KutBinnenlanders.nl

Tag: Cineman (Page 1 of 2)

Cineman (14): Ongrijpbaar onbegrepen.

Film van de dag: Melancholia (2011)

Nog zouter dan bij de Stelligen at ik het bij de Gestelden. Op doorreis terug vanaf de berg van eerstgenoemden kwam ik bij dit bizarre dalvolkje terecht voor overnachting. Hun dorp was omgeven door een strikte omheining van bamboestalken. Aangekomen bij de toegangspoort hoorde ik enkele leden van dit vreemde volkje gniffelen. Ik meldde me met mijn meest statige gezicht bij hen, waarop ze grote, vrolijke ogen opzetten, iets onverstaanbaars uitriepen. Daarna prikte één van hen mij met zijn wijsvinger en beiden zetten het joelend op een lopen. Verbouwereerd bleef ik bij de verlaten poort staan.

Zoals ik op mijn reizen gewend ben, werd ik warm onthaald bij het stamhoofd. Plechtig zat hij op zijn troon. Hij gebaarde naar zijn tafel, waar een stapeltje dunne plankjes op lag. Verwonderd keek ik hem aan. Hij gebaarde nogmaals. Ik begreep het niet. Hij pakte het stapeltje op en spreidde het uit op zijn twee handen. In de veronderstelling dat ik er één mocht pakken, pakte ik een plankje. In de achterkant stond een afbeelding van een bot gekerfd. Hij gebaarde dat ik hem terug moest geven. Verwonderd gaf ik het plankje terug en hij stak het terug in het stapeltje. Hij riep iets onverstaanbaars en een schaarsgeklede vrouw rende giechelend de tent binnen. Ze griste het stapeltje planken en rende weer weg. Ik staarde haar verbaasd achterna.

Het hoofd sprak iets onverstaanbaars en wees naar de deur. Ik wist nog altijd niet goed wat ik ervan moest maken, maar liep zijn regeertent uit. Buiten stond een kring van inheemsen op me te wachten en enthousiast barstte er een fonetisch lied los. Al zingend begonnen ze aan een bizar soort synchrone dans. Ik besloot hun bewegingen te volgen, wat een enthousiast applaus opleverde. Amicaal sloegen ze me op mijn rug, een teken dat men meende dat ik het allemaal begreep.

Een lange, dunne tak werd aan de linkerkant van het gezelschap aangereikt. De persoon die de tak aanpakte, brak deze in tweeën en gaf beide helften aan twee andere mensen door. Die op hun beurt ook de tak braken en aan twee mensen doorgaven. Ik volgde nauwgezet het ritueel, wat bewonderend gemompel opleverde. De laatste mensen die een tak ontvingen, wierpen deze allemaal tegelijk in de lucht, waarna iedereen op hun knieën sprong en als een razende in het zand begon te graaien. Wederom volgde ik het voorbeeld maar zo goed en kwaad ik kon volgen.

Een groep vrouwen drong zich in het gezelschap en plukte zoveel mogelijk van het zand uit de handen van de mannen. Sommigen graaiden daarbij ook naar de schaarse kleding van de mannen, en hun halskettingen en andere ornamenten. Een onverstaanbaar lied gillend renden ze massaal weer weg. Ik begon het hele gedoe nogal vermoeiend te vinden, zoals je dat hebt met een spel waar je van voor tot achter niets van begrijpt.

Ik greep een handvol zand van mijn buurman en rukte een andere buurman zijn ketting af. Ik wierp alles op mijn eigen stapeltje zand. Een vers applaus golfde door de menigte. Mijn poging tegen het spel in te gaan, was blijkbaar ook in lijn der verwachting. Beslist niet onzachte rugkloppingen vielen me ten deel en spontaan boden omstanders me nog meer zand aan. Al snel had ik een bescheiden heuvel aan volstrekt nutteloos zand. En zo stond er ineens een beeldschone vrouw voor mijn zandhoop en knielde voor me neer. Ik gebaarde haastig dat dit allemaal niet hoefde, want ik had al snel door dat deze dame mij toebestemd was en ik reis het liefst lichtbepakt. Gesnoef viel mij ten deel, tot ik wanhopig in de zandheuvel graaide en haar enkele handen zand aanbood. Met lichte teleurstelling maar een dankbare blik pakte ze het zand aan en liep haastig weg. Waarop een volgende dame zich kwam aanbieden. Het was om krankzinnig te worden – ik wou enkel een dak boven mijn hoofd en een veilige overnachtingsplek, maar was in een ingewikkeld paringsspel betrokken geraakt, leek het wel.

Plots kreeg ik een harde stomp van een man schuin achter mij. Hij had een grotere heuvel zand bijeen gegraven dan ik en wees naar de mijne. Vragend keek ik hem in de ogen. Hij werd kwaad en barstte in een venijnig klinkend klaaglied uit. De hele aanwezige menigte volgde het tafereel met hoge belangstelling, maar ik werd almaar nerveuzer. Hier, dacht ik, en ik graaide nog wat volle handen zand en deponeerde die op zijn heuvel. De menigte liet één synchroon, verbaasd geluid klinken en proestte het uit. Ik ging ervan uit dat ik het spel verloren had. Maar ook de man met de grotere heuvel was in breedtandig lachen uitgebarsten en wenkte enkele van zijn buren om hulp. Samen graaiden ze uitgebreid in zijn heuvel en brachten de hele heuvel over op de mijne.

Daar zat ik, met de grootste zandheuvel van het dorp. En timide slopen er vanuit alle windrichtingen horden vrouwen op me af. Ik voelde me ingesloten en snapte geen kloot van het bizarre gezelschapsspel waar men mij in getrokken had. Met één luide kreet stampte ik met mijn voet de heuvel uiteen, en voor de menigte de tijd had om te begrijpen wat er gebeurd was, was ik het dorp uitgesneld.

Ik wil maar zeggen, na al die volslagen onbegrijpelijke spelletjes snakt een mens toch terug naar onze beschaving.

 

Cineman (13): Ontluisterend afgeluisterd.

Film van de dag: Deathtrap (1982)

Uiteraard had ik het jaren terug al voorspeld. Sterker, ik wist het al voordat het internet uitgevonden was. Laten we eerlijk zijn: de intuïtie van Cineman is onfeilbaar. Dat weet een kind. Ik wist het dan ook zelfs al als kind. Nu wil ik niet zo ver gaan dat ik het in de baarmoeder al zag aankomen, maar het was op de nog niet geheel gevormde vingers al uit te rekenen. Daar hoefde ik 1984 niet voor gelezen te hebben. Het verbaast me eerder dat het nog bijna 20 jaar langer heeft geduurd dan Orwell dacht. Maar u en ik weten ook dat dit niet uit de lucht is komen vallen. Dit is al decennia in de maak, aan de gang, aan de hand, de dagelijkse orde. U en ik worden doorlopend in de gaten gehouden en alles wat we doen óf laten wordt profielmatig aan elkaar geknoopt. Vandaar dat ik altijd uiterst voorzichtig opereer op het wereldwijde web. Om niet te zeggen: onzichtbaar. Deze tekst is dan ook telefonisch doorgebeld aan een redacteur, zoals al mijn andere teksten. Via een beveiligde lijn.

Hierdoor zult u ook mijn echte identiteit niet terugvinden via enige social media. Mijn adres en telefoonnummer zijn bij niemand bekend – ook mijn familie en intimi kennen mijn echte identiteit niet. Het mag u dan ook niet verbazen, dat toen ik kennis nam van een online enquête die informeerde of ik problemen had met aftap-praktijken door overheden, ik eerst niet het minste beetje van plan was mijn stem te laten horen. Reageren op zo’n vraag leidt immers maar tot ongewenste aandacht naar mijn persoon.

Maar vervolgens bedacht ik me dat men natuurlijk ook bijhield wie er naar de enquête keken. Alles in dienst van de strijd tegen terrorisme, uiteraard. (Mijn excuses voor de redactie van deze website, die door het woordgebruik in deze tekst onnodige aandacht naar zich zullen toetrekken, maar het zal duidelijk worden waarom het nodig is.)

Het is dan ronduit verdacht als u niet reageert, terwijl u zo’n enquête ziet. Als u niets te verbergen heeft, geeft u immers uw mening over de kwestie. Het liefst natuurlijk een mening die in het voordeel van de aftap-praktijken uitvalt, maar ook het tegenovergestelde komt hen niet slecht uit. Degenen die stilletjes zwijgen, dat zijn de potentiële kwaaddoeners. Onmiddellijk een vlaggetje in de database. Het zweet brak me spontaan uit. Ik stond op het punt om op één van de opties te klikken. Maar daarbij bedacht ik me dat zodra ik klikte, mijn mening uiteraard óók weer vastgelegd lag. Zonder optie deze te wijzigen, mocht dat binnen een veranderend politiek spectrum plots handig zijn. Alles wat u op het internet plaatst, blijft op het internet. Ik vloekte binnensmonds (hardop zou ook onnodige aandacht trekken) en sloeg mijn exemplaar van 1984 open, bladerend naar een zinnige gedachte die me uit dit dillemma kon redden.

Waarop ik bedacht dat dit – weliswaar tweedehands aangeschafte – exemplaar ook een verdacht bezit in mijn huishouden was. In de huidige tijden kun je nooit zeker genoeg zijn of bepaald gedachtengoed binnen uw huiselijke muren gekenmerkt is als een aandachtspuntje. Zweet brak uit bovenop mijn reeds uitgebroken zweetlaag. Ik moest dit boek zo snel mogelijk mijn huis uit hebben. Alleen, hoe deed ik dat ? Waar ik het ook zou deponeren, het zou door camerasurveillance of toevallige voorbijgangers waargenomen kunnen worden. Vernietigen dan maar ? De meest zekere vorm was met vuur, maar satellieten en observatiedrones konden tegenwoordig ook verdachte hittevorming binnenshuis peilen.

Starend naar mijn beeldscherm begon ik pagina voor pagina uit het boek te scheuren en de bladzijden op te eten. Ik hoopte dan maar dat het licht verteerbare kost zou zijn. Ik wil maar zeggen, deze kwesties kunnen zwaar op de maag wegen.

Noot van de redactie: tijdens de telefonische voordracht van deze tekst begon de heer Cineman opvallend te boeren en burpen, waardoor hij richting het einde schier onverstaanbaar werd. De laatste alinea werd zelfs vergezeld door kokhalzende geluiden. Na de laatste zin werd het gesprek vrij abrubt afgebroken.

 

Cineman (12): De Stellige Schreeuw.

Film van de dag: Tucker: The Man and His Dream (1988)
(Dank aan Thomas van der Zwan voor edits)

We waren al maanden onderweg. Ik werd nu toch wel benieuwd. De reis was er een van afzien en ploeteren. Maar ik hield vol. Ik was niet zo ver gekomen en had niet zoveel tegenstrijdige berichten gehoord over dit vreemde volk, om dan vervolgens de expeditie af te blazen zonder één van hen ontmoet te hebben.

Ik was een van de laatsten. Van de grote groep die begon, was de helft halverwege al uitgeput afgehaakt, en toen we eenmaal een eind de berg op waren, viel nog een groot deel van de groep af. Letterlijk, want de berg was van een uiterst broos materiaal gemaakt dat niet opgewassen bleek tegen de grip van een hand met het gewicht van een volwassen mens eraan. Maar we waren inmiddels hoog op de berg, ik, twee andere expeditieleden en onze gids.

Onze gids, ja. Dat was er ook eentje om in te lijsten. Een onooglijk, schriel mannetje. Schijnbaar kwam hij hier al vanaf het begin. Slecht zicht, slechte huid, slechte tanden. En stinken. Maar het mag gezegd, hij kende zijn weg. Zonder enige vrees beklom hij het broze materiaal waar wij schroomrijk en voorzichtig volgden. Er doemde een duister woud boven ons op. De gids wees en stopte met klimmen. Verbaasd keken we we naar zijn vinger, naar de donkere bosrand, en toen terug naar hem. Maar de boodschap was duidelijk: hier zouden we vinden wat we zochten. Dankbaar betaalden we de gids het afgesproken bedrag en klommen voorzichtig voort zonder hem.

Net voor we het woud konden bereiken, greep nog een expeditielid een extra breekbaar stuk dat verpulverde tussen zijn vingers. Met een door merg en been gaande doodskreet stortte hij de diepte in. Mijn hart bonsde in mijn keel. Ineens klonk boven ons ook een luide kreet, gevolgd door een felle lichtflits in het bos. Verbaasd keken we elkaar aan en klommen verder.

Waar het licht het felst was geweest, daar troffen we er dan eindelijk een. Een Stellige. Dat was althans de naam die de atropologen, die de mythen over deze menswezens bestudeerd hadden, deze wezens gegeven hadden. Dit moest er wel een zijn. Zijn huidskleur was als geen enkele mensensoort die ik ooit bestudeerd had. Bruingrauw. Trots en onverstoorbaar keek hij ons aan, volslagen niet onder de indruk van de eerste vreemdelingen die hij wie weet in heel zijn leven gezien had. De Stelligen woonden immers op onbereikbare hoogte en daalden zelf nooit af.

Het was imposant, tegenover een levende legende te staan. “Noeb ?” sprak de Stellige kalm. Mijn metgezel keek mij vertwijfeld aan, schraapte de keel en wees naar zichzelf. “Noeb,” sprak hij. De gelaatsuitdrukking van de Stellige verwrong woedend en zijn ogen flitsten vuur. Zijn reusachtige lippen openden zich en hij liet een enorm luide schreeuw klinken. Voor ik goed en wel wist wat er gebeurd was, werd de omgeving alweer ondergedompeld in fel oplaaiend licht. Toen het weer afzwakte en ik mijn ogen weer opende, zag ik dat mijn metgezel verdwenen was. Enkel zijn bergschoenen stonden er nog.

“Noeb ?” vroeg de Stellige kalm aan mij. Ja dag, dacht ik bij mezelf. Ik wees de Stellige aan en sprak “Noeb !”. Dit amuseerde hem en hij lachte. Hij sloeg een arm om me heen en ik bleek geaccepteerd. “Joormam,” sprak hij op een tevreden toon.

Nu zal ik u niet vervelen met het taaltje dat de Stelligen spreken, die tijd komt nog. ik werk aan een uitgebreid woordenboek van dit vreemde gebrabbel, dat binnenkort de markt zal bestormen. Liever zet ik hier een korte schets uiteen van hoe dit wonderlijke volk leeft, zoals ik in mijn kortstondige tijd bij hen heb kunnen observeren. Het volk beweert dat hun voorouder hier in dit woud beland was, op deze eenzame hoogte, doordat hij in de REM-fase van zijn slaap zijn droom vastgreep. De Droom strubbelde paniekerig tegen, vloog in blinde angst naar deze hoogte, tot ze eindelijk aan de gretige klauw van de Voorouder ontglipte. Sindsdien jaagt het volk op deze Droom, dat nog door het woud spookt. Dit omdat de Stelligen geloven, nee, wéten, dat de Droom hen tot nog grotere hoogten zal leiden.

De Droom probeert zich te verstoppen in het duister tussen de bomen. Hierop hebben de Stelligen een bijzondere vaardigheid ontwikkeld. Ze nemen een wijdbeense, zelfverzekerde houding aan, voor het lekenoog met een arrogante schijn, schreeuwen zo hard ze kunnen, en alles rond hen raakt opgelicht. Of ‘verlicht’, zoals hun woord daarvoor mijns inziens het beste te vertalen valt.

Deze schreeuw heeft nog meer eigenschappen. Zo worden er ook geschillen mee beslecht, waarin de hardst schreeuwende Stellige als winnaar wordt aangewezen. Ook het paringsritueel verloopt met een hoop geschreeuw, waarbij de vrouwelijke Stelligen niet zelden de mannelijke overstemmen. Dit heeft de afgelopen tijd geleid tot een Stelligenmaatschappij waarbij menige discussie door de vrouwen gewonnen werden, die zich steeds dominanter en overheersender gingen opstellen. Wat deze maatschappelijke omslag op de lange termijn voor de Stelligen betekent, kan enkel de tijd uitwijzen.

Het meest bijzondere is nog wel dat de Stelligen hierdoor geen waarheden kennen. Iets wordt met een Stellige Schreeuw tot waarheid bestempeld, of daarna door een andere Stellige Schreeuw weerlegd. Een magisch gegeven, want het blijkt dat als je niet van een ware realiteit uitgaat, de realiteit zich buigt naar jouw Stellige Schreeuw. Zo zag ik de ene na de andere natuurwet gebroken worden door een schreeuw van dit volk – een teken dat zelfs de natuur niet opgewassen is tegen deze bijzondere vaardigheid. Kortom, het verdient nadere studie.

Evenwel zat voor mij de tijd bij dit volk er al gauw weer op. Ik begon het net naar mijn zin te krijgen, maar toen hurkte mijn nieuwe vriend plots neer, draaide een flinke hoop, stond op en begon tegen de dampende creatie te schreeuwen. Zijn uitwerpselen veranderden in één oogopslag in het  kruimelige, rotsachtige materiaal waar heel dit volk op leefde, en waar ik met zoveel moeite tegenop had geklommen. Hierop besloot ik weer af te dalen, om veiligheidsredenen.

Ik wil maar zeggen, wellicht kun je er vruchtbare hoogten mee bereiken, maar het blijft toch een berg stront.

 

Cineman (11): Het getikte heden.

Film van de dag: The Return of Captain Invincible (1983)

Ook ik ben er niet ongevoelig voor. Dus toen het door weer iemand anders tegen me gezegd werd, kwam het aan. Een opvallend hoog aantal mensen in mijn omgeving was van mening dat ik met mijn tijd mee moest gaan. Ik besloot klein te beginnen. Het een uurtje de kans te geven. Kijken of er iets waardevols in dat advies besloten lag. Met één voet stapte ik uit het verleden en plantte hem stevig in het hier en nu. Om structureel de zaken aan te pakken, begon ik met het aanzetten van de radio. Een beetje de muziek van hier en nu luisteren. Kijken wat het zoal was. Al snel merkte ik dat mijn aandacht verslapte. Ik luisterde maar met een scheef oor. Sterker, merkte ik ineens, ik was lichtjes gaan hellen. Licht scheef zittend luisterde ik naar de ethervulling en bromde dat er verdomd weinig ziel in klonk. Het experiment begon niet best. Ik schakelde de radio weer uit.

Ik besloot een blik te werpen op de sportberichten. De transitie naar het heden mag best lichtvoetig stapje voor lichtvoetig stapje genomen worden, immers. Ik las over sporters die gekocht en verkocht werden voor duizelingwekkende bedragen. Ik las over overwinningen die medicinaal bekocht werden. Tussen al het economisch geweld las ik verdomd weinig over menselijke prestaties. De proporties waarin het allemaal afspeelde, wogen me zwaar. Ik merkte dat ik nog wat schever ging zitten.

Goed, sport was het dus niet. Van alles wat ik tot me genomen had, leek het me een vloeiende beweging om naar de economische toestand van ons land door te gaan. Zo vernam ik hoeveel mensen onder bestaansniveau moesten leven. Hoe precair de laatste nog staande pensioenfondsen erbij stonden. Hoe dun gespreid de uitkeringspot uitgesmeerd moest worden onder stijgende werkeloosheidcijfers. En hoe roder de wankelheid van de economische realiteit tot me doordrong, hoe zwarter het voor mijn ogen werd. Tot ik plots merkte dat ik plat op mijn zij was gevallen.

Tot zover schrok ik danig van dat hele heden. Een vieze smaak bekroop mijn papillen. Maar ik had natuurlijk maar oppervlakkig de boel verkend. Ik wierp een hoopvolle blik op de hedendaagse literatuur. Daar moest toch wel wat verheffends tussen verblijven. Maar ook dat had ik snel gezien. Vijftig keer niks werd er nog gepubliceerd. Ik werd er horendol van. En mijn lijf begon op vreemde wijze te verstijven. Leunend op mijn hoofd, begonnen mijn voeten omhoog te zweven.

Wanhopig keerde ik me tot de moderne sociale media. Misschien was de saamhorigheid van mijn medevolk daar terug te vinden. Maar wat ik trof was ramptoerisme en puberale grapjes. En wanstaltig veel spelfouten. Mijn benen verkrampten verder omhoog. Maar halsstarrig hield ik mijn nek recht.

Heilig overtuigd van de genezende kracht van eeuwige spirituele waarden bekeek ik eens hoe het geloof er voor stond. Ik verwachtte dat de verschillende wereldgeloven toch hard aan het werk waren de mensen samen te brengen. Daar waren religies immers voor, om maatschappijen te binden en normen en waarden te bewaken. Maar de realiteit bleek ook daar een ruw ontwaken. Onder het vaandel van medemenslievende godsaanbidding werden mensen omgebracht, werd de onschuld van kinderen op alle mogelijke manieren aangetast en bijna geen enkele regel uit de universele rechten van de mens gerespecteerd. Zelfs de vrije meningsuiting werd gemuilkorfd. De wereld op zijn kop, leek me. En tot mijn verbazing was ik inmiddels zelf ook ondersteboven gedraaid.

Op mijn handen lopend verliet ik het huis. Het heden speelde zich immers buiten af ! Ik verwachtte daar veel meer van de mensen. Maar vooral schreeuwde iedereen tegen me, daar. Het woog me zo zwaar dat ik steeds meer begon te kantelen. Scheef bungelend wogen het oordeel van de medemens dat ik me vooral normaal moest gedragen, de strenge blikken van de handhavende macht, het simplistische en luidruchtige reclamegeweld dat me tot commercie poogde te dwingen, en de bijna machinaal efficiënte inrichting van de publieke ruimte, me verder en verder plat.

Uitgeput van de afgelopen drie kwartier legde ik me in een parkje te rusten. Daar werd ik ondergeplast door een hond. De eigenaar stond er laconiek bij.

Terug naar huis, naar mijn veilige eigen wereldje, begon ik langzaamaan weer rechtop te lopen. Tegen dat ik de deur sloot, leunde ik nog maar licht scheef. Het heden wordt veel te hard doorgetikt, schoot me door mijn kop.

Tenslotte, met het lood in de schoenen, verdiepte ik me in het wereldnieuws. Ik las waarom er nou weer gevochten werd, dat de bijen op uitsterven stonden, dat de wereld naar de kloten ging. Zonder één moment langer te twijfelen trok ik mijn voet uit het heden en plantte hem stevig in het verleden. Ik had het gehad. Het uur was net niet rond, maar ik had er een vierkante kop van gekregen.

Ik wil maar zeggen, veel wijzer werd ik ook niet van het met mijn tijd meegaan.

 

Cineman (10): Repetitieve repetities.

Film van de dag: Choke (2008)

Hoe vaak je ook de mensen duidelijk probeert te maken dat je een onnavolgbaar leven leidt, ze luisteren nooit. Zo word je, voor je het weet, om de haverklap geconsulteerd door schrijvers die je levensverhaal willen opschrijven, ondanks je protesten. Geen poot om op te staan, want als je actie ertegen probeert te ondernemen, wijzigen ze je naam en heet het allemaal fictie. In het begin ga je dus daar maar onbetaald op in, omdat de nauwkeurige waarheid van het verhaal je toch nauw aan het hart ligt. Men moet het immers wel juist navertellen. Aan verwarrende verhalen en volslagen onjuistheden heeft niemand iets.

Maar na een tijdje begin je geld te vragen. Amper terug van alwéér een jonge, enthousiaste romanschrijver in het noorden van ons land, lag er een consultatie-aanvraag op de mat van een naspeelgezelschap. Schijnbaar was binnen de groep een roep ontstaan om de verschillende oorlogen en andere zaken die ze tot dusver naspeelden, te verwerpen. Niet historisch genoeg. Begrijpelijk, bij mijn unieke levensloop verbleekt het meerendeel van onze vaderlandse historie. Dus. Of ik maar weer even kon komen helpen de feiten in orde te krijgen. Zucht. Er werd echter een vrij redelijk bedrag genoemd. Lichtere zucht. Plus overnachting en catering. Okee dan. Ik greep mijn nog niet uitgepakte koffer en liep de voordeur terug uit.

Ik werd welkom geheten door een jongedame met een uitbundige boezem, die sprekend gekleed was als een jongedame die ik onderweg nog in de trein had gezien. Met, het mag worden gezegd, een iets minder uitbundige boezem. Ik vermeldde het toeval aan de jongedame, die me geschokt aankeek. Ik dacht nog, ach kom, dat is toch een leuk toeval. Tot ze huilend wegrende, mij verbouwereerd achterlatend. Met de koffer in de hand liep ik verder het terrein op.

“Waar rent Tanja nou weer heen ?” hoorde ik iemand roepen. En vanachter een gebouw dat sprekend leek op een kioskje waar ik onderweg een pakje sigaretten had gekocht, kwam een man tevoorschijn die als twee druppels water leek op de conducteur die mijn kaartje had gecontroleerd. “Ah, heer Cineman, u bent gearriveerd, welkom !” Hij stak zijn hand uit, en geamuseerd keek ik ernaar alvorens die te schudden. Ik vertelde hoe hij sprekend op mijn conducteur geleek, maar dat die korter geknipte vingernagels had. Onmiddellijk pakte de man een nagelschaartje en bewerkte zijn nagels. “Zo ongeveer ?” Ik knipperde verrast met mijn ogen om de kordate ingreep, maar inderdaad, dat benaderde de nagels van mijn conducteur uiterst accuraat.

“Ons gezelschap heeft de nauwkeurigheid van de details hoog in het vaandel,” zo sprak mijn conducteur, terwijl we door een gang liepen die sprekend de gang naar mijn woning was. Hij opende een deur die zoveel gelijkenis met mijn eigen voordeur vertoonde, dat twee druppels er jaloers op zouden zijn. Binnen was alles zoals ik zojuist mijn thuiswoning achter had gelaten. Verbaasd keek ik naar het stof in de entreegang, waar exact kloppend te zien was waar mijn koffer gestaan had voor ik de woning weer verliet. “Maak uzelve thuis,” sprak de man, die zich duidelijk uit de voeten wou maken. “Zodra u wat tot rust bent gekomen, vernemen we graag uw input.” Haastig verliet hij het pand.

Met stomheid geslagen liep ik de woonkamer in die echt in alles de mijne leek. Even twijfelde ik niet of ik niet gewoon thuis was en misschien dit alles droomde. Achter me hoorde ik plotsklaps een geluid. Ik draaide me om en zag een man de deur binnenkomen. Nee, niet zomaar een man. Mijn exact gelijkende döppelganger.

Hij plaatste zijn koffer, die exact op de mijne leek, in de gang en nam de post door. Hij zuchtte. Hij zuchtte iets minder diep. Hij pakte zijn koffer en liep weer de deur uit, brief in de hand.

Verbaasd bleef ik even staan. Toen liep ik naar de voordeur, vastbesloten deze man aan te spreken. Wat een gelijkenis, verbluffend ! Ik had de voordeurklink nog niet vast of ik hoorde achter me een geluid. Ik draaide me om en zag iemand die sprekend op mij leek, verbaasd om zich heen kijkend, de woonkamer in slenteren. Ik liep naar hem toe, al deed hij alsof hij me niet zag. Plots opende de deur weer. En daar liep ik weer binnen. Koffer, post, zucht, zachtere zucht, koffer, deur. Terwijl ik er verbaasd achteraan staarde liep mijn tweede döppelganger de gang in, naar de deur. Daar aangekomen keerde hij zich verbaasd om. Ik keek in zijn kijkrichting en zag een derde döppelganger. Verbaasd de woonkamer inslenteren. De tweede döppelganger liep verbaasd naar mijn positie toe. Ik deed behoedzaam een stapje opzij. En daar ging de deur weer. Post, zucht, zucht, zoef. De derde döppelganger liep naar de voordeur. En plotsklaps was er bij de woonkamer een vierde döppelganger. En liep de derde naar de positie van de tweede, die behoedzaam een stapje opzij deed – ik ook maar.

Tot mijn grote verbazing kwam er geen eind aan en voor ik het doorhad stond de halve gang vol dubbelgangers. Ze leken stuk voor stuk meer op mij dan ikzelf. Ik kon er met mijn kop niet bij hoe men dit voor elkaar had gekregen. Cosmetica ? Of zelfs chirurgie ? Zou dat meisje zich soms nu ook naar de arts hebben gerept om mijn domme opmerking ? Even krabde ik op mijn achterhoofd, waardoor ineens iedereen ophield met hun actie. Zeker twintig paar ogen staarden naar mij. Ik voelde mijn gezicht gloeiend rood worden.

“Ik wil maar zeggen,” spraken ze allemaal tegelijkertijd uit, “ook ik heb wel eens moeite in karakter te blijven.”

 

Cineman (9): Het afzicht vanaf de top.

Film van de dag: La Dolce Vita (1960)

“Het is een uniek lijden en weinigen kunnen het begrijpen,” sprak ze langzaam. “Het is geen lijden zoals de massa dat kan. Of erger, zoals die talloze Afrikaanse kindjes met hun dikke buiken, korstig glimmende huid en hun vliegendrommen. Dat is lijden dat iedereen wel lukt, als men er maar ietwat naar zou willen streven. Confectie-lijden noem ik dat.” Ze roerde een theelepel kaviaar door haar uit vier miniatuur Bodum Santos potten gemixte koffiemengsel en keek dromerig gepijnigd voor zich uit. “Je ziet het ook steeds populairder worden: armoede, honger, al die fantasieloze lijdensvormen. Iedereen denkt maar wat aan te lijden tegenwoordig, en hoe breder vertegenwoordigd het lijden onder het volk, hoe meer men neerkijkt op het afzien van de elite. Welnu, begrip voor ons lijden begint bij het inzicht dat je het niet kúnt begrijpen tenzij je elitelijdende bént. Het is een soort Araucana-ei verhaal, zogezegd.”

Ik schraapte voorzichtig mijn keel op vragende toon. Verstoord keek ze me aan. “Wij elite zijn dan wel bovenmatig gevoelig, maar zeker niet achterlijk, heer Cineman. Ik besef mij uiterst goed wat u wilt vragen. Ook u mist het besef, al moet ik toegeven dat u al iets boven het gribus uitrijst. Desalniettemin zal ik u ons lijden uitvoerig uit de windsels wikkelen. Enig inzicht bieden in het uitzichtloze van de in-crowd is uiterst inschikkelijk van mijzelve, al moet ik dit oordeel zélf vellen.”

Een scherpe blik schoot richting één van de assistentes die hevig bloosde. Blijkbaar was het haar taak om onbescheiden uitspraken voor de dame te plegen, om zodanig een ‘al zeg ik het zelf’ te voorkomen. Met een mild vergevingsgezinde trek rond haar lippen hield de dame haar vergulde koffielepel in de lucht. Een andere assistente rende haastig op het lepeltje af met een doekje. Terwijl het lepeltje, zorgzaam verpakt, afgevoerd werd, begon de uiteenzetting.

“Allereerst is er, zoals menig natuurkundige u zou kunnen vertellen, maar één manier om écht te stralen: volledige reflectie. Wij moeten immer de illusie geven dat we stralen, en de enige wijze om dat voltijds vol te houden is alles te weerkaatsen. Wat mij brengt bij punt twee: oppervlakkigheid. De beste spiegels zijn die met een perfect oppervlakkig oppervlak, immers. Diepgang, eerlijkheid en volume, daar is nog nooit iemand hogere maatschappelijke sferen mee bestegen. Illusie, oppervlakkigheid en volslagen mysterie, daar kom je verder mee.” Ze sipte van haar koffie, het luxe verfijnde kopje bijna in één sip al halfleeg.

“Voor dat mysterie moeten we met name veel offers plegen. Volledige privacy, bijvoorbeeld. Oh, er wordt vanalles over ons geroddeld, maar dat zetten we zelf in werking, met medewerking van de pers. In werkelijkheid weet niémand iets over ons – wij delen niets, met wie dan ook. Ons hele inkomen is gestoeld op de persoonlijke geheimen die we bij ons dragen.”

Ik knikte, maar ze trok een wenkbrauw op. “U denkt dat ik overdrijf, maar in feite heb ik u al meer verteld dan ik menigeen vertel. Misschien is het de leeftijd. Ik heb niet veel meer te verliezen – het zoete leven ligt al achter me. En het kan zo vermoeiend zijn, heer Cineman, altijd maar verwacht te worden het centrum van elk feestje te zijn.” Met een meedogenloos weemoedige blik staarde ze naar haar haardvuur.

“Waar blijft de hel die me beloofd is ?” mompelde ze. Een assistente slaakte een diepe zucht voor de dame.

Ik wil maar zeggen, ik begrijp best dat iedereen niet alles zélf kan doen.

 

Cineman (8): Spoorloos ontspoord.

Film van de dag: A Glimpse Inside the Mind of Charles Swan III (2012)

Ze zeiden dat ik alles kon worden wat ik maar wou, dus ik werd een treinongeluk. Laat ik vooropstellen dat u me hier goed moet verstaan. Ik bedoel treinongeluk niet metaforisch, zoals veel aanstellers wel doen. Niets van die zielige beeldspraak aan het lijf van Cineman. Als het eufemistisch bedoeld was voor een psychische instorting, excessief drankgebruik of doorgeslagen destructief gedrag, dan had ik dat beestje gewoon bij de desbetreffende naam genoemd. Nee, ik werd een echt, heus treinongeluk. Een topprestatie van jewelste, al zeg ik het zelf, en ik was niet van een ‘echt’ treinongeluk te onderscheiden. Alles klopte. Doe het maar eens na, het valt heus niet mee. Als zodanig was ik dan ook een trots treinongeluk. Een treinongeluk dat er wel degelijk mocht zijn. Een treinongeluk om rekening mee te houden en zelfs om met licht ontzag naar te kijken. En toch zinde het me niet. Het ging niet ver genoeg.

Aan de inzet lag het alvast niet. Ik deed écht mijn best. Er was weinig aan de toewijding en inspanning te verbeteren. Sterker, ik gaf op dat vlak menig treinongeluk mijlenver het nakijken. Nu is dat makkelijker dan u denkt, want de meeste treinongelukken zijn gemakzuchtig van aard. Dat gebeurt maar en gebeurt maar en gebeurt maar. Geen doelmatigheid, geen design. Het gemiddelde treinongeluk is gewoonweg, en vindt dat wel best zo. Dat is ook logisch: een origineel treinongeluk heeft nooit iets anders hoeven zijn. Het schiet een gemiddeld treinongeluk niet eens als mogelijkheid te binnen iets anders te wensen te zijn. Een treinongeluk is een treinongeluk is een treinongeluk en that’s that.

Als zodanig heb je als nouveau accident de train een streepje voor. Je hebt er hard voor gewérkt, het is je niet met de zilveren paplepel ingegoten. De armen zijn uit de mouwen gestoken. Je bent tot het uiterste gegaan om het treinongeluk van je dromen te worden. Geen evident streven, waar naarmate je je doel bereikt, je ook je eigen esthetiek en finesses in ontwikkelt. Misschien was ik dan geen geboren en getogen treinongeluk, maar in de materiële schade, de ligging van mijn rijtuigen en de slachtofferaantallen kon ik die aristocratische accidentelen nog wat leren. Daar lag het ook allemaal niet aan.

Het probleem was het spoor. Het is toch een beperking binnen het treinongeval zijn. Het gaat maar twee kanten op, snijdt hier en daar een ander spoor en dat was het wel zo’n beetje. Geen speelruimte voor uitbreidingsideeën. Simpel gezegd zit je er gewoon aan vast. En het is wel een verplicht nummertje, zo’n spoor. Die eeuwige rails. Met hun bielzen. Man man, praat me niet van die bielzen. En die rechtlijnigheid. Uiteraard hebben we het niet eens over de bovenleidingen, aan die boven alles verheven aanstellerij maak ik niet eens één woord vuil. Maar dat spoor, dat is toch een ernstige beperking. Een begrenzing. Ik zou zelfs willen stellen dat het het laatste taboe is binnen het treinongevallen. Stel je toch eens voor: een treinongeval zonder rails. Men zou verdomd raar staan te kijken. Nee, ik zie het ook niet snel gebeuren, nee. Verdomd onpraktisch. Onuitvoerbaar, zelfs. Maar toch, stel u eens voor. Geen spoor.

Ik wil maar zeggen, spoorloos ontsporen is een streven dat ik dankbaar aan mijn horizon bewaar.

 

Cineman (7): Écht duister.

Film van de dag: Argo (2012)

“Nee, nee, nee,” drong ik aan door de telefoon. “Je luistert niet. Ik heb het over écht duister.” Het onbegrip aan de andere kant van de lijn deed me even mijn voorhoofd betasten. “Duister, inktzwart, niets te zien. Dat. Echt, écht duister. Niet donkerblauw met sylhouetten. Niet zwart met lichtflitsen. Niets ervan. De logische volgende stap is volledige duisternis. Ja, als je niet luistert, dan blijf ik het natuurlijk niet uitleggen.” Ik hing op. Vijf seconden later belde mijn telefoon.

“Zeg nou niet steeds dat je het niet begrijpt, je begrijpt het prima. Het is namelijk ook volstrekt niet moeilijk. Duister. Meer niet. Meer laat je niet zien. Duister, that’s it. Alles pikzwart. Geen jamaar, nee, stop nou even. Écht duister. Dat men-“

Ik schonk een glas water in terwijl een bijna paniekerig relaas aan de andere kant van de lijn afstak en staarde naar buiten. Een stralend blauwe lucht. Er fladderden lustig wat vogeltjes met de lente in de lucht. In het gras staarde loom een kat naar het overvliegend wild. Ik luisterde maar half naar het geraas via de lijn. Het was ruis. Ik ademde rustig in.

“Vergeet het publiek, man. Wil je nou geschiedenis maken of niet ? Een film met enkel écht duister. Geen bewegende beelden, enkel zwart. Overal schijt aan hebben. Alleen zó vind je het cinematisch idioom volledig opnieuw uit. En daar ging het toch om ? Je belde me om te vragen hoe het medium zich nog kan vernieuwen, nou, dat vertel ik je net. En al klinkt het krankzinnig, dit is de logische stap om nog iets nieuws te doen. Ga dwars tegen de overgeproduceerde beeldvertelling heen, ga zelfs voorbij de Dogme cinema, stap volledig i-“

Water. Ademen. Ik legde de telefoon even op tafel en wandelde naar het toilet. Mijn druppels tinkelden op het porcelein en ik sloot mijn badjas weer. Liep terug naar tafel. Zoals verwacht was mijn gesprekspartner nog steeds aan het ratelen. Ik sloot hem nogmaals aan mijn oor. “Natuurlijk is het eng. Het is volledig van het padje, letterlijk. Het is zo ver out of the box dat je de box niet eens meer kunt zien. En je publiek zal volledig in het duister tasten, zeker. En niet weten wat ze ervan moeten maken. Maar daardoor maken ze er ook iets eigens van. De meest waardevolle ervaring die je ze kunt geven.”

Ik hoorde mijn maag knorren. “Luister, als je het niet durft, had je mij niet om advies moeten bellen. Ik heb je gezegd wat ik ervan denk. Een volledige film met enkel écht duister. Technisch niet te hoog gegrepen, veel creatieve mogelijkheden, en een vernieuwing van heb-ik-jou-daar. Ik ga hangen, want ik heb honger. Denk er maar even over na.”

Ik hing op en deed een fantasieloze diepvriespizza in de oven. Ik wil maar zeggen, creatief en vernieuwend zijn hoef je niet op álle vlakken.

 

Cineman (6): Dat vergeten teveel mensen.

Film van de dag: Citizen Kane (1941)

Zelden zag ik een zonderlingere ziel dan de oude man die per abuis in mijn tuin beland was. Hoé, dat is en blijft nog een vraag, aangezien een man in een rolstoel zoals hij toch moeilijk over een omheining heen kan klauteren. Rolstoel en al. Maar daar zat hij. Verward, rillend en schuddend, in de blakende en uitdrogende zon. Met zijn wiel precies op mijn prijswinnende kalebasplant geparkeerd. Het moes kleefde aan zijn wielen. Ik wist niet goed of ik kwaad of verbaasd moest zijn. Dus deed ik wat ieder redelijk mens in emotionele dubio doet: ik ging terug naar binnen, greep enkele biertjes, zette mij in de stoel tegenover hem en trok de dop van mijn fles. Zo moeten we daar minstens tien minuten gezeten hebben voor hij iets zei.

“Pijp 38,” sprak hij plechtig. Met een veelbetekenende, statige blik zweeg hij weer en keek me droog aan. Ik nam een slok van mijn bier en keek hem strak terug aan. Zo wederstaarden we zeker nóg vijf minuten voor ik mijn keel schraapte en vroeg: “Wat bedoelt u ?”

“Pijp 38,” herhaalde hij. “In het licht van recente ontwikkelingen mag dat toch duidelijk zijn.” Ik krabde eens op mijn achterhoofd. “Bedoelt u misschien een model tabakpijp ?” opperde ik. De man rolde minachtend met zijn ogen. “Pijp. Acht-en-der-tig,” sprak hij nu langzaam, alsof hij het aan een kind probeerde uit te leggen. “Ik hoor uw uitspraak luid en duidelijk,” placht ik te antwoorden, “maar ik begrijp niet waar dit een antwoord op is. Kunt u me de vraag vertellen ?”

Hij haalde een wenkbrauw op. “Heel goed,” sprak hij. “Het begint bij de vraag. Dat vergeten teveel mensen. Men roept altijd maar te enthousiast om de feiten, de feiten. Alsof je daar ooit iets wijzer van wordt. Zonder de contextuele vraag zijn de feiten nooit iets waard. Dat vergeten teveel mensen.”

Ik knikte. En herhaalde zijn woorden. “Dat vergeten teveel mensen.” Hij glimlachte. “U verstaat mij. Ik was al bang dat niemand me meer verstond, maar u verstaat mij. Pijp 38, zeg ik u.” Ik nam nog een slok bier en vroeg: “Wat is de vraag bij Pijp 38 ?”

De man schudde mismoedig het hoofd. “Neen, neen. Er is geen vraag bij Pijp 38. Pijp 38 is het antwoord op een volslagen andere vraag. Het valt me van u tegen, mijnheer, dat u zo slecht oplet. Ik dacht nochtans dat we echt op één lijn zetten, maar het is duidelijk een verouderde en ver geërodeerde lijn.” Ik knikte instemmend. “Er is sprake van één lijn, maar geen scherpe directe,” bevestigde ik. De man keek droevig naar de lucht.

“Wat mis ik de tijden dat de antwoorden die ik de mensen gaf, meteen op begrip konden rekenen. Pijp 38, dat had men vroeger meteen begrepen. Maar de mensen houden zich niet meer op de hoogte. Het gaat nu om sensatie. Men wil weten waar er iets sappigs aan het lekken is. Of er iets spannends zich verstopt in de plekken waar het duister en obscuur is. Waar zich er ernstige breuken voordoen. Men wil geen verhaal meer van punt A tot punt Z. En al helemaal geen verhaal meer waar men de context voor moet kennen. Geen diepgang, geen hellingsvlakken. Alsof het zo makkelijk is. Neen, meneer, zo gemakkelijk is het niet. Dat vergeten teveel mensen. Dat denkt maar dat je één putje oplicht en dat dan de feiten voor het oprapen liggen. Maar het echte verhaal ligt in het geheel, meneer. In het zorgvuldig bestuderen van het hele traject, het in kaart brengen van de gegevens en feiten, in de logische gevolgtrekkingen en de academische aannames. Het gaat over zorgvuldige voorstudie, over materiaalkennis, over geografische en sociologische inzichten. Maar men heeft geen geduld. Het moet nu, het moet snel, het moet meteen inzichtelijk gepresenteerd worden in zo weinig mogelijk feiten – het liefst één.”

“Pijp 38,” knikte ik begrijpend. Het gezicht van de man klaarde op. “Ja, precies, meneer. Pijp 38. Daar zit hem het euvel. Begrijpen wij elkander ?” Ik bevestigde dat we elkander verstonden. “Het is niet de eerste keer dat het hem in Pijp 38 zit, bedenk ik me nu. Maar de context ontglipte me even mijnheer. Mijn excuses. Contextueel ontvangen is een vaardigheid die mijn generatie, en de generaties na mij, aan het verliezen zijn.”

De man keek nog éénmaal naar de lucht en sprak: “Fijn. We verstaan elkaar.” Hij draaide onbekommerd zijn rolstoel om en reed tot de omheining. Daar boog hij het hoofd naar de vloer, geduldig wachtend op iets.

Ik heb hem daarna nooit meer gezien, want een goed verstaander weet voldoende. Ik liep mijn woning terug binnen en belde mijn verhuurder. Met dringende instructies om de inspectie haar blik te laten werpen op de afvoersystemen onder mijn woning. “Ik heb uit bepaalde bronnen dat er met name met pijp 38 iets mis zou kunnen zijn. We kunnen beter zo snel mogelijk deze informatie verifiëren en dan ingrijpen, hopelijk voorkomen we ernstige situaties.”

Daarna schakelde ik de TV uit waar net mensen die me niets zeiden, vermoedelijk met elkaar de oudste daad ter wereld gepleegd hadden. Of niet. Ik wil maar zeggen, riooljournalistiek is ook niet meer wat het geweest is. Dat vergeten teveel mensen.

 

Cineman (5): Gepast ongepast.

Film van de dag: Puss in Boots (2011).

Hoe langer ik naar ze keek, hoe liever ik wou dat ze pasten. Ze waren per abuis aan mijn voordeur afgeleverd. De bezorger wou deze niet bestelde schoenen niet terug in ontvangst nemen. Dus daar zat ik. Met een paar prachtige, werkelijk prachtige schoenen. Ik probeerde ze aan maar zoals gevreesd, ze pasten niet. Te krap. Veel, veel te krap. Ik plaatste ze in de gang om te overwegen wat ik ermee moest doen. Terugsturen, was het enige dat ik kon bedenken. Ze waren immers niet voor mij.

Er was echter geen geadresseerde naam op het pakket, enkel mijn woonadres. Een hinderlijke slordigheid. Zouden deze schoenen wel bij de juiste persoon belanden als ik ze terug zou sturen, deze schoenen met hun betoverende glans en hun zachte tast ? Gehypnotiseerd zat ik bij de schoenen gehurkt en kon ik me niet voorstellen deze meesterlijke kunstwerken zomaar aan een bezorger mee te geven en aan ongetwijfeld ongeïnteresseerd, horkerig orderpersoneel over te laten die ze misschien wéér naar een verkeerd adres zouden sturen, waar ze misschien een veel minder zorgzame ontvangst zouden krijgen.

Ik schudde het beeld van dit elegante schoeisel, achteloos in een vuilcontainer gesmeten tussen koffiefilters en bierblikken, van me af. Maar dan nog. Jammer dat ze niet pasten. Ik zou goed voor ze zorgen. Voorzichtig probeerde ik nog éénmaal. Het wou echt niet. Ik liet zachtjes een traan over mijn wang biggelen om het besef dat puur om mijn schoenmaat, een gegeven waar ik genetisch mee opgezadeld zit en niets aan kan doen, ik deze schoenen zou moeten laten gaan.

Nee, ik moest en zou ze op een of andere manier passen. Deze schoenen hoorden bij mij. Ik paste mijn handen erin. Dat ging veel beter. Dan maar zo, besloot ik, en begon op mijn handen door het huis te lopen, comfortabel in de schoenen uitgespreid. Mijn voeten stootten tegen de kamerlamp, die rinkelend naar beneden kwam en in duizend spetterende scherven op de grond uiteen knalde. Verschrikt deed ik enkele stappen achteruit naar de muur en tikte zo, in een onhandige zwaai met mijn hiel, het schilderij van de muur. Paniekerig poogde ik me uit de buurt van kwetsbare objecten te houden maar op mijn handen door het huis ging in rap tempo alles kapot.

Ik stapte er weer uit en zat, temidden van de puinhopen, op wat van mijn bank over was teneergeslagen naar de schoenen te kijken. Ze waren zo prachtig. Maar ze pasten me toch echt niet. Treurig plaatste ik ze op de woonkamertafel en nam een foto. Daarna ging ik op zoek naar de doos waarin ze aangekomen waren.

Ik wil maar zeggen, ongepast is lang niet altijd ongewild.

 
« Older posts

© 2020 KutBinnenlanders.nl

Theme by Anders NorenUp ↑