KutBinnenlanders.nl

Tag: Cultuurkiller (Page 1 of 5)

Cultuurkiller (epiloog)

Thijsbrandt Noordholten keek behoedzaam om zich heen, maar niemand sloeg enige acht op hem. Zijn agentenkorps was allang blij dat ze van die rare inspecteur van boven de rivieren af waren. Nog blijer dan dat blijkbaar de seriemoordenaar-zaak opgelost was. En de rest van het stadje had hem amper leren kennen. Kalm sloeg hij een steegje in.

Bettina deGraete knikte hem een korte groet toe. Hij gaf haar de koffer. Met een snelle blik inspecteerde ze de inhoud en sloot hem weer. “Zo. Dat was het, in deze stad. Voor ons allebei. De kans zal wel niet groot zijn dat we weer met elkaar samenwerken ?” Noordholten schudde het hoofd. “Alles is anders tegenwoordig, hè. De Cultuurkillers zijn voorbij. Jammer. Cees was een van de besten die ik ooit heb mogen opleiden.”

Bettina knikte hem nogmaals een groet, Thijsbrandt knikte terug. Hun hielen klakten op de kasseien en beiden liepen in een andere richting de steeg uit.

Vanaf de bovenkant van de muur keek een jonge kater hen achterna.

FIN.

 

Cultuurkiller (46)

Handen grepen onder zijn armen. Bettina hees Cees omhoog en zette hem in de stoel. “Onze grote reportervriend hier was zo ongeveer achter je geheim, trouwens. Ik doe je dus een plezier door hem meteen ook te liquideren. Deze is extra, zeg maar. Alle andere moorden waren expliciete opdrachten van bovenaf, inclusief de boodschappen die erbij hoorden. Ik stelde geen vragen, het grotere plan erachter werd me eigenlijk bij jouw naam pas duidelijk. Wel ont-zettend irritant, dat chinees de hele tijd. Ik heb een boek moeten lenen uit de bi-“

Cees mompelde zacht: “J-je h-h-hon-n-d ?”

Bettina keek hem verrast in de ogen. “Zozo, je herstelt vlot. Ik heb je misschien toch nog een te lage dosis gegeven. Maar je zult toch nog niet meteen je motorische functies terugkrijgen, dus wat maakt het uit. Heb ik nog een beetje aanspraak.” Neuriënd liep ze de badkamer binnen.

“Die – uhhnf – hond was, net als mijn man, maar een camouflage.” Cees zag uit zijn ooghoeken dat Bettina de bloedende Albert vrij ruw van de douchevloer tilde. Die kermde hard en bevestigde zo voor Cees dat hij nog niet dood was. Er was misschien nog een kans ! Als hij nu maar…. Voorzichtig probeerde hij zijn vingers te bewegen. Enkel zijn pink bewoog. Minimaal zelfs maar. Maar het was alvast iets. Hij probeerde zich te concentreren.

“Vrese- oef – lijk beest.” Bettina liet Albert los op het tapijt, waar hij met een doffe klap op neerplofte. “Constant dierenartskosten aan, met die poten van d’r. Maar wel een mooi alibi om heel de stad door te kunnen komen zonder dat iemand het verdacht vond dat ik ergens in de buurt was.”

Ze liep nog eens de badkamer in en kwam terug naar buiten met een plastic zak en haar pistool. De zak legde ze naast Albert neer. Het was een transparante zak. Vol met bamboepennen.

“Mijn man was iets moeilijker te lozen dan die hond. Dat zou wat té verdacht zijn geweest. Gelukkig dat hij een hobbyvisser is. Het zal even duren voor ze hem terugvinden.”

Ze draaide langzaam de geluidsdemper van haar pistool af. Cees voelde meer en meer gevoel in zijn vingers terugkomen. Zweetdruppeltjes van de spanning en inspanning parelden op zijn voorhoofd. Nog éven… nog éven…
Resoluut stond Bettina op en liep naar Cees. Ze greep zijn hand en plantte er het geweer in. Met haar gehandschoende handen sloot ze Cees’ vingers om het handvat en keerde zich om. Ze tilde Cees’ arm op en richtte haar geweer op Albert.
Albert keek wanhopig naar het geweer dat op hem gericht was. Hij had zijn handen aldoor op de pistoolwonde gehouden maar nu strekte hij één bebloede hand richting Cees en Bettina. Met pijnscheuten die door het bot gingen probeerde hij te zeggen, “alsjeblieft…”

In het nachtduister klonk een schot. Bijna direct erna klonk nog een slot. Enkele minuten later maakten haastige damesschoenen zich schaars. Bijna een kwartier lang daalde er rust op de balustrade neer. Het zou, met sirenes, zwaailichten en hordes politieschoenen, de laatste rust in het appartementencomplex zijn die die nacht.

 

Cultuurkiller (45)

Nogmaals vormden Bettina’s handen een vierhoek. Ze overzag de scène met een ontevreden blik. “Het is ergens jammer, dat de cultuurkiller uitsterft. Decennia lang hebben jullie prachtwerk geleverd. In de jaren van ‘vrije cultuur’ hebben de killers de stem van het volk in bedwang gehouden. Met finesse, onopvallend. Sommigen, zoals jij, door de geloofwaardigheid van culturele instituten om zeep te helpen. Anderen met de dictatuur van de gezelligheid – ‘kunst is leuk, maar het moet wel gezellig blijven’, dat idee. Vakmanschap, maar helaas van een andere tijd. Je bent niet meer nodig, Cees. Je bent een fossiel.” Met een kreun hees ze haar zware lichaam uit de stoel. Het zitvlak bolde langzaam weer terug omhoog.

Cees merkte dat hij lichtjes met zijn hoofd kon bewegen. Draaien kon hij het nog niet, maar zijn blik kon nu beter de bewegingen van Bettina in de ruimte volgen. Ze bleef haar monoloog voortzetten. Het viel hem plotsklaps op dat ze volledig accentloos Nederlands sprak. Hij verwonderde zich dat het hem nu pas opviel.

“Moslimterroristen die schrijvers en tekenaars in hun broek doen schijten van angst. Politici die de geldkranen van de cultuur dichtdraaien. Media en opiniemakers die de geloofwaardigheid van het kunstenaarschap ondermijnen. Het volk ziet de kunstenaars nu als uitvretende paria’s, die enkel volledig onbegrijpelijke dingen maken voor bakken vol geld. Die met varkensbloed de muren bekladden. Die lompe en lelijke abstracte hompen metaal, of kabouters met een dildo in de publieke ruimte neerkwakken en vrolijk fluitend met gevulde zakken weglopen.” Ze keek in zijn drankkast en haalde er met een vies gezicht de cognac uit. Rook even onder de dop. Liet de fles toen scheef op de rand van de tafel in scherven vallen, de cognac over zijn boeken spetterend. Cees voelde woede, ijskoude woede. Dat vismens dat hier systematisch zijn kostbaarheden aan gort aan het helpen was. Hij moest iets doen – maar wat ?

“Toch bijzonder hoe dat zo volledig om kan slaan, nietwaar ? Naar mijn mening hebben we te maken met een nieuw tijdperk. Was het voorheen nog het tijdperk van de Cultuurkiller, nu noem ik ’t het tijdperk van Barabbas.” Bettina grinnikte wat in zichzelf. “Niet de professor, natuurlijk. De bijbelse Barabbas.” Met haar knie duwde ze de tafelstoel om en ze leunde er wat op. Het hout kraakte vervaarlijk. Ze keek tevreden naar het zichtbaar verzwakte hout en liep nog wat meer in de woning rond.

“Serieus, het is soms net het verhaal van Barabbas. Het volk wordt zo opgehitst en misleid dat het bepaalde afwijkende ideeën, of boodschappen die hen niet aanstaan, erger vindt dan moorden. Zoals men Jezus om zijn boodschap liever gekruisigd zag dan de moordenaar Barabbas. In tijden waar de kunstenaar –“ met een diepe kreun verschoof ze Cees’ bureau, waarbij zijn pennen op de grond kletterden, “- bijna automatisch al verdacht wordt gevonden, is de noodzaak Cultuurkillers het veld in te sturen weggevallen.”

Cees bewoog voorzichtig zijn hoofd wat verder. Het ging. Hij kon een beetje met zijn hoofd draaien. Evenwel kon hij nog altijd geen vinger bewegen. Hij keek in de richting van de badkamer en zag daar Albert op zijn douchevloer liggen, in een plas bloed. Cees kneep zijn ogen samen. Verbeeldde hij het zich nu, of ademde Albert zowaar nog ? Zijn hart klopte in zijn keel.

 

Cultuurkiller (44)

Wijn, wijn, kolkend, draaiend, een grijpende hand uit het duister, gegil, de vogels gillen, ze gillen en gillen en plots is daar de klauw en zijn ze stil, veertjes die kalmpjes naar de grond dwarrelen, en alles kolkt en is duister en hij ziet haar, hij ruikt haar, het was haar toch, was ze het of was ze het niet, was het voor niets, kan hij nog terug, instortende grond onder zijn voeten en hij rent, hij rent, panisch en paniekerig, wild zwaaiend met zijn armen in de loze lucht terwijl de wijn maar kolkt en kolkt en een metaalkurkige smaak in zijn mond geeft, dan omsingelt hem een sterrenbrij en de sterren worden donker en nemen hem helemaal over maar dan verdunnen ze plots en langzaam, langzaam, komt de werkelijkheid er weer onder tevoorschijn.

Cees opende zijn ogen. Met moeite en pijn. Hij kon verder niet bewegen, maar zijn ogen konden open. Voorzichtig probeerde hij zijn mond. Een zacht kermend geluid ontsnapte aan zijn lippen. Hij lag op zijn tapijt. Vlak naast zijn oog lag een klein snippertje papier, van de inbraakravage nog, en eventjes schaamde hij zich dat hij het tapijt toch niet helemaal volledig schoon had gekregen.

Bettina’s voeten liepen om hem heen. Ze drukten hun kalme stappen diep in het tapijt. “Ah, ben je wakker, Cees ? Mooi zo. Ik was even bang dat ik je teveel ingespoten had.” Cees kermde nog een onbeholpen kreuntje. Bettina deed een paar stappen achteruit en hield haar handen in een geprojecteerde vierhoek, alsof ze een film regisseerde. “Momentje hoor. Ik ben aan het zien hoe ik de boel hier achterlaat zodanig dat alle schuld naar jou wijst.”

Ze stapte op Cees af en boog zich in zijn gezicht. Met een stevige kokotte –walm in haar adem sprak ze: “Daarom leef je nog.”

Cees piepte een zielig piepje en Bettina liep weg. “De cultuurkillers. Een uitstervend ras. Misschien vind je het wel leuk om te weten dat je een van de laatsten bent.” Er klonk een rommelend geluid en wat spullen vielen op de grond. “Sorry voor de rotzooi, maar het plaatje moet perfect zijn, hè. Jij bent goed in je vak. Ik ook. Ik heb je perfectionisme altijd wel kunnen waarderen, onder ons gezegd. Van collega tot collega.” Cees spitste zijn oren om de geluiden thuis te kunnen brengen. De gevallen spullen klonken als prullen van zijn vensterbank. Plots klonk er een hard krakende bons en het geluid van boeken die op de grond vallen. Gevolgd door de kalme voetstappen. “Eens zien. Hier ben je, worstelend met de indringer, tegen de kast gebonst. Daar –“ een kletterend geluid van een theekopje op de tegels van de keuken, “- tegen de tafel. Sorry van je spullen, maar de indruk van een gevecht is noodzakelijk voor het plaatje dat de politie straks aantreft.”

Bettina ging hijgend op zijn stoel zitten en keek Cees aan. “Ik ben het niet meer gewend, dit zwaardere werk. Het meerendeel van mijn opdrachten hield in dat ik met roddel en achterklap ideeën in de hoofden van deze stad praatte. Het was eigenlijk pas bij deze opdracht dat ik me besefte dat jij al die tijd de andere cultuurkiller was. En ik mag zeggen, je hebt echt bijzonder goed werk geleverd. Ik had niks door, Cees. Mijn complimenten.”

 

Cultuurkiller (43)

Hij had haar diep in haar angstige ogen gekeken.
Hij stapte monter op de stoeptegels.
Hij had haar angstzweet geroken.
Stap, stap, stap, stap.
Hij had haar goed de waarheid gezegd. Dat de dood van haar vader diens eigen rotschuld was. De lafaard. Een beetje échte schrijver, échte kunstenaar, échte opinielijder, drukt zijn mening door of mensen luisteren of niet. Die laat zich niet ontmoedigen door de technieken van een Cultuurkiller. Die hervat zichzelf en gaat er opnieuw tegenaan.
Zijn hielen klakten zachtjes op het steen.
Haar vader, zo had hij gesproken terwijl het mes bijna hypnotische lijnen over haar lijf had getrokken, was een slappe dweil geweest. Uit het leven stappen omdat je publiek even wat minder luistert, het was een karakterloze zwakkeling gebleken.
Klak, klak, klak, klak.
En jij, Biancaatje, had Cees gesproken. Jij bent geen haar beter. Toegegeven, je had me even op de kast met alle geheimzinnigheid en die reeks plotse moorden rondom mij. Maar ook jij bent maar slappe hap. Geen waardige tegenstander. Want ik ben Cees.
De veters van zijn schoenen zwiepten bij iedere stap een vrolijk cirkeltje.
Het mes had zich plots, snel en met opvallend gemak haar borst in geboord. Hij sloeg er geen acht op en bleef haar ijskoud in de ogen aankijken terwijl het licht in de hare doofde.
Stap, klak, zwiep. Stap, klak, zwiep.
De Cultuurkiller.
Met soepele huppen bezwoer hij de trap.

Albert spitste gespannen zijn oren. De gedaante was moeilijk zichtbaar, was tussen de silhouetten van de kasten bijna niet te zien. Hij hoorde een zacht slijpend metalig geluid. Het piepte stilletjes. Even klopte zijn hart in zijn keel. Hij had geen idee wat de indringer aan het doen was, maar ineens schoot hem door het hoofd dat deze hem misschien toch gezien had, op een of andere manier. Zijn vuist klemde zich nog wat steviger om de kleine plastic zaklamp. Naar de deur glippen leek hem geen optie meer, de duistere schim was niet langer aan het rondstommelen in de kamer. Iedere kleine beweging die hij nu zou maken, ieder zacht geluid, zou hem verraden. Hij ademde zo stil mogelijk, angstig en oppervlakkig. Hij vroeg zich af wie van zijn collega’s over hem zou schrijven mocht hij hier nu sterven.

Neuriënd liep Cees over zijn balustrade. Wat een prachtige nacht was het aan het worden. Een frisse, koele nachtlucht streelde zijn wangen. Hij passeerde het huis van zijn voormalige buurman. Politielinten en gebarricadeerd raam. Grinnikend vroeg hij zich af of de schoenlepels van Karsten als bewijs waren opgeslagen. Stel je voor, duizenden van die dwaze schoenlepels, ergens in een bewijsmateriaalkast. Ieder van die glimmende hielenlichters had minstens één gedicht geïnspireerd.

Schuldgevoel over de moord op Karsten had hij niet meer. De wereld was verlost van die vreselijke schoenlepelpoëzie. En de moord op Bianca was veel makkelijker gegaan dan dat geklungel bij Karsten. Misschien kon hij nu wel ergens aan de bak als ‘echte’ killer. Ervaring had hij alvast. Zou hij een CV moeten opstellen ? Naar wie stuur je zoiets ? Cees grijnste breed om zijn dwaze breinspinsels. Er zat een opgeluchtte vering in zijn voetstappen.

In gedachten liep hij nog even de zojuist verlaten moordlocatie over. Hij was zorgvuldig geweest, nog zorgvuldiger dan bij Karsten. Ja, hij had beslist talent. Geen chinese tekens dit keer. Hij had het lijk van Bianca gepositioneerd in een hara kiri houding. De bamboe opvallend opgesteld naast haar. Daar enkele pennen uitgesneden, en in het appartement geplaatst. Het zou er alles van weg hebben dat de jonge agente de seriemoordenaar was, die zich misschien opgejaagd voelde of wroeging had gekregen, en zelf haar leven had beëindigd. Al zijn vingerafdrukken en ander bewijs dat Cees er ooit geweest was, had hij nauwlettend verwijderd. Hij kon zich niet voorstellen dat men hem aan de dode Bianca kon linken. Nee, zijn sporen waren gewist. Oprecht vrolijk stak hij de sleutel in zijn voordeurslot en liep zijn appartement binnen.

Hij klikte het licht aan en wierp zijn sleutels op zijn bureau. Bijna meteen zag hij Albert daar gehurkt zitten, met iets in zijn hand. Hij deinsde achteruit. Albert schrok, wou iets roepen naar hem. Wat deed De Muskiet in vredesnaam onder zijn bureau, in zijn huis ? “Cees, kijk uit – achter je !” riep Albert. Een vreemd geluid klonk achter hem en Albert krampte pijnlijk ineen.

Cees draaide zich verdwaasd om en zag een rokende geluiddemper. Een revolver. Een handschoen. Een kruidige geur, gemend met de zoete geur van kokotte kroop zijn neusgaten in. Hij keek in de ogen van Bettina deGraete en wou iets zeggen. Maar een scherpe prik in zijn nek deed hem bijna onmiddellijk willoos en woordeloos ineen zijgen.

 

Cultuurkiller (42)

Haar huid weerspiegelde in het lemmet terwijl het mes zacht, bijna teder, een lugubere lijn over haar hals volgde. Haar ogen zwaaiden heen en terug tussen het mes en Cees, mes en Cees. Bianca zag langzaamaan spierwit en het klamme paniekzweet was uit iedere porie gesprongen. Als ze had kunnen spreken, had ze kunnen proberen Cees op andere gedachten te brengen. Maar ze was nog steeds de mond gesnoerd met haar panty. De inmiddels ingezonken wetenschap dat deze schoon uit de lade moest zijn gekomen, bracht weinig soelaas. Cees, waarom wou Cees niet naar haar luisteren ?

Wanhopig trok ze nog enkele handboeivormige striemen in haar polsen. Ineens berouwde ze hevig dat ze in dit appartementencomplex was komen wonen. Dat alle bewoners nogal op zichzelf waren, had ze uiterst prettig gevonden. Tot nu.

Cees liep haar balkon op, kwam terug met een zware plantenbak. “Kijk eens wat ik hier vind, Biancaatje.” Triomfantelijk zette hij de bak voor het bed neer. “Bamboe ! Wat toevallig hè. Bamboe. Ja. Dat zie je niet veel, dat mensen dat verbouwen op het balkon van een flatje. Bamboe. Dat valt op, van buitenaf. Iets minder als je katerig uit bed kruipt na een wilde nacht semi anonieme seks. Maar des te meer als je bij jezelf te raden gaat wie o wie toch die geheimzinnige moordenaar in de stad kan zijn. Die zonodig bij iedere moord een stuk bamboe achter moet laten. Dan wordt het opeens wel heel toevallig, dat er op zo’n balkonnetje bamboe staat. Vind je ook niet, Biancaatje ?”

Machteloos hoorde ze het retorische geraas aan. Ze kon niets zeggen. Ze kon niets doen. Ze kon enkel hopen op een volledig onverwachte redding van buitenaf. Maar slechts weinigen kwamen ooit bij haar op bezoek. En haar rechtstreekse buren waren momenteel aan hun televisies gekluisterd. De muren waren allesbehalve gehorig. Ook zoiets dat ze aanvankelijk fijn vond, en nu wanhopig betreurde.

Albert keek toe hoe de gedaante in het appartement rondliep. Verdacht. Er was geen licht aangedaan – gelukkig maar, want dan zou hij bijna meteen zichtbaar zijn geweest. En de gedaante liep onhandig rond, alsof ze de ruimte niet gewend was. Dit was Cees helemaal niet. Zijn volledige instinct schreeuwde dat hij nu stil maar snel moest vluchten. De deur was vlakbij, de gedaante was dieper de ruimte in aan het schuifelen. Maar ineens rook hij het. Hij zette grote ogen op. Het kon toch niet… hij bekeek de gedaante in het donker, zo goed en kwaad hij kon vanuit zijn schuilplaats, en meende dat deze toch echt bekend voorkwam. Hij zou haast durven zweren dat… Kalm, Albert. Je bent een journalist. Je moet feiten hebben.

Hij ademde voor de zekerheid nog iets stiller en rustiger en bleef zitten waar hij zat. Zo dicht bij de kern van de zaak had hij van het begin af aan niet gezeten, dat wist hij zeker. En zolang het licht niet aanging, zat hij hier veilig.

 

Cultuurkiller (41)

Albert scheen zijn zaklamp in het rond. Boeken, overal boeken. Hij wierp een snelle blik langs de ruggen, maar zag vooral wereldgeschiedenis, filosofie, kunst, zeg maar het slag boeken dat minder snel van een boekenmarkt meegenomen wordt dan een beetje strandleesthriller. In de rondte schijnend zag hij zelfs zo snel helemaal geen enkele guilty pleasure. Geen novelle, geen science fiction, geen strip, zelfs niets dat wees op jeugdnostalgie. Dit was de bibliotheek van een hoogopgeleid man of van iemand die zo over wou komen. En aangezien hij Cees nog nooit zo over had voelen komen, rees het besef dat er nog veel aan deze vreemde dorpsgek te ontdekken was.

Zijn lichtstraal stopte bij een hele middenkast vol boeken over de stad. Over de historie, bundels van bekende lokale schrijvers en dichters, zelfs antieke toneelstukken. De Muskiet scheen van boven naar beneden over de kast en constateerde dat deze toch echt tot de nok gevuld was. Mijn god, dit was misschien wel de compleetste collectie binnenstedelijkse ondergrondliteratuur die er in de stad te vinden was. Terwijl Cees meestal nul belangstelling voor het reilen en zeilen van de stad openbaarde. Maar ook, constateerde hij teleurgesteld terwijl hij op de grond rondscheen, van een onberispelijk propere man. Hij zou gerust een heel etmaal naar de rugkaften kunnen kijken en zo de man achter de aanschaf leren kennen, maar hij zocht voor de hand liggendere aanwijzingen.

Hij draaide zich om en scheen zijn licht op de tafel. Een stapel specifieke boeken. Één lag er open. Nieuwsgierig liep Albert erop af. Zijn ogen werden groot toen hij de chinese tekens zag. En de monsterlijke illustratie van de bekende verraders in de muil van de Duivel. Hij keek naar de keurig opgeschreven vertaling die ernaast lag.  “De cultuur is klaar met je.”

Zijn oog dwaalde opzij af naar een ongewoon zicht. Een keukenmessenset op de tafel. Tussen de boeken. Hij scheen zijn licht erop en zag dat er één mes weg was. Albert voelde eensklaps ieder laatste haartje op zijn lijf rechtop staan. En meteen terwijl hij zo op scherp stond, hoorde hij zachte voetstappen buiten op de balustrade. Moeilijk hoorbaar maar met de hoeveelheid adrenaline die nu plots door zijn aderen gierde, voldoende om hem ineens zijn zaklamp uit te doen draaien en zo stilletjes maar vlug mogelijk onder het bureau in de buurt van de deur te kruipen.

De deur rammelde zachtjes met haar slot. Vervolgens zwaaide ze langzaam en voorzichtig open. Albert’s hart klopte in zijn keel. Zijn handen omklemden zijn zaklamp en hij zat zichzelf in gedachten de huid vol te schelden dat hij niet aan een ander wapen gedacht had. Hij zou het met dit kleine plastic zakding moeten doen. Voor het eerst in zijn carrière als journalist maakte hij zich zorgen om zijn leven. En hoopte vurig dat hij hierna weer gewoon over multicultikantklossen zou mogen schrijven.

 

Cultuurkiller (40)

“Verbazend, dat ik je zo laat pas herkende,” vervolgde Cees. “Biancaatje. Een prachtige, sexueel zeer aantrekkelijke jongedame mengt zich zomaar in mijn leven, dat had al verdacht genoeg moeten zijn. Toevallig is ze ook nog politieagente en natuurlijk telkens ter scène als er een moord gepleegd wordt in deze stad. In haar eigen tijd is ze hier en daar in de culturele kringen te vinden. En,” boog hij voorover in het bed, strak in haar ogen kijkend, “toevallig is ze de kleine dochter van wijlen Jan Vijver. Dat, lieve Bianca, is wat een beetje literator zou omschrijven als toch iets té veel toeval allemaal.” Bianca staarde Cees kalm aan. “Ik heb geen idee wat je bedoelt, Cees. Maak me los en we vergeten deze malligheid.”

Albert kauwde op de dop van een balpen. Verzonken in gedachten zag hij de donkere gedaante niet die hem van achteren naderde. Hij fronste zijn wenkbrauwen, knikte, en stond toen resoluut op. De gedaante schoot schimmig weg achter een kast. Aldert greep zijn jas van de kapstok en liep met vastbesloten tred het kantoorpand uit.

 Op straat passeerde Albert café Deernis. Het was gesloten. De collega’s van barman Rob hadden Rob’s foto voor het raam gehangen, met daaronder de Lee-Enfield van boven de bar. Enkele halfdronken kunstenaars hadden dit eerbetoon volledig over het hoofd gezien en spraken vanaf het terras Albert aan. “De Deernis is dicht, Albert. De hel ? De Deernis is nooit dicht ! Toestanden, niet te filmen dit !” Albert knikte vriendelijk en liep zonder commentaar door. Een van de onverlaten riep hem na: “Het gaat hier allemaal naar de kloten ! Schrijf daar maar eens iets over in die krant !” Albert knikte nogmaals, stilletjes in zichzelf. 

Bianca’s ogen werden plots groot toen ze het mes zag in Cees’ handen. “Cees, ik meen het. Stop met deze grappen en laat me los, dan drinken we een wijntje en lachen we hierom.”
Cees schudde het hoofd. “Je hebt me het leven in alle richtingen zuur gemaakt, me opgejaagd als een wild dier. Dan ga je toch niet verwachten dat wanneer ik je eindelijk heb, ik je doodleuk weer vrijlaat, Biancaatje ?” Hij zwaaide met het mes. “Ik wil het je vooral horen opbiechten. En daar kunnen we heel rustig de tijd voor nemen hoor. Ik hoef nergens meer heen, daar heb jij wel voor gezorgd.” Bianca gaf een harde gil om hulp, maar Cees rende op haar af en propte een panty in haar mond. Op het nachtkastje had hij blijkbaar al tape klaarliggen want voor ze het wist zat haar mond dichtgeplakt. Paniektranen liepen over haar wangen en ze keek Cees ongelovig aan. En in een volledig bizarre bui vroeg ze zich ineens af of ze nu een schone of een vuile panty in haar mond had.

Albert vloekte in zichzelf toen de paperclip klem zat. Hij trok nog eens stevig aan het onding en haalde zijn halve wijsvinger open. Hij vloekte nogmaals. Zoog op zijn vinger. Even telde hij in zichzelf tot tien, en probeerde het toen met zijn linkerhand. De paperclip gaf mee en hij hoorde iets klikken binnenin het slot. Hij greep de klink en de deur zwaaide open.

Even bleef hij op de drempel staan. Toen zette hij zijn voet binnen het domein. Het domein van Cees, de bizarre cultuurparasiet waarvan hij zeker wist dat die op een of andere manier de kern van de hele moordzaak vormde. Hij moest het enkel nog kunnen bewijzen. Zacht sloot hij de voordeur weer achter zich en klikte zijn zaklamp aan.

 

Cultuurkiller (39)

Thijsbrandt staarde uit het raam terwijl hij naar het bureau reed. Opgeschoten jongelui waren aan het wildplassen en een bushalte in scherven aan het trappen. Achterlijke provincialen, dacht Noordholten. Deze smerige zaak kon hem niet snel genoeg afgelopen zijn. Elke stad krijgt de misdaad die ze verdient, meende hij. Met een grimmige ruk aan zijn stuur reed hij de parkeerplaats van het politiebureau op.

“De misdaad kan rustig ademhalen zie ik,” merkte hij droog op naar de rechercheurs die samen naar een filmpje van een hikkende kat zaten te kijken op een beeldscherm. Geschrokken sprongen ze recht. “Een kleine pauze, inspecteur. We zijn hard bezig om –“ Thijsbrandt gebaarde dat hij het niet al te erg vond. Kneuters, dacht hij bij zichzelf.
Hij trok de deur van zijn kantoor dicht en zette zijn eigen beeldscherm aan.

Albert legde zijn verse aantekeningen tussen de rest van de puzzel. Hij staarde naar de uitgespreide stapel krantenknipsels, krabbels, foto’s en papierproppen die zich voor zijn beeldscherm verzameld had, aan. Zijn blik remde bij de neergeschreven betekenissen van de chinese tekens. De poëzie van de spreuken verwonderde hem.

“Wie niet eerlijk zoekt, die zal het vinden.”

“Een echte waakhond bijt.”

“Slecht voorbeeld dient niet gevolgd te worden.”

“De poetslap van de bediende kan zijn serviliteit niet schoonwrijven.”

De vijfde spreuk kwam hem als een scherpe stijlbreuk voor in dit rijtje.
“De tijd vervliegt, daar valt geen lepel tussen te krijgen.”

Weinig moralistisch, zonder maatschappelijke gerichtheid. Albert verzamelde de aantekeningen over de moord op de schoenlepeldichter en schoof ze apart. Instinctief voelde hij dat dit iets anders was. Een copycat, wellicht. Hij wist niet echt wat hij ervan moest denken. Maar Karsten paste niet echt in het rijtje. Zijn blik vestigde zich terug op de overige aantekeningen. En toen schoof zijn blik naar links. Naar de archieffoto van Cees die hij erbij gelegd had. Zijn wenkbrauwen fronsten zich. Er wás hier een specifiek verband. Puur op zijn gevoel afgaand, was hij zeker dat dit allemaal iets met Cees te maken had. Hij schoof zijn aantekeningen over bamboe op hun plaats en leunde achterover. Het plaatje. Hij zag het plaatje niet. Het geheel viel nog niet op zijn plek. Maar hij wist instinctief bijna zeker dat de puzzel vrijwel compleet klopte zo.

 

Cultuurkiller (38)

Neuriënd stak Bianca de sleutel in haar slot. Het was, alles bij elkaar, een mooie dag geweest. Op dat gedoe met de moorden na dan. Twee in één nacht. Zou er nog één… Ze schudde de gedachte van zich af en opende haar deur. Het geluid van de bos sleutels die op het tafeltje naast de deur klingelde was het laatste dat ze hoorde voordat een scherpe pijn haar trof en alles zwart werd.

“En in de westerse wereld ?” vroeg Albert voorzichtig. Werner schudde zijn hoofd. “Als je diepgewortelde culturele betekenis van bamboe zoekt, zit je verkeerd in het Westen. In het Oosten zijn er vele creatie-verhalen en feng shui-bepalingen waarin bamboe een belangrijke rol speelt en in Japan wordt zelfs geloofd dat bamboe het kwaad buiten kan houden. Maar zoals altijd wordt in het Westen enkel naar productie, kosten versus opbrengst, en toepassing gekeken. Vrijwel alles wat er aan cuilturele significantie bij bamboe terug te vinden is, komt volgens mij van het Oosten. Ik kan het natuurlijk mis hebben. Maar,” en hij dronk zijn kopje koffie leeg, “vanwaar al die belangstelling voor mythen rondom bamboe, Albert ? Ik weet dat die krant van jou doorgaans veel suffige verhalen publiceert – de sappigere maar toch integere intriges van jouw hand uitgesloten, uiteraard – maar ik kan me moeilijk voorstellen dat je een spreekbeurt over wat in feite een grassoort is, moet schrijven.”
Albert lachte en klokte ook zijn kopje leeg. “Ik moet gaan, Werner. Maar je hebt me geholpen bij een veel groter ander verhaal. Ik mag nog niets prijsgeven, maar zodra het gepubliceerd wordt, zal het denk ik dit dorpse stadje op zijn fundamenten laten trillen.”
Hij liep haastig de koffiezaak uit. Een paar streng kijkende ogen volgde hem vanaf een onopvallende hoek van de straat. En kalm en stilletjes stapten twee paar voetzolen Albert’s haastige tred achterna.

Een zwarte sterrenregen en een stekende pijn branchten langzaam Bianca terug naar de realiteit. Verdwaasd constateerde ze eerst zichzelf, daarna dat ze in een oncomfortabele houding half voorover gebogen zat, met haar handen achter de rug. Ze staarde naar haar benen onder zich terwijl ze zich probeerde te bedenken wat er in vredesnaam gebeurd was. Een voorzichtige poging om de oncomfortabele houding te verwisselen voor een comfortabele bracht enkele stevige pijnen in haar armen en een bekend klinkend metaalgeluid. Handboeien ! Iemand had haar verdomme op haar eigen bed vastgemaakt met handboeien. Haar vingers voelden even over het metaal. Verdomme, dacht ze. Haar politiehandboeien. Niet de andere set.

Voor zover ze kon keek ze de kamer rond en zag plots dat Cees pal voor het bed stond. Ze schoot in de lag. “Cees ! Wat de hel, lieverd. Ik dacht even dat ik beroofd werd of zo. Kom, maak me los, geen grappen meer nu.”

Cees staarde haar met een ijskoude blik aan. “Inderdaad. Geen grappen meer nu. Ik denk dat het tijd is voor een heel serieus gesprek… mejuffrouw Bianca Vijver.”

 
« Older posts

© 2020 KutBinnenlanders.nl

Theme by Anders NorenUp ↑