KutBinnenlanders.nl

Maand: augustus 2011 (Page 2 of 8)

Eenzame boeken (8)

Eerder gepubliceerd op TilburgZ.nl

Tien jaar geleden las ik de memoires van Michael Baumann. Baumann (bijnaam ‘Bommi’) was de explosievenexpert van de ‘Beweging van de Tweede Juni’, een concurrent van de Rote Armee Fraktion. Het boekje had een charmant gestencild uiterlijk en in krakkemikkig typoscript las je dingen als: ‘Ik ben alvast begonnen de ruit in mijn celdeur los te vijlen, maar merk dat dat weinig zin heeft omdat de cipiers de hele dag de deur open laten’. Wat Bommi niet vermeldt is dat zijn bijnaam niks met het fabriceren van bommen te maken heeft. Hij is afgeleid van zijn favoriete drankje, Bommi mit Pflaume. Een pruimenjenever. 

Wie alles anfing, Bommi Baumann. Trikont Verlag, München, 1975


Continue reading

Van witte paleizen en gouden glimlachen

Potverdorie, er komt een kamelenrace in Tilburg! En potverdorie, het pand van de Weggeefwinkel bleek niet weg te geven, sterker nog, niemand wil het huren! Mooi om in Verweggistan toch komkommertijd in Tilburg mee te kunnen maken. Ook dat pleit ervoor, dat TilburgZ moet blijven! Laten we wel wezen, de meeste dieren hebben het in Nederland slechter dan in de landen waar ik vertoef, maar over de bio-industrie wordt met geen woord gerept. Waarna we weer eenkiloknaller uitzoeken in de supermarkt. Kamelen, daar maken we ons druk over. Knuffel-activisme, zeehondjesjongen-natuurbevlogenheid. En Weggeefwinkel Noppes: hier blijkt Naber een hele scheve schaats te rijden, voor straf 10 extra butsrondjes op de kameel en samen met Noppes een nieuw tijdelijk pandje uitzoeken, lijkt mij. Ze hebben vast iets moois weg te geven.

In Mashad, Iran bleek ik te lang op mijn Turkmeense transitvisum te moeten wachten. Op donderdag en vrijdag een dicht consulaat dus op zaterdag kan ik het visum afhalen. Maar het Iraanse visum loopt op vrijdag af en kan ik ook niet verlengen op donderdag en vrijdag. Dat krijg je met 12 Imams in je godsdienst: altijd heeft er wel 1 een geboorte- of sterfdag om te vieren en vrijdag is het Jom’e, dus dan werk je sowieso niet. Voor overheid of consulaat dan, alle zelfstandigen zijn elke dag open van vroeg tot laat. Ik kan makkelijk een dag illegaal in Iran verbljven zo blijkt aan de grens, men wenst me een goede reis en rept er niet eens over, geen boete, niets!

Turkmenistan heeft van de Sovjet-tijd het strakke regime overgenomen. Megalomanie is dit regime niet vreemd. Vooral de hoofdstad staat vol met protserige witte marmeren paleizen. Niet in gebruik, evenals de grote parken waar geen mens in mag. Ze worden volop bewaterd, terwijl het hele land kampt met een enorm watertekort. De oude president, ‘Turkmenbashi’, liet in de hoofdstad Ashgabat een groot gouden standbeeld van zichzelf plaatsen, dat altijd met de zon meedraait. Helaas is dat onder de nieuwe president verdwenen. Zou Tilburg het niet kunnen krijgen voor de Hasseltrotonde?

In Turkmenistan valt al fietsend vooral de hitte op. Ik start elke dag vroeger, de laatste ochtend om half 3. Een uur fietsen in maanlicht (bijna een kameel geramd), dan anderhalf uur wassend daglicht alvorens de zon zelf (helaas) weer opdoemt. Slapen: wildkamperen op het 3 meter hoge dak van een theetafel, omdat er slangen kunnen kruipen. De boer nodigt me zelf hiertoe uit. Tweede dag bij een doodarm maar gelukkig boerengezinnetje: zij buiten en ik in de aircokamer. de zoon leert me hoe mijn Bluetooth werkt op mijn telefoon: achterlijk zijn ze hier niet, alleen hun leiders! Nog in het donker langs de blaffende hond en de politiepost gefietst, bij nader inzien helemaal niet slim, zeker niet in dit land. Zowel hier als in Uzbekistan is de bevolking niet vrij om te gaan en te staan waar zij wil, zelfs niet in het eigen land. Vandaar al die politieposten met betonblokken op de weg. Het lijkt verdorie de Tilburgse binnenstad wel, of is die Cityring nu eindelijk af? De vierde dag moet ik noodgedwongen om 11 uur stoppen met fietsen: 40 graden. Bij het ‘ restaurantje’ (soep met schapenbot) is een ruimte met airco. Om 3 uur is het 49 graden, in de schaduw! De laatste dag moet ik door de middaghitte door, want het visum loopt vandaag af. Een kwartier voor tijd bereik ik na 164 km en fikse tegenwind de grens en ontloop zo 1000 dollar boete. Of zouden de Turkmenen net zo soepel geweest zijn als de Iraniërs? Ik hoef het niet te weten en neem uitgeput een taxibusje naar Bukhara, Uzbekistan.

Bukhara en Samarand, op de vermaarde zijderoute. Waren eigenlijk deel van Tadjikistan, maar Stalin trok een streep en toen was het Uzbekistan. De hele regio is door deze verdeel- en heerstactiek beïnvloed. Ook de Kirgizische en Kazakhse grenzen zijn erg arbitrair. In een regio waar juist samenwerking zou kunnen helpen, staan dit soort conflicten positieve ontwikkelingen veelal in de weg. Zoals Tilburg en Gool, zeg mar. Om over Unent maar te zwijgen… Deze twee steden zijn echt wonderschoon, ze ademen honderden jaren geschiedenis, geen strenge Islam zoals blijkbaar de Tempels van de Haat in Limburg wel doen. Wat de hele reis door dit islamitische gebied opvalt, is de enorme verdraagzaamheid en gastvrijheid van de meeste mensen. Het mag haast een wonder heten, dat het ndanks de interne verdeeldheden, de lukraak bij elkaar gezette volken en stammen en de post-sovjet frustraties eigenlijk zelden uit de hand loopt in dit gebied. De mensen in Uzbekistan blijven me maar begroeten en “Odkuda?” roepen (“Waar kom je vandaan?”). Ik blijf dit ook viendelijk beantwoorden, al slipt er weleens een “Norht-Korea” doorheen als het me teveel wordt. Wat opvalt in Uzbekistan: de tandarts zit duidelijk niet in het ziekenfondspakket hier. “Het Land van de Gouden Glimlach.”

Afscheid

Beste dames en heren van de media’s,

De tijd van gaan is gekomen. Na drie tropenjaren gaat uw stadsdichter u verlaten. Me dunkt, het heeft de stad een verentooi van mooie gedichten opgeleverd. 

Komende zondag zal mij in het Stadhuis uitgeleide worden gedaan onze burgervader, de heer Noordanus, en een boel poëzieliefhebbers. (Mag ik hopen op een lintje?)

U hoop ik daar dan ook te mogen begroeten.

Ik geef u nog iets mee. Een poëtisch presentje. Mijn allerlaatste stadsdichtersgedicht, ‘Afschèdswalz’.

Geniet ervan en tot zondag! Houdoe!

Hoogachtend,

Uw scheidend Stadsdichter 2009-2011,

Cees van Raak


(Noot van de redactie: U kunt afscheid nemen in het Stadhuis tussen 13u30-14u30. Koffie en cake.)

Afschèdswalz

de tijd van gaan is gekomen
uit de vrouw die ik poëzie ben gaan noemen
pèèrdeklôote, peut en peeschèève vielen mij ten deel
als een parnassus ben ik beklommen, zoemen
de complimenten door mijn jute kop

yo! wat nu toch begonnen met die jambes die op de loop gaan
met de geesten van de burgers van de schônste stáád
wie zal ze maken, de porseleinen rijmstok overnemen
wat zijn de mensen verwend met mijn verse verzen
mijn opgeschoonde opsommingen en kuis’ rijm

bijgeschreven in de kanon van de leijestad, gezien
als woordrijke nar, gehoord als revueartiest met allure
en dan ook nog rondgeleid over het hof van de toekomst
tilburg, je tikt er tegen en het is raak – en van ervoor
is altijd beter dan erna, van raak is de naam

doe maar smalend roezemoezen, publieken vol onvermogen!
om maar even te gedogen, mijn natgespogen woord
plagiaat mijn deel, eerlijke woordensmid, ridder te voet
voor de zwijnen ermee, tilburg schopt liever
een divisie lager dan de ere aan mijzelf

hee!, pleegdochtertje van mordekai, zing jij in
sofistische prozagedichten, langer dan hadrianus’ muur
maar niet van textiel, marc marie, de kaart van zijnen
azijnen hoon, brandstapel, gepekt en geveerd, hellekeet
ach kindje, roept toch als ge ‘t niet meer weet (06-29102286)

yo! talrijke rijmen heb ik gespogen, aan vele togen, klaterrijk applaus
was mijn deel, nergens te veel, altijd een vrolijk gezicht voor iedereen,
wie kan daar op bogen, over bloemrijke taal gesproken, het rijmvuur ontstoken
bij talloze talentjes, een witjes, een jace en een voormalige joost
ze zitten in de literaire lift; en neen, ík ken geen kift

al is het aan het dichtfront, ai ai ai, ontzettend hard
kuukskes eten en van paardenvechten geblazen, als pacifistische bard
bewapend tot en met
twee jaar leven in kokende olie, azijn, pis en gesuikerd varkensvet
en als proef op de som het scryption nog bijna door ondergetekende gered

yo! het afscheid nadert in een galop; een cadans van trekdrop
weest niet bevreesd de noordhoekse parnassus blijft bekeest, bebeesd,
begeest; befeest voor wie dat wil, vrouwvolk edel van bil;
zie hoe ik de dichterij naar nieuwe niveaus til
hoe ik jullie allemaal kill als een buffalo bill
Cees van Raak
stadsdichter Tilburg 2009-2011

Cultuurkiller (26)

Het meisje liep dromerig door haar universitaire studie heen. Grote, meeslepende dromen. Met ontwapenende zwarte ogen was deze jonge vrouw in spé naar de stad gekomen, haar beklemmende dorpsverleden achter zich latend. Vastberaden. Haar stem zou niet verspild worden op koeienoren en tarwevelden.

Schrijven wou ze. Schrijven deed ze. Schrijven zóú ze. Ze leefde tekst, ademde tekst, danste tekst. Ze had wat te zeggen en de wereld zou luisteren, verdomme.

Dwars over alle Kringen heen huppelend had ze overal haar netwerk uitgezet. Veel vrienden gemaakt, die na het horen van haar werk steil achterover waren geslagen van haar talent. Ze schreef dan ook de klok rond. Feitelijk was ze haar studie danig aan het verwaarlozen. De cijfers daalden hard, maar haar oeuvre klom. En haar roem ook, in rap tempo.

Bij iedere schrijvers- en dichterscompetitie moést en zou ze meedoen, en binnen de kortste keren sleepte ze dan ook enkele prijzen binnen. Ze had er niet aan getwijfeld: haar werk was goéd, ze kon misschien nog veel leren maar het was nu al krachtig en puur. En met de zelfverzekerdheid over haar schrijven was meteen ook haar podiumprésènce in orde.

Debuutdichtbundel. Debuutprozabundel. En nu zou ze, amper eenentwintig lentes jong, debuteren als Stadsdichter. Rachel Verkest.

Ze was gereduceerd tot een object. Een bloederig object. Aan het grote metalen hek naast het politiebureau gespietst. Opengereten. Alles hing, droop, stonk. De agenten ter plaatste hielden hun gezicht bedekt. Iedereen was geschokt. Zo jong. Zo veelbelovend. Zo gruwelijk.

Albert staarde verbijsterd naar de bamboepen die door haar hand, of wat ervan over was, gestoken was.

Dat is het leven (35)

Rio de Jainero in Brasil.

COPACABANA Trammetje Santos
Het was een prachtig gezicht daar binnen te varen aan de ene kant het 60 meter hoge Cristusbeeld en dan die berg die ze het suikerbrood noemden.Het grote Cristus beeld werd door ruim 100.000 mensen bezocht per jaar.Ik ging dus ook de berg op met de bedoeling alleen het beeld te bekijken en van het mooie uitzicht van de stad te genieten.Maar het pakte geheel anders uit.Op weg naar boven passeerden we een kroeg en ja ik zou geen Lowy heten als ik daar niet even binnen ging kijken .Al snel zat er een prachtige Brasiliaanse schone bij me aan tafel.

Ik naaide onder het toeziend oog van Cristus.

Het beroemde Cristus beeld in Rio met op de achtergrond de bergen met de bijnaam suikerbrood.Hier onder toeziend oog van Cristus heb ik de liefde bedreven.

Na wat gedronken te hebben begonnen mijn hormonen te kriebelen en merkte ik dat mijn kleine Lowyke steeds harder begon op te zwellen.Dus ik vroeg de dame waar we de liefde zouden beleven.Er was namelijk nergens een hotel of prive kamer te bespeuren in die omgeving.Dat is geen probleem zei die griet me we gaan naar boven naar het Cristusbeeld.

En zo gezegd zo gedaan kwamen we bij het bovenste gedeelte van de berg aan.En daar onder toeziend oog van het Cristus heb ik gewoon in het gras liggen wippen dat was geweldig.
Het is ook de enigste keer in mijn leven geweest dat ik in een god geloofde.
Als iemand zo goed over je waakt moet het iemand zijn die je dan ook echt waardeerde dacht ik toen.Een god die van af een 60 meter hoge berg toekeek hoe ik daar bezig was .
In de late avond uren was het natuurlijk een machtig gezicht als je daar boven op die berg over de stad Rio uit keek en je zag al die kleine lichtjes van de huizen branden geweldig was dat.En het strand van Rio was echt het mooiste strand van de wereld.In de avond en nacht zag je in de verte het verlichte Cristusbeeld boven alles uit staan.

VOLKSCH

Onze held nadert van achteren. De boef staat nietsvermoedend wild te plassen, de viespeuk. In onze schitterende fontein; een monument van grote importantie nog wel. Het volk is er dol op. Dan weet u het wel. De schelm heeft niets door. Hij laat het klateren. Onze held sluipt dichterbij. Een ferme, eerlijke duw en…plons! Het tuig denkt voortaan wel twee keer na alvorens het een gemeentelijk pronkstuk onder vuur neemt. Loes Dielissen ziet dat het goed is. Niks mis mee.

Loes Dielissen. Niks. Mis mee. Ik ben zo vrij om hieronder Loes’ grootste verdiensten voor Tilburg te noteren. Met het oog op de beschikbare ruimte noem ik alleen de allergrootste:
……………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………..……………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………….……………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………

NB: De geruchten over haar verstandelijke vermogens zijn op niets gebaseerd. Helemaal geen oliebol. Een grote geest. Een van de grootste VOLKSCHE vrijdenkers. Ze rijdt straks op kameel 32, ‘Marieke’. Gefokt in Tilburg. Loes draagt fier het groen oranje, gezeten op een ambachtelijk gehaakt stuk Tilburgse jute. We wensen haar veel succes.

Driewerf hoezee dus. Er zijn dus nog helden onder ons. Gemaskerd nog wel. En ze zitten in de Tilburgse VOLKSCH Partij. De onbekende ridder wil ons zijn gezicht niet tonen. Als een schim is hij de nacht in gegaloppeerd. Voor hem geen linten, bloemen of medailles. De bescheidenheid siert hem. Hij laat zijn daad voor zich spreken. De boodschap is helder.’ik ben niet belangrijk.’

Wie vertaalt dit heldenepos in het Arabisch om er de Libische vrijheidsstrijders mee te inspireren?

Cultuurkiller (25)

Glimmend van trots keek hij de volle feesttent in. De camera’s flitsten. Het grootse literaire evenement was wederom erin geslaagd vrijwel de hele culturele karnlaag van de stad bijeen te brengen. Het was dan ook de lustrumeditie van het SchrijversCarnaval.
Een oorspronkelijk klein begonnen maar invloedrijk gegroeid festival. Waarin verscheidene boude klanken tegen landelijke en lokale politieke ontwikkelingen gehoor gegeven werden. Weliswaar in boerenkiel en met confetti, maar toch werd het geluid van dit festival scherper en scherper.

En daar stond hij – Cees, debuterend Cultuurkiller. Zijn kersverse titel in ontvangst te nemen. De oorkonde van Stedelijk Carnavalsdichter.
Het had wat gekonkel gekost, maar hij had zijn eerste titel binnen. De hele tent applaudiseerde en Cees knipperde tegen de flitslichten in.

Nu was het moment. Na hem kwam de eerste Carnavalsdichter, Jan Vijver. Een dissident met bulderstem, die in het platte lokale accent en met veel bourgondische schwung maar al te graag de vinger op meerdere zere plekken legde.

De opdracht had in duidelijk getypte letters gesproken: haal de wind uit de zeilen van Jan Vijver.

Cees schraapte zijn keel in de microfoon. Liet een geoefende pauze van bijna een minuut vallen, gecamoufleerd door het bladeren in zijn aan elkaar geniette papieren. Hij rechtte zijn rug. Glimlachtte breed de zaal in. In zijn hoofd telde hij de seconden – 74, 75, 76. De aanwezigen zouden nu al een licht ongeduld moeten voelen.

“Dankuwel, voorzitter, voor deze grote eer,” sprak hij opzettelijk pedant. “Carnavalsdichter, van deze mooie stad dan nog wel.” Hij stapelde dooddoener op dooddoener. “Ik kan niet anders dan diep buigen om de grote, grote onderscheiding die deze titel inhoudt en zal dan ook mijn uiterste best doen deze hulde waardig te blijken.” Hij sprak voort, een toespraak van bijna vijf minuten. Het publiek begon glazig te kijken (op Karsten na, die weer eens ergens achterin de zaal luid dronken een schoenlepelsonnet declameerde).

Na de slotzin van zijn bedankspeech – extra doorspekt met niksigheid – liet hij een stilte vallen zonder signaal te geven dat hij klaar was. Hij keek trots de zaal in, inwendig enkel denkend: “Ik héb jullie.” Hij was nog jong, en in vorm.

Aarzelend begon iemand te klappen. Het was Ewald Poulet. Meteen begonnen leden van zijn kring mee te applaudiseren, waarop de overige aanwezigen inhaakten. Cees spiekte vluchtig op de secondewijzer van zijn prachtige horloge. Net voor het applaus goed kon aanzwellen, sprak Cees ferm in de microfoon: “Ik heb” – klemtoon, pauze – “speciaal voor deze gelegenheid een gedicht geschreven.”

Het applaus verstomde en gezichten begonnen donker te staan. Cees’ eerste cultuurkill was een daverend succes aan het worden.

« Older posts Newer posts »

© 2026 KutBinnenlanders.nl

Theme by Anders NorenUp ↑