Bettina deGraete was geen sieraad voor haar achternaam. Honderdzevenentachtig kilogrammen schoon aan de haak verborgen haar ‘graete’ diep in haar lichaam. Haar man, de visboer, had dat uit pure beroepsmisvorming prachtig gevonden en vond dat nog. Potje, dekseltje.

Haar Fifi lag met eeuwig droevig kijkende oogjes op haar schoot. Pootjes ingezwachteld. Reuma. Dat onvoorspelbare weer ook deze zomer, dan weer koud, dan weer warm. Fifi constateerde met verbazing dat de bazin alreeds enkele wandelrondes oversloeg en vond dat vooralsnog prima zo. Ze likte zachtjes haar zwachtels. Haar pootjes kriebelden een beetje eronder.

Bettina was de zelfverklaarde ogen en het geweten van de stad. Niets ontsnapte normaal gezien aan haar haviksoog. Haar credo was dat alles wat de krant niet haalde, van uiterst belang moest zijn. De krant, pfff, dat ze dat vod nog een krant durfden te noemen. Haar maakten ze niets wijs. De meeste redacteuren daar dienden vooral de belangen van de adverteerders en de gevestigde politici. Hoeveel er in de kaders van de lokale krant niet gespindokterd en gedoofpot werd, u moest eens weten, zei Bettina altijd. Daarom was zij een beetje haar eigen krant. Zonder drukpers. Op de ouderwetse manier, met van mond tot mond informatie. Vooral van haar eigen mond, die ondanks alle beweging toch een driedubbele onderkin tooide.

Fifi blafte. Bettina keek meteen scherp het raam uit. Daar kwam Cees aangelopen, de stadsdichter. Of was hij nu de muziekmakelaar ? Of de cultuurburgemeester ? Het was altijd een beetje lastig te volgen wat Cees nu weer was, vond ze. Het werd wel altijd groots aangekondigd maar dan hoorde je vervolgens eigenlijk niet veel meer. En dan was hij ineens weer iets anders. Hou het maar eens bij. Zelfs Bettina had er moeite mee.

Vandaag stond haar kop daar echter helemaal niet naar. Ze bleef maar het gruwelijke schouwspel voor ogen zien. Die arme man, temidden van al dat bloed. En… ze gruwelde, probeerde maar opnieuw en opnieuw het beeld van haar af te schudden. De deurbel rinkelde. Bettina schrok en Fifi sprongviel onhandig van haar schoot. Pijnlijk met haar pootjes trekkend dribbelde ze naar de voordeur. De vrouwe des huizes was minder happig en bleef in haar stoel zitten. Na vanochtend had ze, geheel tegen haar natuur in, even niet meer zo’n zin in gezelschap. De deurbel rinkelde een tweede maal, iets langer. Behoedzaam liep ze haar hond achterna naar de voordeur.

 
René van Densen
René van Densen
René van Densen (1978) is een cynische dromer, een lachende pessimist, een realistische romanticus, een honklosse kluizenaar, een intelligente mafkees, een bedachtzame schreeuwer, een podiumschuwe polderpoëet, ex-nachtburgemeester van Tilburg, ex-striptekenaar, ex-schrijver, ex-webdeveloper, ex-vuilnisman, ex-kind en ex-volwassene, ex-burger, en kattenpapa van een Gentse terror kitten. Eerste Nederbelg die toetrad tot de Wolven van La Mancha. Maar is uiteindelijk niet zo van de collectieven. U treft hem uitsluitend in vrouwonvriendelijke omgevingen aan, en die nieuwe roman van hem komt ook nooit af. Werd al eens omschreven als "onbegonnen werk" door een prachtige blondine.

www.renevandensen.nl
Meer René op Facebook !