KutBinnenlanders.nl

Maand: december 2011 (Page 1 of 8)

De Geboorte van Oud Zeikwijf

Het is bitter koud deze winter van ’63-’64 hoog in de Alpen. “La bise” blaast onophoudelijk haar noordelijke adem over de bibberende bewoners van het plateau. Sneeuw is metershoog gevallen, reeds in november. Sinds Allerheiligen vriest het dat het kraakt. Je weet: de dooi zal met Pasen komen.

.

De mijnwerkers stappen halverwege de nacht nuchter en frisgewassen de naoorlogse bus in die bij het station staat te ronken. Zijn geur van roetig diesel kruipt over het besneeuwde wegdek, waar de sneeuw platgewalst is en bezaaid met kolengruis, bij wijze van zout. Ze gaan de schachten in, diep in de ingewanden van de bergen. Vanmiddag zal de mijn ze weer uitbraken, zwartgeblakerd, hongerig en dorstig. Na een wasbeurt en een flinke maaltijd zullen zij zich naar het café begeven; het café van mijn vriendins oma of dat van haar overgrootmoeder, of één van de andere drankhuizen die een hele zijde van de hoofdstraat sieren.

 

Het is de laatste dag van het jaar.

 

Het sneeuwt zachtjes met grote vlokken. Een vrouw staat in de winkel van mijn oma te werken, die naar de Riviera is voor de feestdagen. Zij is hoogzwanger. In februari zal ik geboren worden, ik, haar eerste kind. Mijn vader en zij hopen op een jongen. Zij zijn allebei half Italiaans, daarom. Geëmigreerde Italianen waren in die tijd de Marokkanen van nu. Vol ouderwetse melancholie die in Italië zelf al lang plaats had gemaakt voor modernisme. Niet dat mijn oma’s, de Italianen van mijn familie, zo waren, nee, zíj hadden juist een open geest. Maar mijn vader vooral, met mijn moeder als slaafse volgelinge, had het machodom in zijn kop en beriep zich om de haverklap op regels uit het land van oorsprong uit langvervlogen tijden .

 

’s Avonds keert de vrouw huiswaarts, naar een kleine, donkere woning aan de top van een steile steeg in het Middeleeuwse centrum van de stad . Het lopen gaat haar moeilijk af: de steeg is bedekt met een laag ijs, ze moet zich met beide handen aan de grote stenen van de eeuwenoude muren vasthouden. Nu boodschappentassen haar gang belemmeren is dat nog erger. Zij bereikt het huisje, en laat zich vallen op een houten stoel.

 

Mijn vader is nog lang niet de JR van de streek. Zoals velen in de bergen heeft hij ’s zomers zijn baan en geeft hij in de winter skilessen aan toeristen. De sneeuw is die dag ook hoog op de berg gevallen, wat zijn lessen bemoeilijkt heeft. Toeristen komen voor een stralende zon in een blauwe hemel op maagdelijk witte sneeuw. De weg beneden naar huis is gevaarlijk: hoe moe hij ook is, hij moet zijn aandacht er flink bij houden, verblind als hij wordt door de fletse witte stippen die zich op de ruit van de deux-chevaux blijven storten, tussen elke veeg van de wissers. Het is al lang donker als hij beneden de steeg parkeert, en naar boven loopt.

 

Bij het binnen komen werpt zijn vrouw zich om zijn hals – ze zijn nog vreselijk verliefd, en ze is ook zo blij dat het eindelijk gelukt is, na vier jaar vruchteloze pogingen doorspekt met miskramen, om in verwachting te geraken. De tafel is feestelijk gedekt. Met een stoffen kleed, kaarsen en champagne, echte, geen Clairette van de dichtbijgelegen Die, oesters, langoustines en iets verrukkelijks en zoets toe. De twee jonkies laten het zich lekker smaken. Mijn moeder drinkt zelfs een paar glaasjes – in die verre jaren ’60 in Frankrijk wordt dat nog niet als een grote zonde gezien. Ze wachten tot middernacht, geven elkaar een nieuwjaarskus, en laten zich te bed.

 

De sneeuw is steeds harder gaan vallen: nu is het een storm. Met angstaanjagend gegil jaagt het in grote turbulenties tussen de huizenrijen, waar de ramen op dit late tijdstip nog verlicht zijn. Halverwege de nacht is er geen doorkomen meer aan: terugkerende voetgangers die de réveillon uithuizig hebben gevierd zakken erin weg tot hun knieën, auto’s worden ter plekke achtergelaten om daags later te worden opgehaald, wanneer de sneeuwschuiver na de feestelijkheden is gekomen. Mijn ouders liggen zij aan zij in bed. Mijn moeder kan de slaap niet vatten. Ze heeft pijn. Ze maakt mijn vader wakker: “Breng me naar het ziekenhuis, het kind komt eraan.” “Welnee” antwoordt mijn vader, dronken van slaap en spijzen “Het kind komt pas in februari. Je hebt gewoon teveel gegeten.”, draait zich om en valt weer in de diepe slaap van de lijfelijk voldaan. Mijn moeder is immers jong en onervaren. Wat weet zij van barensnood en weeënpijn? Maar de pijn blijft komen, steeds heviger. Ze belt de vroedvrouw, die haar terechtwijst. Zij heeft haar van de week onderzocht en verwacht geen noemenswaardige toestanden voor minstens een maand. Bovendien is ook zij gaan stappen, en aan een welverdiende rust toe. Na een uur aarzeling staat de jonge vrouw op en vangt de lange weg naar het ziekenhuis te voet aan.

 

Kilometers heeft ze gelopen, in de nacht, in de sneeuwstorm. Bij elke stap zakt ze diep in het witte spul, dat zich in regelrechte muren aan weerszijde van de rijweg ophoudt, de afgelopen weken steeds opnieuw opgehoopt door de schuivers. Om de zoveel stappen moet zij halten. Dan grijpt ze naar haar rug en wacht tot de golf van pijn voorbij is. Urenlang heeft ze zich een weg door de sneeuw gebaand. Onvoorstelbaar wat voor een kracht je kreeg, op zo’n cruciaal moment. Alsof je lijf wist: het is erop of eronder. Alsof jij er niet meer toe deed, als vrouw. Het wezen in jou was natuurs prioriteit. Wanneer zij de poort van het gasthuis ontwart is de storm gaan liggen. Zij steekt het binnenplein over en beklimt de brede stenen trap. Halverwege zakt ze in elkaar. Met een rauwe schreeuw probeert zij nog de deur te bereiken. Paniek grijpt haar, maar ook al snel overgave. Er is niets meer aan te doen, het kind komt eraan.

 

De zon komt net boven de horizon, op deze eerste dag van het jaar 1964, als ik het levenslicht zie, op de besneeuwde trap van het ziekenhuis.

 

De zware deuren zwaaien open. Twee zusters rennen naar haar toe. Zij wordt naar binnen gedragen. Het klompje mens dat ik ben, amper drie pond, is onaf en moet acuut in de couveuse, die ze niet hebben in dit kleine ziekenhuisje hoog in de bergen. De taxichauffeur tevens ambulancebroeder die zijn Oud & Nieuwroes ligt uit te slapen wordt wakker gemaakt doch weigert pertinent: de wegen zijn onbegaanbaar – hij zou niet eens de parkeerplaats uitkomen, laat staan de spekgladde helling à 12,5% die naar de grote stad leidt. Er is consternatie, maar de zorg om mijn moeder neemt algauw de overhand – ik zal het toch niet halen. Terwijl zij in een schoon bed wordt gehesen worden uit alle hoeken van het gasthuis kruiken aangedragen. Ze worden in mijn wiegje gepropt. Ondertussen is mijn vader hijgend aangekomen, vol verwachting en spijt, en heeft zich bij de kersverse moeder gevoegd.

 

Tot ieders verbazing bleef ik leven. Ik barstte van honger en levenslust, en heb me een weg naar volgroeiïng gezogen. Op dat moment was een vrouw verderop in de hoofdstraat zwanger van wie mijn grootste makker zou worden. Zij is nu dood, en ik leef nog.

 

Hofnar van de ondergang (19)

Alain schraapte zijn keel. “De technologie is het punt niet. Alles loopt via de generieke betaalsystemen en de communicatie van zo’n concept is met alle social media van vandaag de dag poepsimpel geworden. Het enige probleem,” hij wierp een scherpe blik in Diederik’s ogen, “is de inzet van meneer hier. Als hij niet geloofwaardig suicidaal over kan komen, zitten we een hoop investering het afvoerputje in te gieten.”

Diederiks nek kriebelde. Alain had een nare stem. Ballerig, schraperig, als een ingevette bulldozer die over gewapend beton krast. Meneer hier, het zei genoeg. Met koude krokodillenogen staarde Alain hem aan. Diederik voelde het verzet in zich terug opborrelen. “Maak je over mij maar geen zorgen, “ gromde hij naar Alain, “ik word dagelijks met teveel gribus als jij geconfronteerd om dat te willen prolongeren.” Alain knipperde even met zijn ogen en grinnikte toen. Een tikje metalig, wederom. “Oké. Ik moest er even zeker van zijn.”

Stan stootte Alain hard aan. “Diederik is écht met deze shit bezig, Alain. We zullen eerder hem moeten tegenhouden écht een einde aan zijn leven te breien, zodat –“ en ook hij wierp een scherpe blik naar Diederik, “we geld kunnen blijven verdienen. Dood hebben we niks aan je, kerel.”

Diederik knikte maar wat. “Ja, whatever. Dus wat is het plan ?” Stan glimlachte. “Simpel. We nemen binnenkort een videootje met je op waarin je zo authentiek mogelijk vertelt dat je genoeg van het leven hebt. Dat je het leven zoals het nu gaat, beu bent, de wereld zoals die bladiebladiebla. En dat je daarom eruit wil stappen, maar dat je de mensheid de kans wil gunnen te bepalen hoé. Dus kom met je ultieme zelfmoordfantasie en bied erop, het idee van de hoogste bieder zal worden uitgeprobeerd enzovoorts. En dan filmen we iedere week een poging waar mensen het hoogst op geboden hebben, maar natuurlijk faken we het wel zo overtuigend mogelijk. En dan mislukt het en krijgt men een kans om je een ander idee uit te laten voeren, de week erop.”

Alain wierp zijn nekveljeukerige stemgeluid er nogmaals tussen. “Ik vind dit trouwens echt een mieters idee. Dat dat even gezegd mag worden. Hoe kom je erop ?” Diederik zag dat de vraag retorisch was en haalde maar zijn schouders op. Het was Stan’s idee maar hij gunde Stan de eer niet.

Stan stak zijn hand uit. “Is dat afgesproken zo ? Dan kunnen we dit weekend al beginnen met het filmpje. Zetten Alain en ik ondertussen de site verder helemaal klaar voor de go-live.” Diederik schudde onenthousiast Stan’s hand. “Prima. Laat maar weten waar en wanneer ik moet komen opdagen.” Stan was al opgestaan en had zijn sjaal al rond zijn hals geslagen. Alain stond houterig kalm overeind. Hij had zijn jas niet uitgedaan. “Doe ik, jongen. Spreek je !” En met een zeurderig piepen van de cafédeur waren ze weer de nachtlucht in vertrokken.

Diederik bleef nog even naar zijn lege glas staren. Toen sleepte hij zich terug naar de bar. Hij bedacht zich dat hij geen zin meer had in bier. Hij kon wel wat sterkers gebruiken. Met een opgestoken vinger wenkte hij de barman en vroeg om een dubbele whisky. Nee, geen ijs. Hij staarde naar het bierviltje voor hem op de bar.

Pas nu viel hem op dat de schoenen van de oude man niet meer piepten. Een snelle blik opzij leerde hem dat de man inmiddels ook vertrokken was. Enkel hij, de barman en de van een gesprek verstoken vrouw bevonden zich in de bar. De vrouw zat bedachtzaam naar haar sinaasappelkleurige drankje te staren dat ze rondklokte in haar glas.

Diederik’s whisky werd voor zijn neus neergezet en hij rekende af. Even later zat ook hij maar wat naar zijn drankje te staren en er mee rond te tollen. Met af en toe een stevige slok zijn keel in tussendoor. De barman poetste zijn glazen. Er was geen DJ vanavond, enkel een tweetal platen die op repeat stonden.

 

Dat is het leven (71)

Alle gage straffen gingen naar de Prins 2866 Hendrikstichting.

En even daarna zat Huub weer in de kroeg.Later toen we weer op zee zaten heeft de Kapitein die 3 dagen omgezet in 10 dagen gage straf omdat hij weer van boord was gegaan.

Maar Huub gaf daar allemaal niet zo veel om.hij wist dat het bedrag van gage straf naar de PrinsHendrik Stichting ging.

Daar kwam dat geld dan ten goede aan arme en hulp behoeftige zeelui.Huub zei altijd als ik later in dat tehuis terecht kom heb ik al een gedeelte van mijn kosten voor verzorging betaald in de vorm van gage straffen.Van Genua voeren we naar Turkeye .Daar was weer minder te beleven want die Moselims mochten geen alcohol drinken dus kon je in die tijd nergens aan de wal flink stappen of uitgaan.Ik was op een middag vrij en ging met de wasbaas even toch maar de wal op om te zien of er iets te beleven was.We kwamen na enige tijd in een soort Theetuin terecht.

Daar kon je stiekum alcohol een soort jenever kopen en dat werd dan in een thee kopje geserveerd zo dat als er politie langs kwam deze in de veronderstelling waren dat je thee zat te drinken.Ik dronk tegen mijn gewoonten in ook enkele van die drankjes uit een theekopje.De wasbaas had na een stuk of 10 borrels al snel de hoogte te pakken en begon te zingen iets wat de obers daar en het publiek met applaus begroete.Er trad echter ook een buikdanseres op in die theetuin.En op een gegeven moment staat mijn vriend de wasbaas op en zegt ik ga met dat mokkel dansen.

 

Hofnar van de ondergang (18)

Toen Stan eindelijk het café binnenliep – ongeveer achtendertig krakende piepjes van de gymschoenen aan de bar te laat – was hij niet alleen. Hij stelde, terwijl hij wat sneeuw uit zijn haren schudde, zijn gezelschap voor als Alain. Alain schudde Diederik’s hand en ging aan tafel zitten. Stan vouwde eerst zorgvuldg zijn jas en zijn dure sjaal op. Toen ging hij ook zitten. Diederik keek verwonderd naar Alain, met een scheve blik naar Stan. Die haalde lachend zijn schouders op.

“Alain is een vriend van me, die een expert is in webdingen. Bouwen, beheren, betaalconstructies, hij weet alles van dit soort gekke dingen af. Ik dacht, als we toch concreet gaan praten over ons idee, moet ik ‘m misschien maar even meenemen.”

Alain was een lange magere jongen. Een keurige middenscheiding in zijn onberispelijke haar, borstelige wenkbrauwen, een aanstellerig snorretje. Zijn ogen staarden Diederik door een duur brilmontuur arrogant aan. Op zijn overhemd preek een klein logootje dat Diederik niet kon thuisbrengen behalve dat hij wist dat het van een of ander duur merk was. Aan de arm van Alain hing een reusachtig digitaal horloge met acht verschillende drukknopjes. Even bleven Diederik’s ogen gefixeerd op de vingernagels. Perfect gemanicuurd. Hij mocht Alain nu al niet.

Onvrijwillig staarde Diederik daarop naar zijn eigen nagels. Lang. Kartelig. Vieze zwarte randen bij de nagelriemen. Lichte kalkvlekken. Van zenuwen knaagbeschaduwde huid rondom zijn vingers. De vingertoppen van iemand die zichzelf stiekem stevig aan het verwaarlozen begint te gaan. En dat terwijl zijn moeder hem nog zo netjes opgevoed had. Zijn moeder ! Dat deed hem aan iets denken dat hij niet mocht vergeten. Hij maakte stilletjes een mentale notitie terwijl Stan van de toog terugkeerde met twee glazen cognac. Hij keek even Diederik aan. “Wou jij ook nog iets ?”

Diederik haalde zijn schouders op. Alle zelfverzekerdheid die hij in zijn middagwoede had gevoeld was allang in zijn woelige stormgedachten verzwolgen. De restjes waren weggeschrompeld onder de afkeurende blik van dit opgepoetste jongmens dat zijn vriend meegebracht had. Nee, Diederik mocht Alain absoluut niet. Maar Stan wist vaak wel de juiste mensen te vinden die hij voor iets nodig had. Zijn grootste talent, naast een onbeschaamde hufter zijn. In een korte flits vroeg Diederik zich af waarom hij eigenlijk ooit vrienden met Stan geworden was, maar dat deed er niet meer toe. Stan was nu zijn instrument in de Ondergang geworden. En blijkbaar deze Alain ook.

Stan schraapte zijn keel. “Nou ja, goed. Je wou praten over onze grote Zelfmoordzwendel ?” Alain nipte van zijn cognac en zei niets. Diederik knikte. “Mag ik daaruit opmaken dat je het niet zo’n gek idee meer vindt ?” Diederik knikte maar weer. “Mooi. Dan,” en Stan grabbelde een opgevouwen vel papier uit zijn borstzak, “heb ik hier de opzet van de website die ik alvast heb laten ontwerpen door Alain hier. Hij moet nog gebouwd worden, maar de URL hebben we al. Ik dacht namelijk wel dat je alsnog om zou slaan.”

Diederik staarde naar de opengevouwen uitprint van een wanstaltig kleurige website met een oude foto van zijn gezicht erop. “DIEDERIKWILDOOD.NL” stond er naast. Met een heleboel uitroeptekens. Er stond wat onleesbaar latijn onder en een grote rode “Bied nu !” knop naast. Met een icoontje van een winkelwagentje erin. Hij knipperde even met zijn ogen en dronk zijn laatste slok bier weg.

 

Bananarama Consultancy // Karpers

 
Otto steekt een krauwende hand uit naar de man. Hij grijpt hem krachtig bij zijn schouder en roept heel hard: “Ook ik eet graag karpers. Ook ik houdt van diamanten en matzes. Ik houd de kaas en worst altijd strikt gescheiden, meneer. Daar maak ik geen grappen mee! O nee. Geen kaas op zondag. Behalve op koopzondagen. Zo ben ik! Ook heb ik een kandelaar met bijna zeven armen en fluit naar de maan. Mij hoofd is gevormd voor zo’n gek zwart petje. Ik wil pijpenkrullen! En als ik een muur zie, kan ik niet anders dan even klagen. Ik voel mij verbonden met U! Ja U! Laat me U omhelzen! Broeder! Mede-jood! Collega! Ik houd van Uw neus! Vertel me hoe ik ook een jood wordt! U moet! Ik smacht ernaar, al jaren. U moet eens weten hoe zwaar het is, niet als officieel erkend jood door het leven te kunnen gaan maar wel als een van de allerbeste presidentdirecteuren op de aardplaneet! Loodzwaar en helemaal niet gemakkelijk! Kent u niet een lief jodinnetje voor me? Ah toe?!”

 

mopjes

Lowy de zeeman was er inderdaad al op zeer jeugdige  leeftijd  bij.

Tijdens een van mijn verlofdagen in mijn zeemans loopbaan leerde ik een griet in de Weebosch vlak bij Bergeijk kennen.Die meid wilde al na 14 dagen met me trouwen.Ik had daar niet veel zin in beloofde haar dat ik het haar binnen 3 weken zou mededelen of ik met haar in het huwelijksbootje zou stappen of niet.Na enkele dagen begon mijn edele deel zijn hormonen zich te roeren dus ik wilde wel eens wat.Dus ik vroeg haar beleefd of ze met mij de liefde wilde bdrijven maar ze zei nee hier op dat dorp mag dat pas in de huwelijksnacht en niet eerder.Ik bleef maar aandringen maar nee ik mocht haar natte gleuf niet beroeren.Toen zei ik haar oke ik respecteer je gevoelens maar gun me dan in iedergeval dat ik eens onder je rok er naar mag kijken of even ruiken.Nu dat vond ze goed ze tilde haar rok op broekje ging omlaag .wat ik toen zag en rook deed mij de opmerking maken NOU NOU ALS DAT NOG MAAR 3 WEKEN GOED BLIJFT

 

New Kids doen merchandise middelvingertje

Als Brabander kijk ik geamuseerd maar ook met ietwat lede ogen naar het grote succes van de New Kids. In het hoge Noorden, in België, in Duitsland, en langzaamaan de hele wereld over komen deze stereotype aso’s volle bioscoopzalen trekken. Met lede ogen, schreef ik, omdat ook ik uit dorpen kom waar zulke gasten dagelijkse kost waren. Inclusief het door buitenstaanders zo grappig bevonden accent en de lompe botheid. Nou zal er wel een forse herkenbaarheid in zitten die ver buiten Brabant reikt, anders was het niet zo’n succes, maar toch. Dat je zo’n succes kunt maken van zoiets lomps roept lichte plaatsvervangende schaamte op. Daar staat tegenover dat ‘de jongens’ wel even zo botte merchandise eruit smijten.

Recent keek ik eens wat afleveringen van Zeg ‘ns Aaa van een verzamel-dvd die ik, vermoedelijk in België, ergens voor de grap gekocht had. En licht geschokt zag ik hoe in een hoogtijden-aflevering (we schrijven 1984) de stijve en keurige moeder van dokter Van de Ploeg op een feestje een jointje zit te proberen. Dat kon gewoon. Half Nederland zat met maaltijd op de schoot – dat begon rond die tijd op te komen – voor de televisie te kijken hoe dit de normaalste zaak van de wereld was. Een blowende bejaarde op TV, het was nog geen grapje waardig, het was praktisch achtergrond.

Anno 2011 ligt het allemaal wel wat anders. Roken mag men amper meer in speelfilms of in prime time televisie, en voor zoiets ‘ergs’ als een jointje moet je al snel bij BNN zijn. Kan en mag allemaal niet meer. We willen het niet zien, of men denkt dat we het niet willen zien, weet ik het. Behalve als een stel aso’s op het grote scherm het doen. Dan kan het wel, jonguh. Als zodanig wordt er geblowd, geslikt, gekweekt, gedeald en ga maar door in New Kids Turbo en Nitro. En de slimme makers stoppen daar niet. Want als je een filmsuccesje hebt, moet je ook wat eraan kunnen verdienen, al is het maar om weer een volgende fimmul te kunnen schieten. Dat verdien je niet enkel op dat loeidure bioscoopkaartje en de thuisafspeelversie terug, maar natuurlijk ook op de merchandise. Dus zijn er uiteraard de obligate T-shirts, posters, soundtrack-cd’s en zelfs pokerkaartjes, maar óók – en we hebben het hier over de enige film momenteel die daarmee weg kan komen dus – lange vloei en tips om joints mee te rollen. Asbakken, aanstekers, en zelfs grinders. Ik had geen idee wat grinders waren, maar die gebruik je blijkbaar voor het vermalen van wiet. Weet ik dat ook weer.

En daar zijn ze wel stoer bezig eigenlijk. Want als je toch doodleuk zulk spul het land in kunt smijten in tijden waar coffeeshops massaal de deuren moeten sluiten en/of hun klanten een wietpas moeten aansmeren, rokers in grote getale overal buiten staan te blauwbekken, en accijnzen en zorgpremies maar omhoog gegooid worden, dan ben je best stoer. Dan doe je eigenlijk keihard even een middelvinger naar Den Haag. Zo van, wie doet ons wat. Wij brengen New Kids grinders uit, nou en, kut. Verrekte kutambtenaren.

Dan zeg zelfs ik: Bam. Zo doededat, jonguh. Recht voor z’n bakkes.

 
« Older posts

© 2022 KutBinnenlanders.nl

Theme by Anders NorenUp ↑