Glimmend van trots keek hij de volle feesttent in. De camera’s flitsten. Het grootse literaire evenement was wederom erin geslaagd vrijwel de hele culturele karnlaag van de stad bijeen te brengen. Het was dan ook de lustrumeditie van het SchrijversCarnaval.
Een oorspronkelijk klein begonnen maar invloedrijk gegroeid festival. Waarin verscheidene boude klanken tegen landelijke en lokale politieke ontwikkelingen gehoor gegeven werden. Weliswaar in boerenkiel en met confetti, maar toch werd het geluid van dit festival scherper en scherper.

En daar stond hij – Cees, debuterend Cultuurkiller. Zijn kersverse titel in ontvangst te nemen. De oorkonde van Stedelijk Carnavalsdichter.
Het had wat gekonkel gekost, maar hij had zijn eerste titel binnen. De hele tent applaudiseerde en Cees knipperde tegen de flitslichten in.

Nu was het moment. Na hem kwam de eerste Carnavalsdichter, Jan Vijver. Een dissident met bulderstem, die in het platte lokale accent en met veel bourgondische schwung maar al te graag de vinger op meerdere zere plekken legde.

De opdracht had in duidelijk getypte letters gesproken: haal de wind uit de zeilen van Jan Vijver.

Cees schraapte zijn keel in de microfoon. Liet een geoefende pauze van bijna een minuut vallen, gecamoufleerd door het bladeren in zijn aan elkaar geniette papieren. Hij rechtte zijn rug. Glimlachtte breed de zaal in. In zijn hoofd telde hij de seconden – 74, 75, 76. De aanwezigen zouden nu al een licht ongeduld moeten voelen.

“Dankuwel, voorzitter, voor deze grote eer,” sprak hij opzettelijk pedant. “Carnavalsdichter, van deze mooie stad dan nog wel.” Hij stapelde dooddoener op dooddoener. “Ik kan niet anders dan diep buigen om de grote, grote onderscheiding die deze titel inhoudt en zal dan ook mijn uiterste best doen deze hulde waardig te blijken.” Hij sprak voort, een toespraak van bijna vijf minuten. Het publiek begon glazig te kijken (op Karsten na, die weer eens ergens achterin de zaal luid dronken een schoenlepelsonnet declameerde).

Na de slotzin van zijn bedankspeech – extra doorspekt met niksigheid – liet hij een stilte vallen zonder signaal te geven dat hij klaar was. Hij keek trots de zaal in, inwendig enkel denkend: “Ik héb jullie.” Hij was nog jong, en in vorm.

Aarzelend begon iemand te klappen. Het was Ewald Poulet. Meteen begonnen leden van zijn kring mee te applaudiseren, waarop de overige aanwezigen inhaakten. Cees spiekte vluchtig op de secondewijzer van zijn prachtige horloge. Net voor het applaus goed kon aanzwellen, sprak Cees ferm in de microfoon: “Ik heb” – klemtoon, pauze – “speciaal voor deze gelegenheid een gedicht geschreven.”

Het applaus verstomde en gezichten begonnen donker te staan. Cees’ eerste cultuurkill was een daverend succes aan het worden.

René van Densen
René van Densen
René van Densen (1978) is een cynische dromer, een lachende pessimist, een realistische romanticus, een honklosse kluizenaar, een intelligente mafkees, een bedachtzame schreeuwer, een podiumschuwe polderpoëet, ex-nachtburgemeester van Tilburg, ex-striptekenaar, ex-schrijver, ex-webdeveloper, ex-vuilnisman, ex-kind en ex-volwassene, ex-burger, en ex-kattenpapa van een Gentse ex-terror kitten. Eerste Nederbelg die toetrad tot de Wolven van La Mancha. Maar is uiteindelijk niet zo van de collectieven. U treft hem uitsluitend in vrouwonvriendelijke omgevingen aan, en die nieuwe roman van hem komt ook nooit af. Werd al eens omschreven als "onbegonnen werk" door een prachtige blondine.

www.renevandensen.nl
Meer René op Facebook !