Ik had hem lange tijd niet gezien, maar nu stond hij dan toch weer eens naast me bij de bakker. Ik groette hem, hij groette terug. Hij zag er goed uit, opgewekt. Opgelucht, was misschien een beter woord. Omdat ik binnen en buiten mijn werk in clichés grossier, vraag ik hoe het met hem gaat.
Met een brede glimlach, die richting een triomfantelijke grijns neigde, antwoordde hij enkel ‘goed’. Ik zei dat ik hem een tijd niet meer gezien had. Hij knikte. Hij zei: “Weet je – ik ben goed in wachten bij de bakker. Enorm goed. Ik ben er zo goed in, dat ik er mee opgehouden ben.” Ik keek hem verbaasd aan. Hij staarde me strak aan: “Waarom zou ik onbetaald iets doen waar ik goed in ben, als je er ook de kost mee kunt proberen te verdienen ?”
Ik vroeg hem of hij nu zijn kost verdiende met bij de bakker wachten. “Ik ben nog niet volledig zover dat de kost ermee verdiend kan worden, maar ik ben onderweg. Mijn bakkerwachtbedrijfje loopt boven verwachting goed, dus binnenkort verwacht ik de serieuze pingels binnen.” Ik was aan de beurt en vroeg of hij voor wou. Hij schudde zijn hoofd. “Nee nee, ga jij maar. Ik wacht nog even.”


Geef een reactie