Diederik leunde achteruit in zijn bureaustoel. Hij was, na een tijdje afwezigheid, toch maar naar zijn werk teruggegaan. Het spectaculair beëindigen van je leven, zo schatte hij in, stond of viel bij het element van verrassing. En als je ineens buitengewoon gedrag gaat vertonen, zoals langdurige arbeidsafwezigheid, gaan mensen toch snuffelen wat er met je aan de hand kan zijn. Bemoeineuzen kon hij missen als kiespijn. Nee, zijn doel zou hij maar moeilijk kunnen bereiken met pottekijkers erbij. Dus had hij zich netjes geschoren, gekamd en gekleed en was hij braaf terug naar zijn werkplek gekeerd.

Niet dat hij daar de hele dag iets deed, maar hij was er. Zorgvuldig poogde hij alle werk te ontlopen. Door het op het bord van collega’s te schuiven met geveinsde drukte. Door lastige vragen terug te mailen. Door vol overtuiging te melden dat bepaalde taken niet nodig waren of allang verricht. Het kon op langere termijn enkel een hele zooi ellende opleveren, voor hem én voor het bedrijf, maar voor de korte termijn volstond deze aanpak prima. En zo zat hij stiekem de hele dag door werk van zich af te schuiven en ondertussen te googlen naar ideeën voor het einde van zijn wereld.

Een collega verderop had altijd een transistorradiootje aan staan. Te hard. Maar aangezien iedereen zich primair met zijn of haar eigen beeldscherm bemoeide en weinigen meer dan boe of bah tegen elkaar durfden te zeggen, liet iedereen de radio maar voor wat het kreng was.

Het paringsdansgehalte van de radioplaatjes was hoog deze werkdag. Onwillekeurig vroeg Diederik zich af of dat een achterliggend doel had. Moest hij als man tot uitgaanslevenconsumptie geïndoctrineerd worden ? Zijn kop stond er alleszins volstrekt niet naar. Ook niet naar wat op zijn beeldscherm prijkte. Om de schijn van hardwerkende employee op te houden had hij het logo van zijn bedrijf groot op het scherm staan. Alsof hij ermee bezig was.

Het was een lelijk logo. Een uitgesneden sylhouet van een klimmende man op een regenboogkleurige ladder. Het zou vast iets positiefs moeten uitstralen. Maar het zag er knullig en lelijk uit. Bovendien, dacht Diederik – op kantoor had hij zijn nieuwe gewoonte om zijn overpeinzingen onbekommerd hardop te vocaliseren, tijdelijk weer afgeleerd – dat hele klimmen was niet noodzakelijk iets positiefs. Het was lineair en ging uit van een bizar axioma dat het beneden ‘slecht’ was en ‘boven’ goed. En dat er zelfstandig een pad in de gewenstere richting ingeslagen zou kunnen worden. Diederik durfde het hele plaatje hartgrondig te betwijfelen.

Hij had zijn muis te lang niet bewogen. Een screensaver sprong aan. Met een geanimeerde versie van het regenboogklimmannetje. Diederik sloeg geïrriteerd een toets aan en het stilstaande logo keerde terug. Het was beter dan het bewegende alternatief.

 
René van Densen
René van Densen
René van Densen (1978) is een cynische dromer, een lachende pessimist, een realistische romanticus, een honklosse kluizenaar, een intelligente mafkees, een bedachtzame schreeuwer, een podiumschuwe polderpoëet, ex-nachtburgemeester van Tilburg, ex-striptekenaar, ex-schrijver, ex-webdeveloper, ex-vuilnisman, ex-kind en ex-volwassene, ex-burger, en kattenpapa van een Gentse terror kitten. Eerste Nederbelg die toetrad tot de Wolven van La Mancha. Maar is uiteindelijk niet zo van de collectieven. U treft hem uitsluitend in vrouwonvriendelijke omgevingen aan, en die nieuwe roman van hem komt ook nooit af. Werd al eens omschreven als "onbegonnen werk" door een prachtige blondine.

www.renevandensen.nl
Meer René op Facebook !