KutBinnenlanders.nl

Tag: Ko te Let (Page 1 of 2)

Ko te Let vindt een Z (-1)


De grote schrijver Ko te Let slofte huiswaarts. Na enige tijd buitengaats te hebben vertoeft, verlangde hij ernaar weer binnengaats te zijn. “Uithuizig wezen, ik heb er een broertje dood aan”, smiespelde hij monotoon tegen de stoep. Hij droeg een duffelse jas van een onbestemd merk en een bruine corduroy broek met bretels. Omdat het oog ook wat wil, had hij zijn goede schoenen aangetrokken. Zwarte gezondheidsschoenen van het merk Mephisto ®. Terwijl hij de tijdloze kwaliteit en schoonheid van zijn zwarte Mephisto’s® overdacht, zocht hij in zijn zakken naar zijn sleutels.

Hoewel hij een verloren gewaand rolletje King® vond en wat pluisjes, voelde hij de sleutels niet. Ko kwam graag goed beslagen ten ijs. Daarom eiste hij van zichzelf de sleutels paraat te hebben voordat hij bij de ingang van zijn flat kwam. Maar Ko kon de bos nergens vinden. Hij werd rood en kreeg het warm. “Verdikkeme”, vloekte hij binnensmonds. Hij stopte om zijn jasopeningen grondiger te doorzoeken. Niks, behalve het rolletje pepermunt en talloze pluisjes.”Gossiemikkie, dat heb ik weer.”

Ko was ontdaan, zenuwachtig, een tikkeltje verontrust en ook wat gespannen. Hij doorzocht nogmaals al zijn broek- en jaszakken. Hij deed zijn schoenen uit. Hij voelde heimelijk aan zijn kruis. Het zou niet de eerste keer zijn dat de sleutelbos achter zijn gulp schuil bleek te gaan. Waar was zijn sleutelbos? Terwijl Ko hulpeloos zichzelf stond te betasten voor zijn deur kwam er een busje met werklui aanrijden. Ze stopten voor zijn flat. De arbeiders laadden plaatsten wegafzettingen.

“Hela, wat moet dat in mijn straat”, mompelde Ko misnoegd terwijl hij nog steeds zichzelf stond te fouilleren. De werklui keken kort zijn kant op. Ko keek weg. Hij was bang. De grote schrijver had het niet zo op werklui. Hij vond het onbehouwen lieden met zweetgeurtjes. Ergerlijker nog vond hij het dat ze zijn werk niet lazen. Afgezien van een enkeling, natuurlijk. Die had het dan zwaar, onder het ‘schaften’ in de ‘keet.’ Ja, Ko kende dat bouwwereldje wel.

Zijn sleutels bleven onvindbaar. Ko dacht erover terug te lopen om te kijken of ze ergens op de grond lagen, maar was bang voor de werklui. Hij zat zwaar in de piepzak om de arbeiders die nu de straatstenen aan het loshalen waren. Wat moesten ze wel niet denken als Ko weer zou omdraaien en met zijn hoofd omlaag de stoep afspeurde? Nee, Ko had helemaal geen zin in de scheldpartijen van de werklui.

Nu moest hij poepen. Ko kreeg plotsklaps enorme aandrang. Tot kakken. Het voelde alsof hij de hele pot moest volstorten met zijn mest. Langdurig en structureel deficeren was nodig. Het gevoel werd hem teveel. Ko greep verwoed de regenpijp naast zijn balkon vast en tilde zichzelf trillen omhoog. Zijn balkondeuren stonden altijd open. Uit voorzorg. Piepend en krakend, voetje voor voetje klom hij langs de regenpijp. Hij voelde een windje opkomen.

Pppppppppppppppppppppffffffffffffffffffffffffffffffffffffftttttttttttttttttttttttttttttttttttttttttttttthhhhhh. Ko voelde dat zijn kont nat en werd. Van schrik schoot zijn voet los. Hij kon zich ternauwernood vasthouden en hoorde iets rinkelen. Zijn sleutelbos lag onder zijn bungelende voeten. Ze hadden in zijn kontzak gezeten. Had Ko dat maar eerder geweten!

U merkte het al. Een prequel. Helemaal iets van nu. Binnenkort gaan we verder. Met een terug- of vooruitblik. Wellicht stappen we in het midden in. Spannend. Er is nog niets getekend. Alles staat nog open. Fijn hè? Of maakt al die onzekerheid u onrustig? Laat de boel de boel. Haal een frisse neus en drink een kopje kruidenthee. Mag ook in een andere volgorde.

 

Ko te Let vindt een Z (2)


De grote schrijver Ko te Let zag vanachter zijn raam de erven van Linda met een pannetje soep aan komen lopen. Ze ploegden door het zand en gingen bijna onderuit toen ze in een kuil stapten. Met de grootste moeite konden ze het pannetje soep boven hun hoofden recht houden. Ko zag het gebeuren door de kier in de gordijnen. Hij was blij dat hij veilig binnen was. “Dat krijg je er nu van”, bitste hij tegen de vitrage.

Omdat Ko nu al drie maanden noodgewongen binnen moet blijven door de opgebroken straat, brengen de erven van Linda hem iedere dag een pannetje soep. Ko vindt er niks aan. Het is kutsoep. Smakeloos, bijna geen ballen. Bij het doorslikken plakt de vettige substantie aan zijn gehemelte. Hij poept er bovengemiddeld dun van. Hoe moeilijk is het nou helemaal een behoorlijk pannetje soep te maken?, vraagt Ko zich af. Hij heeft de erven van Linda zat handige tips aan de hand gedaan. “Meer ballen en meer zout er in, erven. Méér ballen en zout”, murmelde hij. Maar nee hoor, die soep blijft pet. En nu komen de erven daar weer aanwaggelen met een hoeveelheid lauw slootwater.

De soep zit vol groene dingetjes. Er zit geen letter letterminestrone in, maar stukjes prei, wortel en meer van dat groenspul. Met kleffe gehaktballetjes die uit elkaar vallen voor Ko ze kan opeten. Is het nu zo véél gevraagd om balletjes te draaien die intact blijven in de soep. Hij heeft een verschrikkelijk hekel aan balletjes die op zijn lepel verbrokkelen. Bahbahbah. Bij de gedacht aan een volle lepel van de drab wilde hij de gordijnen dichttrekken en zich onder de vensterbank verstoppen.

Ko mist zijn moeder. Kon zij nog maar zijn kostje koken! Dat was tenminste een echte huisvrouw. Die kon toveren met de potten en pannen. Ko woonde tot zijn 45e thuis. Tot zijn moeder bij een fataal strijk ongeluk het leven liet. Ze kookte Ko’s groenten precies zoals hij het graag had: tot pap. Dat vond Ko lekker makkelijk eten. Zijn moeder vond altijd het altijd leuk om Ko te voeren als een peuter. Brrrroemmm daar komt het vliegtuig. Toet toet hier is de vrachtwagen. Tjoeke tjoek daar komt de chemietrein. De grote schrijver liet haar begaan. Hij hield zielsveel van zijn moesje. En van prakken.

Daar kwamen de erven van Linda. Door alle overpeinzingen die Ko had gedaan, was het te laat voor hem om zich te verstoppen. De erven van Linda hadden hem al gezien. Ze zwaaiden enthousiast de groene soep klotste uit de pan. Ko voelde zich een beetje ziek worden. Trrrrring. Daar ging de bel. “Nou zul je het hebben”, fluisterde hij naar de deur sloffend. Hij opende de deur met een ferme ruk. “Hmmm lekker soep!”

Wordt vervolgd lieve lezertjes.

 

Ko te Let vindt een Z


Omdat de grote schrijver Ko te Let geruime tijd buitengaats vertoefde, kon hij niets publiceren. En toen hij eenmaal weer binnengaats was, gooide de opgebroken straat roet in het eten. Alle stenen voor zijn deur waren weggehaald. Er was nu een grote berg wit zand verschenen. O jeetje. Daar stond Ko mooi mee te kijken. Door de grote hoop wit zand voor de deur was hij veroordeeld tot een leven binnenshuis.

“Werklui. Ik heb er een broertje dood aan , murmelde Ko te Let tegen de rode potgeranium in zijn vensterbank. Vanuit zijn grote schrijversstoel had hij uitzicht op een geranium en de gravende arbeiders. Getverderrie. Hij vond het maar niets. Al die ongelikte beren. Ze hadden waarschijnlijk nog nooit van de schrijver/publicist/dichter/performer Ko te Let gehoord. Een enkeling daargelaten, natuurlijk. Die had het zwaar tussen dat rauwe volk. Had ie maar een vak moeten leren. “Maar er is altijd hoop voor arbeiders die het werk van de grote schrijver Ko te Let kennen!”, riep hij met overslaande stem.

Verder was hij niet zo blij. Door het ontbreken van verhard wegdek zat hij nu al drie maanden binnen. Ja de kinderen, die vonden het mooi. Ze speelden elke middag in het zand. Niemand die er wat aan deed. Ko had al 22 brieven op hoge poten geschreven naar het stadsbestuur. Nul reactie. Ze laten de goede burgers in de kou staan. Waren de gore werklui weg, kwam de opgeschoten schooljeugd zijn overpeinzingen verstoren met hun kwelende kinderstemmen. De krengen waren al maandenlang bezig de buurt te terroriseren met hun gespeel.

Ondertussen hadden de werklui de plaat gepoetst. Schaften, vermoedde Ko, die wel wist hoe de bouwwereld in elkaar stak. Arbeiders zitten vaak te schaften. In een ‘keet’. Daar eten ze witbrood met zult met hun handen. Hij gruwde van het idee van arbeiders die witbrood met hun handen in een keet eten. Er kwamen kinderen langs. Ze gooiden hun fietsen neer om in het zand te spelen. O o o wat hadden ze een pret! Voor zíjn raam. Dat ze verdikkeme voor een ander z’n raam rotzooi trapten.

De kinderen maakten met hun handen een burcht. Het leek nergens naar, dat zag Ko zo wel. Een kasteel van likmevestje. De muren waren oneffen. Broddelwerk. Er was niet eens een slotgracht. Om maar te zwijgen van de torens. Ook daar hadden die jongelui helemaal niet aan gedacht. Ko werd kwaad om zoveel domheid. “Rotkinderen”, brieste hij tegen de potgeranium. Voor hij het wist draaide hij het raam open en riep: “Rotkinderen! Jullie kasteel lijkt nergens naar!”. In het vensterglas zag Ko dat hij helemaal rood was aangelopen. Hij riep nog een keer “rotkinderen!” naar de kleuters en sloot toen het raam. Daar kwamen de Erven van Linda met een pannetje soep.

 

Ko te Let, een beschouwing

Een nieuwe woensdag, een nieuw kannibalistisch KutBinnenlanders stukje. Voor wie de site niet al te intensief gevolgd heeft sinds pakweg November vorig jaar, ons aller Gerrie S. Veters heeft een reeks in het leven geroepen rondom De Grote Schrijver Ko te Let. Een personage dat voor de kenners uiteraard alludeert op een bekende speler uit het Tilburgse literaire landschap. Verscheidene andere lokaal bekende scribenten passeren zelfs de revue. Maar voor de onervaren alludator of alludratrice is er geen enkele reden om de reeks dan maar links te laten liggen. Ook voor wie de achterliggende kennis ontbeert, is deze reeks een toppertje. Ja, ik gebruik zomaar het woord toppertje op een woensdagmiddag. Ko te Let zou er misschien van terugschrikken, maar ik niet. Hij verdient het.

Het kaderstramien van de prozareeks laat zich in één oogopslag herkennen: een deel van de titels rijmt op ‘Ko te Let’ (‘bouwt een raket’, ‘ontdekt de internet’), er staat telkens dezelfde foto maar dan met enige regelmaat grafisch nog verder vervormd onder, en ieder stuk begint steevast met de woorden ‘De grote schrijver Ko te Let’. Dit kader is echter vooral het houvast waarin we de persoon Ko te Let leren kennen. Een man die in al zijn eigendunk openbaart als een waarachtig tragisch figuur. Hij denkt groot te zijn, maar uit de reacties van zijn omgeving en ook uit zijn onhandigheden en opvattingen spreekt in eerste oogopslag een dramatisch misleid man. Een man die het allemaal niet helemaal lijkt te snappen. Een man die verdrinkt in zijn eigen illusies van grootsheid. Geen onschuldige fantasietjes zoals de beroemde Walter Mitty, maar eerder een dramatisch steenrijke liefdesbaby van Mitty en Karl Friedrich Hieronymus, Freiherr von Münchhausen. En, om de tragiek verder te versterken, volstrekt misplaatst in de literaire scene van een middelgrote polderstad.

Schijn bedriegt, echter. Zoals schijn dat wel vaker doet. Mevrouw Schijn heeft géén benul hoe vaak. Maar dus ook in dit geval is ze er nog niet achter wat haar vent uitvreet.
Ko te Let is geen kleintragisch dramatisch karakter. Ko te Let staat voor de nobelste eigenschappen van de moderne mens. Hij staat ervoor, hij valt erover, en hij zit erop. Maar nooit zal hij er comfortabel onder gaan liggen. De nobelste eigenschappen van de moderne mens zijn voor Ko te Let een vanzelfsprekend streven. Een minimumniveau, zogezegd. Ko te Let streeft er voordurend en onvermoeibaar naar om daar nog ruim boven te staan. Neem het stuk over molton dekens. De oppervlakkige lezer denkt slechts een komisch stukje over een man die tegen zijn zin in molton dekens in de kast heeft liggen, te lezen. Maar de molton dekens zijn het ultieme symbool voor de gemakzucht van de gemiddelde burger in dit stuk. Ze zijn het comfort van een niet te hoge lat voor jezelf stellen. Genoeg nemen met minder, met pluizige vieze molton dekens, ‘want ze zijn zo warm’. Gerrie S. Veters had hier de makkelijke route kunnen kiezen en bijvoorbeeld de schaatsen in de kast kunnen zetten tussen de Uggs van de erven van Linda. Uggs, een gemakzuchtig symbool: spuuglelijk, onpraktisch, ‘maar ze zitten zo lekker’. Nee, Veters kiest voor de obscuurdere molton deken. En wat doet een molton deken met de grote schrijver Ko te Let ? Ze irriteren zijn huid. Hij moet er niets van hebben. Ze liggen in zijn kast, als zodanig accepteert hij het minimumniveau van zijn intrinsieke nobiliteit, maar hij staat er liever ver, ver, vér boven. Waar een ander zich wellicht warmpjes en knus onder de molton deken zou installeren met een fijn dichtbundeltje bij het haardvuur, Zo niet onze Ko. Wat doet hij wel ? Hij schuift ze niet terzijde om gemakzuchtig bij zijn schaatsen te kunnen. Nee, hij gaat de confrontatie aan en tilt één molton deken, als ware het een babyluier vol meurende diarree, tussen rechterduim en wijsvinger op, om het daarna te laten vallen. Er liggen vijftien molton dekens in zijn kast. Het is geen sinecure, maar Ko zet zich eroverheen en besluit de zoektocht naar de schaatsen, die toch praktisch binnen zijn handbereik moeten liggen, te bemoeilijken door om hulp te vragen. Door een vriend te benaderen voor diens schaatsen. Hij laat de vijftien – nogmaals, vijftien ! – molton dekens achter en doet het dapperste dat een volwassen mens kan doen: zich over diens trots heen zetten en om hulp vragen.

En wat voor hulp ontvangt hij van zijn omgeving ? Hij krijgt een stel vies witte kunstschaatsen mee, waar hij niet veel mee kan. Niet om al teveel te verklappen, maar het lange verhaal – de schaatsen-reeks is binnen het bescheiden oeuvre over Ko te Let nu al een epische spanningsboog die vermoedelijk niet snel overtroffen gaat worden – eindigt ermee dat hij in een wak beland. Omdat hij zijn nek durfde uit te steken en met hulp van anderen zichzelf wilde opstuwen tot ongekende hoogtes van grootsheid.

Dit terwijl Ko te Let nooit te beroerd is om er voor een ander te zijn. Hij gaat naar diverse literaire avonden, soms om uit pure goodwill zijn grootse werken ten beste te brengen, maar ook soms volledig tevreden met een ander het spotlicht te gunnen. Hij praat vriendelijk met al zijn buren. Hij is attent, gedienstig, maar zeer zeker niet zuinig met zijn opinies. HIj kan over alles meepraten, van de prijzen van diens dichtbundels tot de internet. Dat hij misschien niet alles zowaar beter weet dan een ander – veelal zeer zeker niet, zelfs – dient u met bewondering vast te stellen, niet met hoon. Weet u het immers allemaal zo goed, dan ? O, dat dacht ik toch ook niet. En er schuilt bovendien een reusachtig gevaar in u maar op de hoogte te stellen van vanalles. Een klakkeloze acceptatie van de wereld zoals die u gepresenteerd wordt. Ko doet daar niet aan mee. Ko schept zijn eigen wereld. En wat daar niet in past, duldt hij geen tot amper geen toegang, zonder van die overtuiging al te veel af te dwalen. Ko te Let is een mán, wellicht de láátste mán in de geoestrogeniseerde westerse wereld. Een man met een passende hoeveelheid pluishaar op zijn oor, en zo hoort het ook.

Dit prachtpersonage hult zich in een schrijfstijl waarin Veters zich ook niet bij inhoudt. Schrik niet van uitdrukkingen als Hij voelde zich senang tussen de antimakassars of Liever concipieerde hij de hele dag literatuur. Van juweeltjes als Knuffelberen met algenhaar of Een halve Saturnus ring van zwart piekhaar. Veters maakt het zich zeer zeker niet gemakkelijk. Net als Ko te Let streeft hij er, aflevering na aflevering, naar om zichzelf op een hoger niveau te tillen. Het resultaat mag er zijn, en de grote schrijver Ko te Let verdient niets minder. Ko te Let is een toppertje. Lees, geniet, en volg het inspirerende voorbeeld in een eigen poging uzelf boven de molton dekens te stellen. Het gaat u niet meevallen, voorspel ik u alvast. Maar de poging is vaak het halve werk al, en te weinig mensen doen nog volwaardige pogingen tegenwoordig. Ik vermoed dat de grote schrijver Ko te Let dat wel met me eens zal zijn.

 

Ko te Let ontdekt de internet


De grote schrijver Ko te Let zat te soezen in zijn groteschrijversstoel. Hij smakte met zijn vochtige lippen, want hij dacht aan zijn lievelingskostje: kaasfondue. De Edammer droop in dikke klonten van de stok af. Steeds dikker werden de glimmend gele druppels en Ko begon harder te smakken. Er verschenen witte dotten spuug in zijn mondhoeken. Hij kreunde en slikte amechtig van de kleffe kaasdroom. Zijn kruis werd broeierig toen de deur plotsklaps openzwaaide.
Het waren de erven van Linda.

Ze waren paniekerig en droegen een antraciet plastieken tegel met zich mee. Ko wreef het zweet van zijn voorhoofd. De erven van Linda maakten de kunststof rechthoek open. In de binnenkant stonden allemaal knoppen met daarop letters en cijfers. De erven van Linda drukten op een knopje. De machine ging aan. De erven vroegen of Ko kwam kijken. Ze hadden iets ontdekt. De erven van Linda drukten verwoed op allerlei plaatjes op het scherm. Ko hees zich zuchtend uit zijn stoel. De erven van Linda stonden erom bekend van een mug een olifant te maken. Liever vervolgde hij zijn druipkaasdroom. Hij keek bij de erven van Linda over de schouder. Er gebeurde vanalles op het scherm van de machine.  Ko wist niet wat hij zag. ‘Kíjk!’ riepen de erven van Linda.

Er verscheen een venster op het scherm. ‘Híer!’, riepen de erven uitzinnig. De grote schrijver zag niets bijzonders. Letters en plaatjes. Ze bewogen, dat wel. Maar volgens de erven was het heel bijzonder. Ze hadden de internet ontdekt. Ko wist niet wat de internet was, maar volgens de erven was het iets spectaculairs. Net nieuw. Ze waren er op gestuit toen poes Millie over de knopjes was gelopen. De internet was toen zomaar tevoorschijn gesprongen.  Er stond hem er vaag iets over bij. De Brabant Bode had er laatst iets over geschreven.

Hij wist bij god niet meer wat. Ko besloot te doen alsof het voor hem gesneden koek was. ‘Ach, de internet. Kennen jullie die nu pas. Dat doe ik al tijden. Leuk hoor, je kunt er puike dingen mee. Ik heb zelfs twee internetten. Gisteren een nieuwe aangeschaft, bij die winkel om de hoek. Hebben ze verschillende internets. Maar die moet je wel goed onderhouden. Is heel belangrijk bij internetten. Wist je dat je er ook spellen mee kunt doen?’ Toen de erven van Linda hem daarop trots en liefdevol aankeken, voelde Ko zich ze helemaal de koning.

 

Ko te Let maakt pret (3)


De grote schrijver Ko te Let pulkte aan zijn reukorgaan. De neuspulk leek op Peerke. Dat gebeurde hem wel vaker, dat Peerke zich aan hem openbaarde. Hij vertoonde zich in van alles onverhoeds aan Ko. In gordijnen, plassen en nu in een grijsgroen snotje. De oren leken niet echt.

Ko besteedde er geen aandacht aan. Hij had andere besognes. Hij zat ernstig in de piepzak. Ko moest zijn opwachting maken op het vrouwenboekenbal in de Grote Stad. De Grote Stad, hij moest er niets van hebben. Diep van binnen was hij er bang voor. Het bonkige straatplaveisel, de vele pieremachochels en al die Morianen. Ko vond het niets pluis in de Grote Stad. Hij meed de betonnen negorij liefst als de ziekte.

Maar de literatuur vraagt grote offers. Ko moest daar wel acte de présence geven. Hij ademde zwaar uit en hees zich uit zijn grote schrijversstoel. ‘Hup, in de benen’, maande hij zichzelf. Hij schoot in zijn duffelse jas en beende aan, richting het spoorwegemplacement. ‘Wat een weertje’, smiespelde Ko om iets te zeggen te hebben.

In de trein probeerde hij zich voor te stellen dat hij bij moeder voor de haard zat. Het vuur knapperde en zijn moeder stopte sokken. Ko dronk dampende anijsmelk. Hij voelde zich senang tussen de antimakassars. De Grote Stad was ver weg.

Het stalen ros remde af. Ko schrok wakker en riep verschrikt uit: ‘blikskaters!’. Hij was in de Grote Stad aanbeland. Ko controleerde de ketting aan zijn beurs, verstopte zijn horloge in een heuptasje en plaatste zijn identificatiebewijs op zijn lichaam. ‘De schobbejakken en laaielichters krijgen een taaie kluif aan mij’, mompelde Ko onvast toen hij uit de wagon stapte. Hij had zichzelf ingeprent voor drugs op te passen, niet te praten met hasjkikkers en andere negers en onoirbare zaken op straat te negeren. Kortom, onder alle omstandigheden op zijn qui vive te zijn. Ko wilde elk mogelijk akkefietje met de bokkige Grote Stedelingen voor zijn. Daarom fixeerde hij zijn kijkers straks op het bonkige plaveisel.

Ook schuifelde hij zijwaarts als een krab langs de muren. Hij was bang voor een mes in zijn rug. Het gevaar was overal. Ko voelde zich als de spreekwoordelijke snoek op zolder. Bij het vrouwenboekenbal maakt hij drie bieren soldaat. Tussen het drinken door zorgde Ko altijd dat hij een hand op zijn glas hield.

 

Ko te Let maak pret (1)

De grote schrijver Ko te Let keek tussen de gordijnen door naar buiten. Er lag een gebutst bierblik op straat. Het irriteerde Ko. Wat was er gebeurd met die warme burenband? Kon niemand de gedeukte conserve opruimen? Het lag bij zijn onderbuurman voor de deur. Het was zijn verantwoordelijkheid. Hij wendde zich af van het raam en zette zich in zijn grote schrijvers stoel. Ko plukte aan zijn wollen trui. Er zat een pluisje op. Het had een vreemde vorm. Een klein bolletje bovenop een grote. Het was net de oermoeder.

Ko bestudeerde het stukje stof met enige interesse. Terwijl hij naar het vreemd gevormde plukje keek, kreeg hij zin. Zin om in de pen te klimmen. Hij kreeg serieus goesting in een goede pennenvrucht. Hij zuchtte en liet het pluisje los. Hij hoorde een plof. Er was een brief bezorgd. De envelop lag op de mat. Ko bezag het vanuit zijn grote schrijversstoel. Hij was best nieuwsgierig naar wat de posterijen hem hadden gebracht. Misschien wel een telegram van zijn tante uit Nieuw-Zeeland. Of een liefdesverklaring van een voluptueuze poëzieliefhebster. Hij was opgewonden en benieuwd. Maar ook een beetje gespannen.

Hij overdacht de hele situatie zonder zich te verroeren. Vanuit zijn grote schrijversstoel tuurde hij naar de deurmat. ‘D’r is post’, zei zijn moeder zaliger altijd. Zo van een afstand kon hij niets geks aan de post ontdekken. Ko was op zijn qui-vive. In het verleden had hij tot driemaal toe poepenveloppen gehad. De zaak was nooit opgehelderd. Sindsdien was Ko te Let voorzichtig met poststukken. Hij zuchtte en richtte zich op uit zijn stoel. Hij stond een halve minuut roerloos voor de stoel.

Op zijn sokken slofte Ko ten slotte behoedzaam op de envelop af. Hij was roze en zijn naam stond er in sierlijke letters op. De grote schrijver vermoedde dat het een schrijven van aanzienlijke importantie betrof. Hij liep snel met het poststuk naar de grote schrijversstoel. Hij opende de envelop en trok de brief eruit. Het papier rook naar jasmijn. Ko las de brief die begon met ‘geachte auteur’ en kreeg rode konen.

Het was een uitnodiging voor het vrouwenboekenbal.


Dit verhaal is nog niet verteld, beste lezers. Aanstonds meer over deze belevenis. U moet de groeten hebben van de erven van Linda. We wensen u een fijne aswoensdag.

 

Ko te Let huurt een pet

De grote schrijver Ko te Let stond aan het fornuis en bakte een ei. Een week ei. Zo had hij zijn eieren het liefst: vochtig en met de dooier intact. ‘Plekeier’, noemde zijn moeder zaliger ze. Ze was bij een fataal snoei incident om het leven gekomen. Maar dat ter zijde. Ko tuurde afwezig in de koekenpan. Het wit moest week zijn en het vel van het geel zo dun mogelijk. Maar niet dunner! Dan zou het breken en dat was in Ko’s ogen onwenselijk. En ook onsmakelijk. De dooier moest heel blijven. Tot Ko het in zijn mond had, natuurlijk. Dat mocht het kapot gaan. Maar zeker niet eerder. Ko was nogal precies op zijn ei.

Het ei leek Ko goed. De randjes begonnen om te krullen. Nú moest er snel gehandeld worden. Een werkje voor ‘de vaste en snelle hand’, zoals zijn vader zaliger altijd zei. Hij was bij een fataal snoei incident om het leven te komen. Maar dat ter zijde. Onhandig wrikte hij met een spatel onder het ei. Hij manoeuvreerde het stuk keukengereedschap tot precies onder de dooier. En nu oppassen, murmelde Ko. ‘Héél voorzichtig zijn nu’, snoof hij. Hij tilde het ei langzaam op. De dooier trilde als een geleipuddinkje. Het vliesje scheurde en een dun stroompje eigeel liep uit de dooier.

‘Godverdegodver!’ riep Ko geschrokken uit. Hij was geschokt en woedend. Ondeugdelijk keukengerei had zijn dunne dooier verminkt, concludeerde hij. Zijn maaltje was verpest. Hij kwakte de inhoud van de koekenpan in de pedaalemmer.

Wat nu? Ko wist het niet meer. Hij was zwaar van zijn apropos door het hele gebeuren. Nog een ei bakken, daar had hij geen krum meer voor. Hij kon het zenuwslopende bakproces niet meer opbrengen. Wat als het weer fout ging? Die kans was zeker groter dan nul. En dan zou hij helemaal flink de pee in hebben.

Zijn maag piepte en knorde. De grote schrijver negeerde de interne processen. Want hoewel hij honger had, kon eten hem nu gestolen worden. Hij zette zich in zijn grote schrijversstoel. Ziedend op de anonieme fabriek in Hong Kong die de slechte spatel straffeloos op de markt had gebracht. Met alle gevolgen vandien. Hij dacht er over om een strenge brief te schrijven naar de fabriek. Maar verwierp die gedachte meteen.

 

Ko te Let bouwt een raket


De grote schrijver Ko te Let zat in zijn grote schrijversstoel. Hij plukte aan een draadje op zijn wollen trui. Terwijl hij het tussen duim en wijsvinger tot een sliertje draaide, keek hij naar de vensterbank en mompelde tegen de sanseveria: ‘als dit zo doorgaat, hou ik geen trui meer over’. Ko werd onrustig bij het idee dat zijn trui vezel voor vezel aan het desintegreren was. Alleen al de suggestie gaf hem een beetje een unheimisch gevoel.

Toen voelde Ko aandrang. Plotseling de druk van een drol tegen zijn sluitspier. De grote schrijver zuchtte diep en moedeloos. Maar hij bleef zitten. Ko voelde de drol groter en groter worden in zijn darmkanaal. De druk nam enorm toe in zijn onderlichaam. Hij zuchtte met een pijnlijk gezicht en stond op uit zijn grote schrijversstoel. ‘Vooruit met de geit’, zei hij vermoeid.

Dit was zo’n dag dat alles tegelijk kwam. Zo gebeurde er een tijd niets en zo kwam alles tegelijkertijd, mijmerde Ko. Op zijn pantoffels liep hij naar het toilet. De drol gleed ondertussen door als een boomstam van een skischans. Ko dacht het kopje al te kunnen voelen. Hij werd een beetje zenuwachtig en begon te zweten. Bij de toiletpot draaide hij zich om en liet zijn broek zakken. De drol schoot hard uit zijn boze oog.

Zitten op de toiletpot deed de grote schrijver nooit. Dat vond hij maar niets. Het liefst had hij dan ook een Frans sta-toilet aan laten leggen in zijn flat. Maar de financiering voor die ingrijpende verbouwing aan de natte ruimte had hij nooit rond gekregen. Een gepeperd bezwaar bij de woningbouwstichting had niets uitgehaald. Terwijl hij met zijn handen op zijn knieën steunde, maakte de irritatie zich van hem meester. De woningbouwstichting had hem een sta-toilet door de neus geboord. De poep gleed er ondertussen moeiteloos uit. Hij keek tussen zijn benen door hoe de fecaliën in de pot vielen.

De grote schrijver voelde nog wat zitten, maar zo soepel als eerst kwam de drol niet meer uit het kontgat. Hij perste met zachte druk, maar de drol gaf geen sjoege. Dus deed Ko er een schepje bovenop. Hij drukte zich een rode mist voor de ogen. Het begon hem te duizelen. TRRRIIIING TRRRRIIIING. De grote schrijverstelefoon. ‘Ook dat nog!’, kreunde Ko. Met de broek op zijn knieën slofte hij naar de telefoon. De drol was door de beweging losgekomen en liep langs zijn dij in zijn broekspijp. ‘Getverderrie’, mompelde Ko ontdaan. Hij nam de hoorn op en hoorde de kiestoon.

 

Schaatsen (5)


De grote schrijver Ko te Let nam het applaus dankbaar in ontvangst. Net toen hij wilde vertellen dat zijn nieuwe bundel voor het kleine bedrag van 14,95 in de winkel lag, zag hij dat hij de stadsvijver naderde. Het was een drukte van jewelste op het ijs.

Jongeren waren er aan het ijshockeyen, vaders sjorden aan sleeën. En daar, daar ging de cultuurmakelaar. Hij zwierde in ’t rond. Hij draaide achtjes om de dichter Sjack von de Vam. Hij had pret voor tien. De cultuurmakelaar had een Unox muts op. De dichter Sjack von de Vam bulderde ook van het lachen. Zijn vilten baard wiegde mee met de lachsalvo’s. ‘Die Von de Vam gaat er met de stads literatuurprijs vandoor als ik niet oppas’, bromde Ko. Hij stond besluiteloos aan de kant, tussen de ganzenpoep. De cultuurmakelaar zag de grote schrijver niet. Hij zwierde gewoon rustig door, daar op de stadsvijver. Daar greep hij Wief Jizk de Kirgizische puntdichteres met sterallures bij haar middel. De cultuurmakelaar deed of hij onderuit ging en Jizk lachte geluidloos. O, o, o wat hadden ze een pret. Zonder Ko.

Ko zag zijn plannetjes allemaal in het water vallen. Hij wilde een sing a long musical over het leven van Lex Goudsmit maken, een poëtisch vierluik over het verdwenen bakkertje van om de hoek en een episch werk over Miend van de Dobbelare, de befaamde leprose. Hij zag zijn subsidieverzoeken al door de shredder van de cultuurmakelaar gaan terwijl Jizk en Von de Vam er hard bij stonden te lachen.

Een grote daadkracht welde plotseling in hem op. ‘Ik zal ze hebben’, bromde de grote schrijver. ‘Een beetje mijn business verzieken.’ Hij zocht een rustig plekje om het ijs op te komen en zo de cultuurmakelaar te kunnen verrassen met een kolderieke manoeuvre. Onder een treurwilg ging Ko op de kant zitten. Met een verbeten hoofd sjorde hij zijn veel te kleine, vieze kunstrijschaatsen aan. Hij richtte zich wankelend op. Het ijs trilde een seconde en sloeg toen onder Ko’s trillende schaatsen weg. De grote schrijver kreeg een golf groen stadsvijverwater binnen. Boven het wak zag hij de olijk lachende gezichten van de cultuurmakelaar, de dichter Sjack von de Vam en Wief Jizk. Die Ko.

(Ko heeft het flink onder de leden, beste lezers. Maar wees niet bang: de erven van Linda zorgen goed voor hem.)

 
« Older posts

© 2020 KutBinnenlanders.nl

Theme by Anders NorenUp ↑