
Hij was tevreden met zichzelf. Zijn inspanningen leidden er vast toe dat een Hein zich weldra zou aandienen. En zo niet, dan was er nog geen man overboord. ‘Heb je die Hein al gevonden?’ vroeg hij zijn secretaresse. Hij herinnerde zich ooit bijna met een Hein in contact te zijn gekomen. Bij een borrel wilde iemand hem voorstellen aan iemand wiens naam Hein was, maar hij had plotseling last gekregen van een plasaanval en was op een draf richting het toilet vertrokken. Het had ook best Wilhelm kunnen zijn. Otto kende ook geen enkele Wilhelm, maar vond dat niet onoverkomelijk. Wilhelm vond hij maar een moffennaam. Nu had hij wel respect voor de prestaties van de Duitsers in 40-45, maar hun naamkeuzes kon hij niet waarderen. Logistiek en administratief waren het toppers, maar een beetje een snedige voornaam bedenken, zat er niet in bij die krauts. Wilhelm, Jozef, Lothar, Adolf, Sobibor. Het was allemaal niet veel soeps met die Duitse namen. Nee, dan Hein. Een naam uit één stuk. Een naam waar je mee kan thuiskomen. Hij had ook best Hein willen heten. Nee, toch maar niet. Bij nader inzien vond hij het toch niet zo denderend. Hij zou zich inlaten met een of andere kloris die Hein heette!
Moffenhoeren. Die zie je ook steeds minder op straat. Daar moest hij iets mee. ‘Drop die Hein en zoek me een moffenhoer, asap!’


Geef een reactie