Hij had haar diep in haar angstige ogen gekeken.
Hij stapte monter op de stoeptegels.
Hij had haar angstzweet geroken.
Stap, stap, stap, stap.
Hij had haar goed de waarheid gezegd. Dat de dood van haar vader diens eigen rotschuld was. De lafaard. Een beetje échte schrijver, échte kunstenaar, échte opinielijder, drukt zijn mening door of mensen luisteren of niet. Die laat zich niet ontmoedigen door de technieken van een Cultuurkiller. Die hervat zichzelf en gaat er opnieuw tegenaan.
Zijn hielen klakten zachtjes op het steen.
Haar vader, zo had hij gesproken terwijl het mes bijna hypnotische lijnen over haar lijf had getrokken, was een slappe dweil geweest. Uit het leven stappen omdat je publiek even wat minder luistert, het was een karakterloze zwakkeling gebleken.
Klak, klak, klak, klak.
En jij, Biancaatje, had Cees gesproken. Jij bent geen haar beter. Toegegeven, je had me even op de kast met alle geheimzinnigheid en die reeks plotse moorden rondom mij. Maar ook jij bent maar slappe hap. Geen waardige tegenstander. Want ik ben Cees.
De veters van zijn schoenen zwiepten bij iedere stap een vrolijk cirkeltje.
Het mes had zich plots, snel en met opvallend gemak haar borst in geboord. Hij sloeg er geen acht op en bleef haar ijskoud in de ogen aankijken terwijl het licht in de hare doofde.
Stap, klak, zwiep. Stap, klak, zwiep.
De Cultuurkiller.
Met soepele huppen bezwoer hij de trap.

Albert spitste gespannen zijn oren. De gedaante was moeilijk zichtbaar, was tussen de silhouetten van de kasten bijna niet te zien. Hij hoorde een zacht slijpend metalig geluid. Het piepte stilletjes. Even klopte zijn hart in zijn keel. Hij had geen idee wat de indringer aan het doen was, maar ineens schoot hem door het hoofd dat deze hem misschien toch gezien had, op een of andere manier. Zijn vuist klemde zich nog wat steviger om de kleine plastic zaklamp. Naar de deur glippen leek hem geen optie meer, de duistere schim was niet langer aan het rondstommelen in de kamer. Iedere kleine beweging die hij nu zou maken, ieder zacht geluid, zou hem verraden. Hij ademde zo stil mogelijk, angstig en oppervlakkig. Hij vroeg zich af wie van zijn collega’s over hem zou schrijven mocht hij hier nu sterven.

Neuriënd liep Cees over zijn balustrade. Wat een prachtige nacht was het aan het worden. Een frisse, koele nachtlucht streelde zijn wangen. Hij passeerde het huis van zijn voormalige buurman. Politielinten en gebarricadeerd raam. Grinnikend vroeg hij zich af of de schoenlepels van Karsten als bewijs waren opgeslagen. Stel je voor, duizenden van die dwaze schoenlepels, ergens in een bewijsmateriaalkast. Ieder van die glimmende hielenlichters had minstens één gedicht geïnspireerd.

Schuldgevoel over de moord op Karsten had hij niet meer. De wereld was verlost van die vreselijke schoenlepelpoëzie. En de moord op Bianca was veel makkelijker gegaan dan dat geklungel bij Karsten. Misschien kon hij nu wel ergens aan de bak als ‘echte’ killer. Ervaring had hij alvast. Zou hij een CV moeten opstellen ? Naar wie stuur je zoiets ? Cees grijnste breed om zijn dwaze breinspinsels. Er zat een opgeluchtte vering in zijn voetstappen.

In gedachten liep hij nog even de zojuist verlaten moordlocatie over. Hij was zorgvuldig geweest, nog zorgvuldiger dan bij Karsten. Ja, hij had beslist talent. Geen chinese tekens dit keer. Hij had het lijk van Bianca gepositioneerd in een hara kiri houding. De bamboe opvallend opgesteld naast haar. Daar enkele pennen uitgesneden, en in het appartement geplaatst. Het zou er alles van weg hebben dat de jonge agente de seriemoordenaar was, die zich misschien opgejaagd voelde of wroeging had gekregen, en zelf haar leven had beëindigd. Al zijn vingerafdrukken en ander bewijs dat Cees er ooit geweest was, had hij nauwlettend verwijderd. Hij kon zich niet voorstellen dat men hem aan de dode Bianca kon linken. Nee, zijn sporen waren gewist. Oprecht vrolijk stak hij de sleutel in zijn voordeurslot en liep zijn appartement binnen.

Hij klikte het licht aan en wierp zijn sleutels op zijn bureau. Bijna meteen zag hij Albert daar gehurkt zitten, met iets in zijn hand. Hij deinsde achteruit. Albert schrok, wou iets roepen naar hem. Wat deed De Muskiet in vredesnaam onder zijn bureau, in zijn huis ? “Cees, kijk uit – achter je !” riep Albert. Een vreemd geluid klonk achter hem en Albert krampte pijnlijk ineen.

Cees draaide zich verdwaasd om en zag een rokende geluiddemper. Een revolver. Een handschoen. Een kruidige geur, gemend met de zoete geur van kokotte kroop zijn neusgaten in. Hij keek in de ogen van Bettina deGraete en wou iets zeggen. Maar een scherpe prik in zijn nek deed hem bijna onmiddellijk willoos en woordeloos ineen zijgen.

 
René van Densen
René van Densen
René van Densen (1978) is een cynische dromer, een lachende pessimist, een realistische romanticus, een honklosse kluizenaar, een intelligente mafkees, een bedachtzame schreeuwer, een podiumschuwe polderpoëet, ex-nachtburgemeester van Tilburg, ex-striptekenaar, ex-schrijver, ex-webdeveloper, ex-vuilnisman, ex-kind en ex-volwassene, ex-burger, en kattenpapa van een Gentse terror kitten. Eerste Nederbelg die toetrad tot de Wolven van La Mancha. Maar is uiteindelijk niet zo van de collectieven. U treft hem uitsluitend in vrouwonvriendelijke omgevingen aan, en die nieuwe roman van hem komt ook nooit af. Werd al eens omschreven als "onbegonnen werk" door een prachtige blondine.

www.renevandensen.nl
Meer René op Facebook !