KutBinnenlanders.nl

Maand: augustus 2013 (Page 6 of 8)

Terras

Het gaat aan tafel weer eens over seks. Onze terrasgroep is zelden in staat een ander onderwerp aan te kaarten. Op zich vind ik het niet erg, want wanneer we wél een ander onderwerp aankaarten gaat het vaak over voetbal en van voetbal snap ik niets. Ik haal een mandarijntje uit mijn jaszak. Waarom ik een jas heb meegenomen vraag ik me in de brandende zon nu eigenlijk óók af, maar hij is wel handig voor het vervoeren van mandarijntjes in de zakken.

Ik heb eerder vandaag mijn nagels geknipt. Verbouwereerd kijk ik naar mijn vingers, want mandarijntjes pellen is er nu niet bij. De terrasgroep bespreekt inmiddels pornofilms die ze deze week hebben gezien. Voorzichtig kijk ik hoe ver ik kom met mijn geknipte nagels. Het harde topknopje schiet met gemak van het mandarijntje af, maar in de schil maak ik met deze nagels nog geen deuk.

Één lid van de terrasgroep heeft een documentaire over schetenporno gezien. Een andere heeft een nieuwe site gevonden, waarop OCD-porno te vinden is. Ik spits mijn oren want dit klinkt interessant. Ik stel me er meteen vanalles bij voor. Dat de seks onderbroken moet worden omdat het ruitenpatroon op de dekens in de war raakt. Of dat alles in één exact kloppend, niet variërend ritme gaat. En ander lid van de terrasgroep vraagt zich af of er ook autistische pornosites zijn.

Ik probeer de achterkant van een theelepeltje in de schil te porren. Het schiet niet op. En dan schiet plots een heel stuk steel het mandarijntje in. Mandarijnensap spuit eruit. Ik leg de mandarijn, met het theelepeltje eruit stekend, zuchtend op tafel. Een ander terrasgroeplid zegt dat het mandarijntje er geil uit ziet, zo. Ik hoop maar dat de zomer weer snel voorbij is.

Wil tot ontplooiing

Ik had het ’n beetje gehad met het daten van Hollandse dames, ik zocht een vluchtroute. Een stok tussen de wielen van mijn maandelijkse date-routine. Duitsland zou het worden: verandering van spijs doet verorberen. Ik besloot me aan te melden bij de grootste gratis datingsite van onze oosterburen, onder de naam ‘Hans Theodoor’, mijn doopnamen.

Uit financieel en praktisch oogpunt besloot ik als woonplaats ‘Mönchengladbach’ op te geven. Mocht het tot een lijfelijke ontmoeting komen, dan zou ik daar kunnen afspreken, wat aangaande het vervoer minder ribben uit mijn lijf zou kosten dan rendez-vous in pakweg Frankfurt an der Oder, Stralsund of Görlitz. Een tochtje vanuit mijn woonplaats – de ‘metropool’ Weert – richting Mönchengladbach, was uitstekend te doen.

Reeds na drie dagen meldde zich een serieuze kandidate in mijn inbox. Het bleek ene Claudia uit Wickrath, een gehucht onder de rook van de Duitse stad waar ik zogenaamd domicilie hield. Ze bleek drie jaar ouder dan ik (achtendertig om vijfendertig jaar), wat op zich geen probleem was voor mij, jonge meiden van een jaar of twintig zijn wellicht makkelijker te krijgen, maar ook moeilijker te houden. Ik vond het best, haar relatief rijpe leeftijd.

Het Hauptbahnhof van Mönchengladbach gaf een aardige aanblik in het zachte voorjaarslicht. De zon kleurde mijn gemoed en gaf het bosje bloemen dat ik uit Holland had meegenomen, een nóg fraaiere glans. Om klokslag 13.00 uur ontwaarde ik haar in de krioelende menigte. Ze herkende mij direct. Een nog wat onwennige kusprocedure volgde, waarbij ik haar mijn boeketje overhandigde en zij een (gemeende of gemaakte) glimlach op haar gezicht toverde.

Ze zag er alleraardigst uit. Een strakke, zwarte maillot toonde twee gespierde damesbenen. Daarboven een blauwe spijkerrok en een dun, beige truitje. Haar voeten zag ik niet, die waren gestoken in bruine, suède laarzen tot net onder de knie. Al bij al een tamelijk vlot voorkomen.

We besloten een romantische wandeling te gaan maken in haar woonoord Wickrath. Dat wil zeggen, we besloten een wandeling te gaan maken, of hij romantisch zou zijn, dat moest nog blijken natuurlijk. Ze had enkele dagen voorafgaand aan onze afspraak, aan mij voorgesteld het park van het plaatselijke slot te bezoeken, blijkbaar de trots en glorie van ’t petieterige plaatsje. Ik vond het best. Hoewel ik bij kastelen dikwijls zoiets heb van: heb je er één gezien, heb je ze gelijk allemaal aanschouwd.

Dat bleek reuze mee te vallen. Het barokke gebouwencomplex, uitgevoerd in een warme zalmtint, lag er schilderachtig bij tussen het ontluikende voorjaarslommer. Zoiets had ik nog niet eerder mogen aanschouwen, een chateau, uitgevoerd in zalm. Snel nam ik wat foto’s met mijn uit Holland meegesjouwde spiegelreflexcamera. Mocht mijn date op niets uitlopen, dan had ik in ieder geval een fraaie serie prenten om later te bewerken. U moet weten, ik ben een succesvol hobbyfotograaf, mijn opnamen stonden reeds in verscheidene magazines.

Claudia stak een sigaret op. Dat was nieuw voor mij, het feit dat ze rookte, op de website had ze duidelijk aangegeven een ‘Nichtraucher’ te zijn. Het is een niet onbelangrijke kwestie voor mij, aangezien ik sinds jaar en dag geplaagd word door een behoorlijk hardnekkige vorm van astma, geen kattepis, kan ik u verzekeren. Derhalve vroeg ik haar (op een uiterst beschaafde manier, met een volledig neutrale intonatie) waarom ze mij verzwegen had dat ze rookte. De felheid van haar respons verbaasde mij. Ze reageerde als door een wesp gestoken. Ik kreeg een uitgebreid betoog voor mijn kiezen. Dat het mijn zaak niet was of ze rookte of niet. Wat het mij kon schelen dat ze haar longen zo zwart als teer pafte. Dat ik me beter met mijn eigen gewoontes kon bezighouden, en dat het volgens haar uiterst ongepast was op date numero uno, over een futiliteit als het roken van een onschuldig sigaretje te beginnen.

Een kort moment was ik met stomheid geslagen. Ik bespeurde echter veel verdriet achter haar boosheid, zodat ik mijn aanvankelijke gepikeerdheid, nobel aan de kant schoof. Ik stelde haar de vraag of ze weleens geprobeerd had te stoppen met roken, en hoe haar dat was afgegaan. Toen kwam de aap uit de mouw. Een opmerkelijke junglebewoner: ze vertelde me dat ze ruim twee jaar nicotinevrij was geweest, totdat ze één dag voor ons afspraakje er weer drie had opgestoken, vanwege de spanning om onze ontmoeting. Ze vreesde dat het hek nu van de dam was. Een terechte angst, wist ik als ex-alcoholverslaafde.

Ik sloeg een arm om haar heen. Wellicht net iets teveel affectie voor de gelegenheid, immers, ik was de oorzaak van het feit dat ze weer haar vermaledijde ‘softdrugs’ tot zich had genomen. ‘Liebling, ich bin da für dich.’ Reeds terwijl ik ze sprak, walgde ik van mijn eigen hypocriete woorden, die slechts één ding tot doel hadden: haar die nacht in bed krijgen. Van een serieuze relatie, wist ik toen reeds, zou nooit ofte nimmer sprake kunnen zijn.

Een donker wolkenveld van melancholie trok over mijn zielsconstructie, pardoes verworden tot een uiterst labiel bouwwerk, niet de stevige vesting waarvoor ik haar hield. Ik voelde een depressie, waartegen ik nochtans medicijnen slikte, opkomen. Daar had ik niet op gerekend, deze op het oog onschuldige voorjaarsdag. Intuïtief nam ik mijn camera ter hand en besloot het schoeisel van Claudia te fotograferen. Haar verfijnde, suède laarsjes met de kittige bontkraagjes. Leuke stillevens om later, tijdens het nabewerken, artistieke kunstwerkjes van te maken. Ze vroeg mij met een doorbrekende lach op haar gezicht, waarom ik zo stupide was uitgerekend haar laarzen op de gevoelige plaat te zetten. In plaats van haar te antwoorden, zoemde ik in op haar groene irissen, die mij dromerig onzeker aanstaarden. Plots voelde ik de onweerstaanbare drang, mijn camera neer te leggen en haar te kussen. Dit deed ik, ongeacht de gevolgen. Die waren draaglijk: ik versmolt met haar. De nicotinelucht die uit haar mond kwam probeerde ik te negeren, iets wat mij wonderwel lukte. Haar tong bezat kwaliteiten die de negatieve aspecten naar de achtergrond wisten te verdrijven. Toch slonk mijn penis in mijn broek. Ik zat middenin een persoonlijke crisis, zoveel was mij duidelijk…

Wat sta ik hier te tongen, in een vreemde stad in het buitenland, met een vrouw die ik nauwelijks ken en waarvan ik nooit houden zal, schoot er door me heen. Verwerd ik plots tot een kleinburgerlijk moraalmannetje? Nee, dat was het niet. Au fond had ik niets tegen de routine van mijn losse sekscontacten, die met lelijke hanenpoten in mijn agenda stonden genoteerd. Het was niet het morele aspect dat mij dwars zat. Het ging om het mistroostige karakter van mijn seksondernemingen: ik liet ergens in een vreemd huis in een vreemde stad, een kwakje achter bij een vrouw die beter verdiende. Namelijk een vent die wezenlijk om haar gaf. Die haar oprecht liefhad om haar plus- én minpunten: om haar sores, haar verdriet, haar schijnbaar onbetekenende, maar dierbaar gekoesterde, kleine gelukzaligheidjes… haar make-up-loze zondagochtendgezicht. Niet een zakkenwasser zoals ik, die slechts zijn balzak achterna loopt, ten bate van zijn spermaproductie.

Wat voelde ik mij plots een schlemiel. De depressie die zich eerder reeds had aangekondigd, was nu totaal. Ik excuseerde mij bij mijn afspraakje, haar achterlatend in totale verbouwereerdheid, en sprintte linea recta naar het stationnetje van Wickrath, om mij van daaruit naar het tien kilometer noordelijker gelegen CS van Mönchengladbach te laten vervoeren. Ik had geluk met de aansluiting, de trein naar Venlo liet niet lang op zich wachten. Als ik mazzel had was ik voor etenstijd thuis. Ik had nog wat rode kool in de diepvries zitten; lekker, met appeltjes en hachee.

De opluchting had zich van mij meester gemaakt, dat ik op z’n minst in mijn hoofd de beslissing had genomen, een streep te zetten onder een levenspatroon dat een kerel wiens leeftijd langzaam maar gestaag richting de veertig jaar kruipt, niet meer past. Een existentie vol ‘geluksbelevingen van enkele seconden’. Nu moest de inhoud van mijn broek nog gaan uitvoeren wat mijn hersenen zich hadden voorgenomen: geen eenvoudige klus.

In de trein nam ik plaats tegenover een dame die ik schatte, ergens diep in de tachtig. Ze las een boek van een Duitse auteur van wie de naam geen belletje bij mij deed rinkelen: Wolfram Gutenstein, Wille zur Entfaltung. De wil tot ontplooiing: wat een geniale titel! En een op een van toepassing op mijn leven. Dat boek moest ik hebben, koste wat kost! Het zou weleens het geheim, de sleutel, tot het leiden van een harmonieuzer bestaan kunnen bevatten.

‘Ein gutes Buch?’ De vrouw liet haar leesvoer enkele centimeters zakken, nam mij vanachter een strenge leesbril geringschattend op, en antwoordde: ‘Sehr. Übrigens, Sie stören mich’, waarna ze stoïcijns verder las alsof ik niet bestond.

Misschien was dat wel zo. Mogelijkerwijs bestond ik niet, moest mijn leven als een futiliteit beschouwd worden; als een ‘rakelings scheren langs een afgrond’, zonder uitgesproken doel of plan.

Aan mij de taak mijn bestaan substantie te gaan geven, in de toekomst.

Niets

Er staart mij een knipperende cursor aan. Hij is vertikaal want zo gaat dat. Ik heb ook wel eens horizontale cursors gezien maar deze is vertikaal. Er verschijnt niks voor of na de cursor. En maar knipperen. En maar niets. Het niets en de knipperende cursor staren genadeloos en mijn hoofd is volstrekt leeg.

Wat als ik uitverteld ben, schiet er door mijn kop. Wat als ik nooit meer iets interessants te vertellen heb. Dat ik het kan vergeten met amusante verhaaltjes over niets. Ik wens ineens dat er op het veldje voor het huis een Boeing 737 zou neerstorten. Met heel veel lijken en brand en explosies. Daar zou ik nog wel een sappig verhaaltje over kunnen schrijven. Of over een kettingmoordenaar die struikelt tijdens het voorbij mijn huis rennen en op zijn eigen draaiende kettingzaag valt. Organen en bloed overal. Ja, daar zou ik wat mee kunnen.

Mijn koffie wordt ondertussen koud want ik mag van mezelf geen koffie drinken voor ik iets geschreven heb. Maar ik heb niets. Ineens is mijn leven bijna zo saai als dat van mijn lezers. En daar heeft niemand iets aan. Misschien heeft iederéén nu wel, precies nu, dat ze niets weten, denk ik. Dat er roodborstjes en mussen in de boom zitten die iets hebben van, eh, tja, wat zullen we nu eens met het nest doen. Of huismoedertjes die de supermarkt rondsjokken en dat niets hen inspireert om geld uit te geven. Gras dat even niets te groeien weet. Een zon die maar wat inspiratieloos schijnt.

Mijn kat miauwt naar me. Okee, het ligt dus toch aan mij. En ondertussen knipperdeknipperdeknipper.

Date

Ik ben, een tikkeltje nerveus, onderweg naar een date. Er is een kans dat het meisje, waarmee ik een date heb, later deze avond mee zal gaan naar mijn huis. Ik heb daar de hele dag uitvoerige voorbereidingen voor getroffen. Zo heb ik mijn laptop vol met porno gedownload om zo normaal mogelijk over te komen. De contactenlijst in mijn mobiel heb ik gevuld met allemaal vrouwennamen. Achter elke vrouwennaam gaat hetzelfde nummer schuil, dat van mijn moeder, maar dat hoeft het meisje niet te weten.

Ik heb in verschillende hoeken stof en vuil gelegd. Een slonzige man is een stoere man, en ik wil graag als een stoere man overkomen. Daarom heb ik ook bij de borsthaarwinkel een potje plakhaar gekocht. Bij de kassa bleken de baarden in de aanbieding, dus die heb ik er een bij gekocht. Thuis paste ik eerst de baard, maar hij stond me toch wat gek. Ik heb ‘m onderin de kast gelegd, want je weet nooit wanneer je ineens een baard moet hebben.

Ik heb een paar condooms uit hun verpakking gehaald, met een beetje koffiemelk gevuld en in het vuilnisbakje van het boventoilet gedaan. Ik heb vier toiletten in huis. Mijn droom is om zeven toiletten te hebben, één voor elke dag van de week. Tenzij het meisje van de date met mij gaat samenwonen, dan veertien. In de voorraadkast zet ik zeven blikken smac, voor het geval dat ze enorm van smac houdt. Zelf eet ik die zooi niet.

Net voor ik kon vertrekken, ging mijn mobiel af. Ene Gloria belde, maar ik ken geen Gloria. Mijn moeder blijkt de beller te zijn. Ze wenst me heel veel succes op de date en vraagt bezorgd of ik mijn broek wel gestreken heb. Ik lieg van wel, gestreken broeken dragen stoere mannen niet. Daarna vraagt ze of ik goed achter mijn eikel gewassen heb. Dat heb ik dan natuurlijk wel.

Tijdens mijn date vertel ik van pure zenuwen al het bovenstaande aan het meisje. Ondanks alle zorgvuldige voorbereidingen gaat ze na de date niet mee naar mijn huis.

Bluesy feel

Just want to stay in bed today
Just don’t care for the world
Just cry myself a river
or join another cult

Just ease into my private bubble-thingy
no better time than now

Just set the record straight today
this wil be my vow

Just live your life without me babe
as if I even care
A handkiss and a wave goodbye
no, life is never fair

Just let me have the blues
– for godsake –
Just leave me alone

No one gives a monkey’s ass
I’m in my ugly zone

Just a moment
or a day
I tell you
let me be

I’ll get out of this eventually

Just you wait and see

And I will pick the stars that night
dance in the dark
– For real –

Just a silly thing to do
to loose that bluesy feel

Voortmaken

Terwijl ik twee plastic zakjes met verse hondenpoep vul, probeer ik mijn slaperige kop te vullen met het besef dat vanmiddag de logeerhond weer vertrekt. De logeerhond heeft me erg korte nachten opgeleverd. Heel erg rouwig ben ik dan ook niet. En ook mijn kat zal blij zijn in een huis zonder logeerhond.

Het baasje van de logeerhond is meteen het enige bezoek dat ik vandaag wil. Het is zo’n dag dat ik verder eigenlijk geen mensen wil zien. Ik overweeg verschillende methodes. Zo kan ik mijn glazen blinderen. Van de binnenkant. Ik kan ook twee piratenlapjes kopen. Ik kan een grote kuil graven en erin gaan zitten. Dat laatste plan heeft als nadeel dat de eigen ontlasting nogal onontkoombaar wordt.

Ik kan mezelf als pakketje naar een verre bestemming sturen, dan heb ik onderweg lekker lang rust. Ik kan in onbewoonde gebieden gaan lopen. Die zijn alleen zo ver te zoeken in dit land. Ik besluit dat het allemaal teveel werk is. De dikke gordijnen in de woonkamer gaan dicht. Dat scheelt al veel. Ik leg mijn voeten op mijn tafel en sluit mijn ogen. De dag duurt nog zeker veertien uur. Voortmaken dus.

« Older posts Newer posts »

© 2026 KutBinnenlanders.nl

Theme by Anders NorenUp ↑