium als dit zijn hart te komen openbaren en of iedereen hem een warm welkom wou klappen want hij had uit betrouwbare bron – “Toch, Kimberly ?” had de presentator met een glimlach naar Nathalie nagevraagd – dat Diederiks gedichten heel, heel goed waren.

Er had applaus geklonken. En daar stond hij nu dus.

De presentator had Kimberly gezegd. Heel vertrouwd. Even twijfelde Diederik of de presentator haar echte naam kende. En zo ja, moest die dan ook buitenshuis doen alsof ze Kimberly heette ? Maar deze gedachten werden onmiddellijk weggedrongen door het hier en nu. Verdomme, Diederik, je staat hier voor een microfoon en de mensen wachten !

Hij dacht aan de eerdere optredens voor het zijne. De gedichten die daar uitgesproken werden waren stuk voor stuk onvoorstelbaar krachtig geweest, vond hij. En wat hij nu in zijn handen aan papieren vasthield, stelde daar in zijn ogen niets bij voor. Het bezoek aan zijn moeder had hem opgelucht, en hij had uiteindelijk toch wat opgeschreven, maar nu hij het vasthield, kreeg hij het doodsbenauwd. Hij vond zijn vanmiddag geschreven werk plotseling ontstellend slecht.

Er klonk een kuchje in het publiek dat hem terug bij de les bracht. Maar, niet wetend wat hij nu moest doen, stond hij daar. Seconden leken minuten, uren, dagen te worden. Godver, dacht Diederik. Wat een ongelooflijke kutdag is dit geworden. Hij veegde over zijn voorhoofd. Misschien had iedereen hier wel een kutdag. Zaten ze, heimelijk verliefd op andere aanwezigen, nu te wachten tot Diederik zijn vreselijke teksten ten berde zou brengen. Wie weet onderbrak hij nu wel gesprekken die net de goede kant op gingen. Wie weet bezorgde hij nu iedereen een kutdag. Vers zweet parelde op zijn voorhoofd.

Ik heb een kutdag,” hoorde hij plots zichzelf in de microfoon uitspreken. Hij schrok en keek het publiek rond. En weer nam zijn mond de regie over. “Ik ben ongelukkig. Het mag niet van de mensen.” Zweet barstte nu ook op zijn bovenlip uit. “Mijn ongeluk moet met hand en tand bestreden worden. Ik moet lachen en fluiten en werken en eten en slapen en,” waar haal ik dit in vredesnaam vandaan, vroeg Diederik zich overrompeld af, maar zijn lippen leidden een eigen leven en spraken onverdroten voort, “ik moet neuken, neuken, maar dan het liefst op de dagen en plaatsen en tijdstippen die men als beschaafd beschouwt, en ik moet leven baren, leven dat moet lachen en fluiten en werken en eten en slapen en neuken, en,” hij hapte naar adem.

Hij nam met bevende hand een slok uit het glas water dat naast hem stond. Nam één kalme ademteug met gesloten ogen en verwachtte bij het openen duizenden geïrriteerde priemende blikken. Maar het publiek staarde hem vol aandacht aan. Veel tijd om zich te verbazen kreeg hij niet, want de gijzelnemende innerlijke stem greep de teugels weer. Zacht sprak hij in de microfoon: “Het mag niet ongelukkig zijn van de mensen want dan ben ik schuldig.

Zijn ogen zochtten die van Nathalie, en strak keek hij haar aan. Ze keek verbaasd terug. “Zij,” sprak zijn zelfstandige mond. “Zij vertelt met haar ogen een heel ander verhaal. Het is een verhaal waarin ik niets moet. Zij voelt en voedt de onrust in mijn borstkas en haar ogen vragen enkel dat ik onverbiddelijk het zijn moet plegen. Zij is met mijn zijn en samen zijn wij ongelukkig gelukkig. Waar de mensen niet bij ons kunnen komen. In ons perfecte tweemansdorpje dat Zoete Illusie heet, koesteren we ons tijdloze samen zijn.

Diederik viel stil. Hij wist niet hoe hij verder moest. Geen woord dat hij had uitgesproken, was terug te vinden op de papieren in zijn hand. Wilde paniek sloeg paukenslagen in zijn borstkas, en overrompeld prevelde hij een bedeesd “Dank u wel,” in de microfoon.

Terwijl hij zocht naar de juiste woorden om zich te verontschuldigen voor zijn uitbarsting van waanzin, klapte het angstzweet over zijn hele lichaam eruit. Na al die prachtige, doordachte, gevoelig gevoelde teksten van eerder vanavond zouden ze hem nu háten. Zijn ogen zochten naarstig de muren af naar een nooduitgangbordje. In geval van nood zou hij misschien moeten vluchten.

Er klonk een aarzelende klap. En een tweede. En voor hij er maar iets van kon begrijpen, zat het kleine aanwezige publiek verdomme zowaar min of meer te applaudisseren. Diederik knipperde verbaasd met de ogen tegen het felle licht. Van achteruit de zaal klonk een verdwaalde “Woooo !” die hem zenuwachtig deed grijnzen. Fuck it, dacht hij. Als ze de waanzin willen, kunnen ze de waanzin krijgen ook. Met een theatrale zwaai gooide hij zijn papieren de lucht in.

LEEN MIJ UW OREN EN UW GEMOED,” brulde hij uit, “IK BEN UW HOFNAR !” Er juichte iemand. Hij maakte een dwaas huppeltje op het podium en kreeg steeds meer de kolder in de kop. “IK BEN DE HOFNAR VAN DE ONDERGANG EN SAMEN GAAN WE ER VANAVOND ALLEMAAL AAN !” Mensen lachten, enkelen hieven hun glas in enthousiasme. Als een losgeslagen rockmuzikant rukte Diederik de microfoon van de standaard en boog ineen. Om vervolgens als een springveer weer overeind te schieten.

ONZE BOTTEN ROTTEN IN DE GEWELVEN VAN ONZE TIJDELIJKHEID,” riep hij uit, zich amper meer bewust van zijn tekst, gevangen in het gevoel en het moment, “EN MOEDER DOOD KOOKT ER HAAR SOEP VAN !” Hij zwaaide in het rond en voelde de draad van de microfoon om zijn benen wikkelen. Met een sprong bevrijdde hij zich weer en boog naar het publiek toe, het warme licht omhelsde zijn verwrongen gelaat. Hij zag de gezichten die zich het dichtst bij het podium bevonden, en gefascineerd staarden ze hem aan. Kijk goed, dacht hij. Kijk goed, ik ben wat in u allen sluimert.

Hij haalde diep adem en sprak ingedrongen: “Mijn woorden vervliegen met uw aandacht en natuurlijk is het niet goed wat ik uitspreek, maar het kan u niets schelen en mij ook niet, het verdwijnen van de woorden biedt troost bij het voorttikken van de klok, en even vergeet u dat ook u vervliegt.

Als in trance boog hij het hoofd en weer klapte het publiek. Wat een idioten, dacht hij. Ze vinden het nog goed ook. Hij liet een snerpend fluitgeluid in de microfoon galmen en riep: “Dit is onze laatste halte ! De trein rijdt in één ruk en richting door, en u kunt hier niet overstappen. Angst en woede om het eindpunt zijn een regendruppel die tegen zwaartekracht protesteert. Dus laten we drinken, mijn vriend, en vergeten, terwijl de wijzers genadeloos door draaien. En wie weet, wie weet breekt er een nieuwe dag aan met nog minder genade dan al haar voorgangers.” Hij hief zijn bier naar de daarstraks nog olijke presentator, die hem stil aanstaarde.

We zijn allemaal blikken Cambell’s,” prevelde Diederik terwijl hij de microfoon terug in de standaard schoof. En hij zweeg. Snijdende stilte, tot er een aarzelend applaus klonk. En nogmaals zwol het klappen aan.

Achterin het café glom Nathalie van trots. In Diederik’s jas, die naast haar aan de stoel hing, ging zijn telefoon af, maar door het applaus hoorde niemand dat. Na enkele rinkels die het rumoer niet konden overwinnen, schakelde de telefoon door naar voicemail.

 

Hofnar van de ondergang (43)

 
Alain’s handen streelden omhoog over haar jeugdige huid. Zijn vingers over al haar vrouwelijkheid, die ze dwars door haar lingerie heen straalde. Ergens in zijn achterhoofd wist hij dat hij dit allemaal maar huurde, dat ze zich uitleende, en dan nog haar lichaam, dat er niets echts aan was, maar hij genoot van háár, en met een wrange grijns genoot hij van wat zijn geld hem nu, hier en nu, opleverde. Haar heerlijke borsten onder de dunne stof, haar krullende haar, hoe ze haar lijf tegen het zijne aandrukte. Hij drukte zijn neus in haar hals en rook. Ze rook naar vanille. Hij voelde zich allerminst vanille. Hij wou haar, hier en nu, nemen, bezitten, overwinnen. Ferm pinde hij haar armen boven haar hoofd neer en ze kreunde hem toe. Of het gespeeld was of echte opwinding, maakte hem niet meer uit. Al zijn verstand kroop in zijn kruis en met zijn vrije hand werkte hij zijn broek open.

De satijnen hotellakens schoven en krulden om hem heen terwijl hij zich in haar verloor. Hij drong diep en agressief bij haar binnen en genoot. Zijn twijfels en de vieze bijsmaak die in zijn mond geheerst had de afgelopen dagen waren verdwenen. Hij proefde nu enkel vanille. En terwijl zij onder hem kronkelde, stootte hij vastberadener en vastberadener zijn laatste twijfels weg. Het deed hem geen donder meer of hij er goed aan gedaan had of niet. Er was dit. Lust. Leven. Geld. Bezit. Hij bezat haar. Al was het maar even, nu was zij van hem.

Terwijl het bed met hen mee bewoog, schoof langzaamaan haar slipje van het satijn af en viel op de hotelvloer. De hijgende gestalte bovenop haar kreeg waar voor zijn geld, besloot ze, maar voor het eerst sinds ze dit vak was gaan uitoefenen, voelde ze zich beroerd. Ze wou dit niet. Niet meer. Het voelde fout. Ze dacht aan de man die ze deze ochtend aan haar keukentafel had achtergelaten. En terwijl deze andere man haar ruw binnendrong, onderdrukte ze de neiging hem van zich af te werpen en de hotelkamer te verlaten. Ze was niet Nathalie, zei ze tegen zichzelf. Nu was ze Kimberly. En mannen die Kimberly betaalden, zouden er nooit spijt van krijgen.

Alain begon te kreunen en zijn vingers grepen naar het satijn. Hij verloor zichzelf in het ritme en de vanille. Het zou niet lang meer duren. En terwijl hij in het oergevoel zich Kimberly helemaal toeëigende, daar en toen, hier en nu, besloot Nathalie dat het tijd werd om Kimberly met vervroegd pensioen te sturen.

 

Hofnar van de ondergang (42)

 
De oude vrouw proefde voorzichtig van de soep. Nog niet warm genoeg. De hond keek haar aan vanuit zijn mand. Kwispelend. “Ja, Woef weet dat hij ook wat lekkers krijgt, hè ?” kirde ze naar de hond. Die harder kwispelde. Ze roerde verder in de soep en betrapte zich erop dat ze glimlachte. Even trok ze van de weerslag een frons in haar voorhoofd. Natuurlijk was het een mooie dag aan het worden, en was het gezelschap van de hond van haar zoon fijn. Maar hoe zou hij het zelf stellen ? Toch kreeg ze het opgewekte gevoel niet uitgebannen. Haar zoon was oud en wijs genoeg. Hij redde zich al jaren prima. En hij had haar verzekerd dat het allemaal maar een soort grap was, immers.

Zalig zijn de zotten, dacht ze bij zichzelf. En ze gooide een stukje gehakt naar de hond, die het behendig uit de lucht hapte.

Aarzelend stapten de schoenen over de stoep. Alsof de keurig rechtliggende tegels een doolhof van afgronden vormden. Ze stapten vertragend het tuinpad op naar de voordeur. Een rillende vinger werd in een vervreemde beleving naar de deurbel geheven en in een andere werkelijkheid klonk ver weg een rinkelgeluid. De deur opende. En de oude vrouw trok wit weg bij het zien van haar zoon. Met een onmiddellijk bezorgde gezichtsuitdrukking trok ze Diederik haar huis binnen en sloot, een schichtige blik de straat af werpend, de deur achter hen beiden.

Woef lag kwispelend aan zijn voeten en zijn moeder zette een bord dampende soep voor zijn neus. De geur bracht Diederik langzaam terug bij de werkelijkheid en plots besefte hij waar hij heen was gegaan. Verbaasd keek hij zijn moeder aan. En barstte opnieuw in snikken uit, zoals hij aan Nathalie’s tafel had zitten janken. Zijn hoofd zeeg ineen op zijn armen en de soepkom schudde op tafel met zijn schokkende schouders mee. Woef piepte en hij voelde de armen van zijn moeder om hem heen geslagen worden. De warmte, de geborgenheid, de warme deken van thuis zijn, thuis, terwijl alles zo’n reddeloze puinhoop was geworden, het duizelde Diederik en hij huilde en huilde. Alsof de hele wereld hem haar tranen leende. Tot de tranen op waren en hij zijn pijnlijk prikkende ogen heropende.

“Jongen toch,” sprak zijn moeder medelijdend. “Wat heb je je toch allemaal op je hals gehaald ?”

Hij kon enkel knikken. En slikte. Er kwamen geen woorden, hij kon het zelf eigenlijk niet meer bevatten, wat er van zijn leven geworden was.

“En wat heb je in vredesnaam met je haar gedaan, idioot. Dit ziet er niet uit. Zonde van je mooie lokken,” sprak ze afkeurend. Diederik keek haar aan en tegelijkertijd schoten moeder en zoon in de lach. De hond blafte en kwispelde.

Diederik nam een lepel soep. En alle vermoeidheid viel van hem af.

 

Hofnar van de ondergang (41)

Diederik opende een keukenkastje. Borden. En etenswaren. Verrassend ordelijk opgesteld. Hij staarde er even naar. Bedacht zich wat een vrije ziel Nathalie gebleken had te zijn, terwijl haar kast oogt zoals zijn koelkast ooit oogde. Alles netjes bij elkaar, makkelijk terug te vinden, in één oogopslag te inventariseren op aankomende tekorten zodat bij het boodschappen doen er effectief rekening mee gehouden kan worden. Hij staarde, dit overpeinzend, naar een blik soep tot hij besefte dat er een briefje aan geplakt hing.

Diederik twijfelde. Zou hij dit briefje mogen lezen ? Hij was hier tenslotte op andermans privé-terrein. Niet dat hij zelf nog echt privé-terrein had om van te spreken, maar toch aarzelde hij. De nieuwsgierigheid won het van de opvoeding en hij keerde het briefje om.

Art imitates life. We zijn allemaal blikjes Campbell’s.

Diederik staarde naar het briefje en wist nu nog niet of het voor hem bestemd was of niet. Hij krabde op zijn achterhoofd. Dit was, zonder enige twijfel, een bijzondere vrouw. Geen vrouw waar zijn moeder hem ooit op voorbereid had, zoveel was zeker.

Zijn moeder! Hij bedacht zich dat hij haar zou moeten bellen. Ze zou zich ongetwijfeld enorme zorgen maken. En hij wou ook weten hoe Woef het stelde. Zijn arme hond, het beest kon er ook niets aan doen dat het baasje opeens in een kolkstroom van waanzin beland was. Met weemoed dacht Diederik terug aan zijn ordentelijke leventje. Zijn rustige appartement. Wandelen met de hond. Af en toe een biertje met Stan en lekker sport kijken op TV. Hij was in een drastisch ander leven beland. Zou hij er nog ooit in terug passen ? Zou hij terug kunnen naar de magnetronmaaltijden op schoot en de regelmatige dagindeling ? Zou hij terug kunnen naar zijn baan ?

Zijn gezicht krampte onvrijwillig. Nee. Zijn baan was geen optie meer. Hij zag zichzelf daar niet meer zitten, tussen de minuten tellende digitale galeislaven van een nietsbetekenend schip met een regenboogmannetje in de vlag. Hij kon het zich niet meer voorstellen. En met die gedachte vielen de nostalgische beelden van zijn ouden leven in scherven uiteen. Het één kon niet zonder het ander. Een zwaar gevoel van vermoeidheid en droevigheid overviel hem, en voor hij het goed en wel wist biggelde de eerste traan. En zat hij daar, aan de ontbijttafel, in andermans appartement, te snikken boven zijn koffie.

Zacht kuste Stan haar wakker. “Goedemorgen lieverd,” sprak hij gedempt.
Haar ogen gaven woordeloos antwoord op de overbodige vraag hoe ze geslapen had. Stan vroeg het tegen beter weten in toch. Het antwoord was zoals verwacht. “Geen oog dichtgedaan van de pijn,” bracht ze moeizaam uit. Stan knikte. Kuste haar voorhoofd. “Binnenkort komt het goed. Beloofd. Hou nog even vol, ik ga zorgen dat de pijn weggaat.”

Zwijgend opende hij in de andere kamer zijn laptop en checkte zijn mail. Ondanks de meervoudige meldingen op de website dat de veiling inmiddels gesloten was, bleven de zelfmoordfantasieën met duizenden tegelijk binnenstromen. Wrang bedacht Stan dat dit toch wel een gat in de markt was gebleken. Al die mensen die dood wilden. Of er in ieder geval actief over nadachten. Misschien wel dagelijks. Misschien lagen ze in hun bed, ’s ochtends, en drukten ze meermaals de wekker op snooze, om zich dan starend naar het plafond hun fantasiedood voor de geest te halen. En dat terwijl zij elke dag moest vechten om…

Stan schudde de bittere gedachte van zich af. Daar konden al die zelfmoordfantasten ook niets aan doen. Alleen hij kon er iets aan doen. Met de hulp van die stumperds. Hij krabde aan zijn kin. Opende nogmaals de door Alain doorgestuurde e-mail van het topbod. Het bedrag was overweldigend. Op het zieke af. Hiermee waren in één klap zijn problemen opgelost. Haar problemen. Hij zuchtte en dronk van zijn koffie. Daarna stond hij op van zijn stoel en trok een overhemd aan. Tijd om weer dapper de onwerkelijke werkelijkheid in te stappen.

 
« Older posts

© 2020 KutBinnenlanders.nl

Theme by Anders NorenUp ↑