KutBinnenlanders.nl

Dag: 8 augustus 2011

Zomergasten recensie: Step Vaessen

Dat Al Jazeera een puike site had, met het meest objectieve nieuws dat je je heden ten dage kan voorstellen had ik al door (de afdeling “In depth” heeft mijn voorkeur), nu vertelde Step Vaessen aan Jelle Brandt Corstius in Zomergasten dat de zender ook geweldig is. Ik zou dat niet van iedereen zeggen, maar haar geloof ik op haar mooie ogen.

Aanvankelijk moest ik een golf van betrekkingswaan van me afschudden: mijn verbazing over de overeenkomsten tussen onze karakters en smaken bleef alsmaar groeien. Het eerste uur had ik haar stand in kunnen zijn: zelfde leeftijd, ook ik hield van avontuurlijke series (Sambucan hadden wij in Frankrijk niet maar Thierry La Fronde des te meer) en Pippi Langkous (die Fifi Brindacier werd genoemd) is tot ver in mijn twintiger jaren een dominante factor in mijn ontwikkeling geweest. Allebei krakers, allebei punk. Allebei een studie gedaan waar we meteen na het afstuderen dachten: dit wordt niets. Allebei op onverklaarbare wijze aangetrokken tot Azië en alleen Azië (ik vertrok op mijn 19de naar Japan, zij naar Thailand en Indonesië). Allebei dat geen genoegen nemen met de status van bezoeker van die landen. Al deel ik haar achtergrond met die schapen niet, ik heb wel een fascinatie ervoor (niets ontspant me meer dan naar schapen te kijken).

Na een uurtje scheidden het pad van onze levens. Zij werd journaliste, ik rolde verder naar weer een ander land. Het pad van mijn leven had mij echter ook aangeboden journaliste te worden, iets dat ik verworpen had, wetend van mezelf dat het jachtige van zo’n beroep niets voor mij zou zijn.

Het meest heb ik genoten van het meisje in de kampoeng, dat met haar familie naar de uitreiking van haar middelbareschooldiploma zou gaan. Zij werd gemakedup en gekapt, gestoken in prinsessenkleren, en hoppa, daar gingen zij, door de modderige steegjes, nagestaard door de buurtjes, die kostelijke commentaren uitkraamden “O wat is ze mooi”, “Kijk haar nou, ze ziet eruit als een prinses”, “Zij ziet er rijk uit maar ze is het niet hoor”, tot ze oog in oog stond met een bottige knol in vol ornaat, dat voor het voor haar bestemde karretje gespannen wachtte. Het meisje maakte direkt rechtsomkeer en liep straal terug naar huis. Geen smeekbede, tranen of commando van haar familieleden hebben haar kunnen vermuwen: “Ik ben een stadsmeisje, ik ga echt niet in een boerenkar. Vergeet het. Bel een taxi.” Ik had haar willen zoenen.

Step liet niet na ons te vertellen over de romantiek van de kampoeng, dat je daar gelukkig bent omdat iedereen zo lekker saampjes leeft, en men op elkaar let. “Doet me aan Japan denken” kwam toen droogjes in me op. Twee uur later illustreerde haar betoog verder met, inderdaad, een filmpje over het eiland Okinawa, waar zogenaamd de meeste honderdjarigen in volmaakte gelukzaligheid leven (“zogenaamd” omdat ergens mij bijstaat dat er in Japan veelvuldig de hand is gelicht met het begrip honderdjarigen, wat ik niet meteen aan kwade wil toe wil schrijven maar meer – en dat is mijn persoonlijke interpretatie van het fenomeen – aan het ingewikkelde systeem van jaartallen tellen, dat bij elke kroning van een nieuwe keizer de teller weer op nul zet, wat je in staat stelt om je zomaar van een jaar of 40 te vergissen). Ze wou maar zeggen, en Jelle stond te popelen om haar daarin bij te staan (“Nederland staat derde in de lijst van de meeste depressieve landen”) dat je in Nederland maar niet zo moest klagen, en gewoon gezellig bij elkaar moest leven. Er moesten maar een paar kampoengs gesticht worden en al de Amsterdamse ellende zou als sneeuw voor de zon verdwijnen. Ik dacht terug aan de communes uit mijn jeugd en slakte een diepe, diepe zucht. Japanners kunnen dat, hun identiteit oplossen in het groter geheel (hun taal is er zelfs voor ingericht – ze hebben geeneens het woordje “ik”, althans, ze gebruiken het nooit) Indonesiërs kunnen dat (leerde ik zojuist), maar Amsterdammers? Forget it. En ik voorop. Waar ik maar wil zeggen: ik ben benieuwd hoe lang Step zal volhouden dat dat idee van primitief geluk gelieerd aan strakke familiebanden zaligmakend is en overal toepasbaar. Ik ben vooral benieuwd hoe de New Yorkers daarover zullen denken als ze straks naar die gedroomde post overgaat.

Op de tweede plaats van de favorieten van de avond kwam het gebaar dat ze met haar hand maakte toen Jelle haar keuzefilm beschreef en Step zich haastte toe te voegen dat ze die film echt niet meer wou zien: in huize Oud Zeikwijf kregen we daar spontaan de slappe lach van.

Het lachen verging ons met de beelden van de tsunami in Atjeh. Jelle kondigde het aan als een wonder, maar dat de golf haar drie kinderen wegrukte terwijl de moeder bleef leven vonden wij echter getuigen van de brute onontzienendheid van dit aardse leven.  Dat haar man haar spoedig verliet voor een jongere vrouw die hem wel kon voorzien van nieuw broedsel, maakte het geheel nog wranger: dan kun je inderdaad maar beter dood zijn.

Aan het einde van de uitzending hervond ik mezelf weer in haar: ze bleek van dansen te houden, en toonde in haar laatste gekozen fragment een onverwacht ontroerend zachte John Travolta die een paringdans op de dansvloer uitvoerde met zijn bekoorlijke partner. Ik zie een Nederlandse intellectuele haar dit niet gauw nadoen, ongegeneerd je hang naar romantisme etaleren, net zo min als onomwonden ervoor uit te komen in geesten te geloven: nee, daar moet je guts voor hebben. En guts, dát heeft ze, Step Vaessen. Dat staat buiten kijf. Zij is ook nog oogverblindend mooi.

 

Cultuurkiller (17)

Cees vertrok kortstondig in een andere richting, en Albert volgde zo onopvallend mogelijk in diens kielzog. Hij wandelde enkele minuten na Cees de kunstgalerij Piaf Morte Speciale binnen. De Piaf was een galerij die bemand werd door Engelbert Painteur, een pseudoniem van lokale kunstenaar Bert Kwast. Painteur had zich ooit met een tot op heden qua oorsprong onduidelijk bedrag een herenhuis aangeschaft en dat omgetoverd tot ‘kunstgalerij’. In de praktijk betekende dat: een bord boven de deur en alle muren semiwekelijks weer helemaal wit geschilderd.

Hij zwierf onopvallend op zoek naar Cees over de voorstelling Alors, C’est Toujours Les Autres Qui Meurent. Hij herinnerde zich iets over deze voorstelling in zijn krant gelezen te hebben. De kunstenaar had vijftien terraria vol muggen besteld, die door een grote set vrijwilligers werden vrijgelaten, en daarna door diezelfde vrijwilligers laten doodmeppen op de muren. Vervolgens werden alle muggenlijkjes gemarkeerd met het woord ‘dood’ erbij. Het zou wellicht macabere ideeën bij bezoekers moeten oproepen, maar Albert trok zich het lot van de reeds geplette insecten minder aan dan de huidige locatie van Cees. Zijn reportersinstinct kriebelde en dat instinct had doorgaans weinig ongelijk gehad.

Hij vond Cees een paar kamers in het omgebouwde herenhuis verderop. Intensief en in gedachten starend naar een bepaald dicht patroon van muggenlijkjes op de muur. En terwijl Albert zelf belangstelling veinsde voor een toevalling bijzonder onaangeroerd deel van de witte muur, glimpte hij vanuit zijn ooghoeken naar Cees en merkte dat diens aandachtige houding ook maar een pose was. Cees zat met soortgelijke glimpen als de zijne, op andere voorbijgangers te letten. Er leek een verschil tussen te zitten wie: sommige bezoekers van de tentoonstelling leken Cees’ belangstelling amper te verdienen, terwijl hij anderen weer wel uiterst scherp gadesloeg.

Cees dacht ondertussen na over het dwaze van het zoeken naar een moordenaar op een voorstelling vol lijken. Hij had zich, enkele uitzonderingen daar gelaten, niet veel voorgesteld van het aantal mogelijke verdachten op de expositie.  De Kring van Painteur was een vrij brave voor dit stadje. Bevolkt door correct liberaal stemmend, goed katholiek, cultureel beschaafd ondernemersvolk. Hoewel hij altijd vermoedde dat achter de meest braaf ogende burger juist een enorm onverwacht verhaal zal schuilen, had hij zelfs onder zijn grotere verdachten niemand gezien die tot de onderzochtte gruwelijkheid toe in staat was. Hij dronk bedachtzaam zijn glas rode wijn leeg, iedere aanwezige scherp in de gaten houdend.

Blijkbaar was hij daar uiterst slecht in, want hij zag Albert ditmaal absoluut niet. Geen seconde sloeg hij acht op het achteloos onzichtbaar opgestelde personage dat zich inmiddels bijna schuin achter hem had opgesteld. Cees’ ogen speurden in het rond: had iemand het ? Was er maar iemand zo dom om het toevallig bij zich te hebben ?

 

© 2022 KutBinnenlanders.nl

Theme by Anders NorenUp ↑