https://www.youtube.com/watch?v=-cXRi6SMr2c
Optreden afgelopen maandag
Niet geproost
TRAILER – 15 December, 18:00, Tilburg
PERSBERICHT
De 93 beste moppen van De Opperpater
Uniek boek van Tilburgs fenomeen
Tilburg, 7 december 2011
Een best of van De Opperpater, het moest er vroeg of laat van komen. Dé cultfiguur van Tilburg e.o. krijgt daarmee het eerbetoon dat hij verdient. En, hoe traditioneel zijn werk ook mag zijn, met de uitgave zet De Opperpater een nieuwe standaard: het is het eerste boek dat louter uit QR-codes bestaat. Even scannen en de o zo vertrouwde bariton klinkt uit iPhone, tablet of laptop. Het boek wordt op donderdag 15 december gepresenteerd in Kafee ’t Buitenbeentje, zijn stamcafé. Om 18 uur begint het feest (voor de stamgasten al om 17 uur).
Dat is het leven (64)
Cocktail Boem boem.
Op een dag stonden we wat de drank aan gaat op rantsoen want we hadden niet genoeg bier aan boord en zouden pas in de eerste de beste haven nieuwe voor raad inslaan

30 jaar later voeren Willem en Lowy een toneelstukje op over die Cocktail Boem Boem.
Dus toen het bier helemaal op dreigde te geraken kwam mijn maat Willem op het idee om zelf als brouwer te gaan spelen.
Met fruit suiker en zelfs een scheutje aftershave maakte hij een soort cocktail.Het spul smaakte met wat ijsblokjes er in heerlijk.
Onder het drinken van deze zelfgemaakte drank vroegen sommige mensen aan Willem hoe heet deze cocktail?Willem zei dan heel nuchter het is Cocktail BOEM BOEM.Iedereen lag in een deuk.
Maar de volgende morgen liep iedereen met hoofdpijn rond het ging in je hoofd van Boem Boem Boem.Maar ja het was wel de oplossing als je niets te zuipen had op een schip.Na dat we 2 dagen in Santos hadden gelegen vertrokken we naar Recife ook een haven in Brasil.
Hier kocht ik voor 4 pakjes sigaretten een papagaai.
Ik kocht die voor de handel.Want in Antwerpen kon je voor dat beest ruim 150 gulden vangen.En zo doende had ik dus ook nog plezier aan het beest .We leerden hem in korte tijd enkele vieze woorden zo als poeta wat hoer betekende.En ook het woord koffie had hij nog al eens snel geleerd.Er waren bemanningsleden bij die wel 3 of 5 papagaaien kochten.In die tijd werd er nog niet zo streng op toegezien als je een dier mee bracht uit een ver land.De koksmaat had ook een papagaai gekocht en die jongen liep regelmatig met het dier op zijn schouder rond op het schip.
Op een dag liep hij weer met het dier rond en moest hij nog even iets uit de kombuis halen.Maar daar fladderde het dier opeens van af zijn schouder en belande in een grote ketel die op het fornuis stond in het kokende water.Jammer voor het dier dat meteen stierf.Een matroos heeft toen hij het hoorde vlug een briefje op de kombuis deur gehangen waarop stond morgen eten we papagaaien soep.Iedereen moest er wel weer om lachen je maakte zo van alles mee op het schip.Na 4 dagen stappen in Recife ging de reis verder naar Montevideo
Hofnar van de ondergang (11)
Verwonderd keek Diederik nog eens het kantoor rond. Ooit was hij dol op deze mensen. Zijn collega’s. Zijn vrienden. Of toch één van zijn vriendengroepen. Hij kende ze allemaal vrij goed, voor zover ze zich lieten leren kennen. Nu kon hij ze echter enkel nog maar vanuit een vrij koude, afstandelijke blik bekijken. Hij sjokte naar de koffieautomaat en kwam met volle beker terug.
Wat een walgelijke club zit er hier bijeen, dacht hij bij zichzelf. Stel nu dat ze morgen zouden overlijden. Dan zullen ze zich op het laatste moment hooguit druk maken dat ze die ene excel sheet nog niet op tijd af hadden gekregen. Of iemand er wel aan zou denken hun bureauplant water te geven. Dat die wijnvakantie nu niet door gaat, terwijl ze er al een jaar naar toe werkten. Het kwam hem allemaal plots erg absurd over, de doelen en de zin van al die door elkaar krioelende kantoorleventjes.
Buiten begon het te regenen. En te regenen en te regenen. In dikke stralen sloegen de regendruppels omlaag. Even dacht Diederik dat er misschien wel een einde aan de wereld kwam, zo hard begon het uit het niets te regenen. Hij zag in zijn hoofd het water stijgen en stijgen, en plotse vloedgolven door de straten trekken, ruiten brekend, pilaren versplinterend, gebouwen omver wassend. Spartelend kantoorpersoneel dat in de straten hun auto’s achterna gesleurd werd.
In werkelijkheid kwam enkel Joop-Karel terug binnen. Met een kletsnat geregende kop haar. Hij gooide zijn doorweekte jas aan de kapstok en ging sjacherijnig terug achter zijn PC zitten. Stilletjes fluisterde hij een vloek. Diederik wou dat hij liplezen kon. Hij was benieuwd wat Joop-Karel gezegd kon hebben. Zijn collega vloekte eigenlijk zelden.
Toch regende het alsmaar erger buiten. De regen was zelfs nauwelijks meer te zien, door de spoelende stralen water die over de kantoorruit trokken. En toen, poef, was de regen ineens weer opgehouden. Diederik zuchtte teleurgesteld. En opgelucht tegelijk. Een einde aan de wereld zou hem veel moeite besparen, maar anderzijds ontnam het hem ook de vrijheid zijn eigen einde zelf en indrukwekkend te regisseren.
Hij klikte toch maar het weerbericht open. Storm, voorspelde het. Zware storm. Diederik vond het plotseling maar niets. Het léf van die weersgoden. Een beetje hem vóór zijn, zeker. Maar zo zijn we niet getrouwd, weergoden. Niks ervan. Dat het allemaal maar mooi weer door de riolen wegspoelde. Onzin allemaal. Hij besloot dat de regie over zijn einde bij hemzelf moest en zou liggen. De goden gunde hij geen inbreng in zijn eigen verhaal. Hadden ze eerder al ruimschoots de kans voor gehad. Nu was het te laat, goden.
Nee, die lapzwansen gunde hij hun pleziertje alleszins niet. Hij staarde uit het raam en zag tevreden dat er wat strepen zon tussen de donkere wolken tevoorschijn piepten. Een regenboog begon te schijnen. Even glimlachte Diederik. Toch nog een regenboog die hem een positief gevoel gaf.
avondje stappen


object

Couscous met appelmoes
Maak lekkere appelmoes/compote zoals je ‘m zelf graag hebt (of als je wat luier bent aangelegd: koop een potje goede appelcompote; Hak).
Bereid de couscous volgens de aanwijzingen op de verpakking, maar dan zonder olijfolie/bouillonblokje en maar een klein snufje zout (!!!); een beetje roomboter mag wel en is zelfs erg lekker.
Voeg hierna een platgeslagen kardemonpeul (of een theelepel kardemonpoeder), 1 tot anderhalve eetlepel suiker (naar smaak) en twee theelepeltjes kaneel toe.
Laat de couscous een uur afkoelen.
Wel ondertussen een handjevol rozijnen in wat warm water.
Roer de couscous nog eens eens goed door met een vork (goed los maken) en haal indien nodig de kardemon eruit.
Voeg desgewenst een heel klein beetje citroenrasp toe om de couscous wat ‘frisser’ te maken.
Doe de cousous in een grote schaal/bak en maak in het midden een kuiltje.
Rozijnen uit laten lekken of ‘uitknijpen’ en over de couscous strooien.
Eventueel nog garneren met geroosterde amandelsnippers, gehakte muntblaadjes of wat stukjes/plakjes verse appel voor de frisheid (stukjes vijg, dadel enz. voor zoetekauwen kan ook prima)
Vul het kuiltje met jouw overheerlijke appelmoes en zet de schaal in het midden van de tafel.
Voor elke eter een eigen lepel erbij, en op z’n Marokkaans genieten. Iedereen neemt zoveel hij wil; een beetje couscous (van zijn ‘gedeelte’ van de schaal) en een beetje appelmoes naar smaak.
Bismillah!!
NB Hoeveelheden zelf inschatten; gebruik per persoon ongeveer 50 gram couscous , 2 eetlepels appelmoes, 1 eetlepel rozijnen en pas daar zonodig de hoeveelheid kardemon, suiker en kaneel op aan (met weinig beginnen, extra toevoegen kan altijd nog!!)
Hofnar van de ondergang (10)
De baas van Diederik liep het kantoor binnen. Met een headset op. Hij begon luidruchtig aan een collega van Diederik vragen te stellen. De collega keek hem verschrikt aan. De baas praatte zo luid omdat hij ongewend was aan de headset. Zich niet beseffend dat iedereen hem op headset-loos volume ook prima zou verstaan.
“HEB JE DIE RAPORTEN AL BINNEN, KAREL,” brulde hij naar de collega van Diederik. De collega van Diederik heette Joop. Niet Karel. Maar wist de baas veel. Joop werkte hier immers pas achtentwintg jaar en vier maanden. Amper de moeite om zijn naam te onthouden.
Diederik wist hoe lang Joop hier werkte omdat hij ooit de taak had gekregen het vijfentwintigjarig arbeidsjubileum te organiseren voor Joop. Joop had niet vrolijk gekeken, temidden van zijn collega’s, die met koffie en thee rondom hem stonden. Een HEMA-taart had voor zijn neus gestaan. En hij ‘mocht’ aansnijden. Iedereen had JEUJ geroepen. Niet te hard geroepen, want in het kantoor ernaast waren andere collega’s gewoon aan het werk en die moesten niet gestoord worden.
Achteraf had Diederik hem toevallig horen mompelen: “Ik werk hier al zesentwintig jaar en zeven maanden hoor, geen vijfentwintig.” Diederik had het goed in zijn oren geknoopt. Al was het destijds maar voor het idee dat het dertigjarig jubileum in ieder geval op het juiste moment gevierd zou kunnen worden.
Joop voelde zich blijkbaar desalniettemin wel aangesproken bij de naam Karel en schudde schichtig zijn hoofd van nee. “HEB JE AL MET ZE GELEVELD WANNEER ZE KOMEN,” brulde de baas. Joop-Karel knikte ja. Zacht sprak hij dat hij de betreffende rapporten over ongeveer anderhalf uur wel verwachtte te hebben. “OKEE, DAT IS MOOI. DAT IS NOG NET OP TIJD OM ZE DOOR TE STUREN,” besloot de baas, “MAAR TOUCH TOCH NOG MAAR EVEN BASE MET ZE WANT ZE HALEN WEL VAKER HUN TARGETS NIET,” commandeerde hij. Joop-Karel knikte ja, dat is goed. Hij zou ‘hun’ base wel even gaan touchen.
“JA DAAR BEN IK WEER,” brulde de baas nu in het wilde weg terwijl hij zich onbestemd omkeerde. Blijkbaar had hij iemand aan de lijn. “NEE DAT KOMT HELEMAAL GOED, DIE RAPPORTEN HEB JE OVER TWEE UUR,” riep hij in het luchtledige terwijl hij het kantoor verliet.
Twee minuten later stond Joop-Karel op en liep gelaten naar de koffieautomaat. Hij drukte wat knopjes in en een plastic bekertje klakte tevoorschijn. Wat dzzzzjoe dzzjiie dzzzzzjoeoe geluiden later dampte er warme koffiedamp uit. Kalm liep Joop-Karel terug naar zijn bureau met de koffie. Zette hem naast zijn toetsenbord. Pakte zijn sigaretten van het bureau en de jas van zijn bureaustoel. Trok traag de jas aan, met alvast een onaangestoken peuk tussen zijn lippen geklemd. En in een ongeïnteresseerd slakkengangetje sjokte hij naar de uitgang waar de baas niét heen was gelopen.
Bij de andere uitgang kon je de baas nog steeds door de gang horen brullen. Het resoneerde een beetje. Diederik staarde naar de dampende koffie van Joop-Karel. Op het bekertje sierde het regenboogmannetje dat symbool moest staan voor deze onderneming.
Ik kan natuurlijk ook gewoon het hele bedrijf met me meenemen naar het hiernamaals, dacht Diederik. “Ik kan natuurlijk ook gewoon het hele bedrijf met me meenemen,” sprak hij zacht zichzelf toe. “Alles de lucht in, of zo. Kaboem. Poef, alles en iedereen weg. Ik denk dat de wereld er een stukje mooier op is geworden daarna,” mompelde hij.
Hij opende opnieuw zijn webbrowser en zocht naar explosievenrecepten. Na drie interessante websites was hij echter alweer afgeleid door een kattenvideo waar hij toevallig op stuitte.
Les Aventures Extraordinaires d’Oud Zeikwijf
Je zou het niet zeggen nu de middelbare leeftijd kliko’s zand in de machinerie heeft gegooid, maar in de jaren tachtig was ik een temperamentje.
Heden ten dage zou ik niet opvallen aangezien driekwart van de Amsterdamse meiden een GRRL-mentaliteit heeft om u tegen te zegen, maar toen was ik daar in de weide omtrek berucht om. Bij het noemen van mijn naam sloegen de meesten de ogen naar de hemel, en de religieuzen een kruisje. Meer hoefde niet. Iedereen wist immers: dat is een karaktertje.
Daar moest ik weer aan denken na het zien van de film “Les Aventures Extraordinaires d’Adèle Blanc-Sec”. Ik had de heldin kunnen zijn. Niet dat ik op een pterodactiel vloog, nee, maar veel scheelde het niet: die dadendrang, dat ongeduld, de koppigheid, de bazigheid, de gekke plannen die against all odds uitgevoerd moesten worden, de megalomanie, de veronachtzaming van de ander in het algemeen en van het gewone in het bijzonder. Wie dat allemaal niet beviel kreeg er scherp van langs, high & mighty of niet. Ik had dezelfde gehaaste loop en zelfs onze dictie leek op elkaar: ik sprak ook onverstaanbaar snel. Een punt van verschil: Adèle Blanc-Sec ziet eruit als een dame, ik liep er jaren als een zwerver bij.
Zo zat ik eerst in mijn Pippi Langkous-periode Ik had geen geld en leefde van afgedankte spullen. Ik sliep opgerold in een zeil langs de grachten, schoor mij kaal om te kijken hoe het eruit zou zien, liep een jaar op blote voeten. Ik ging elke dag in dezelfde aftandse kleren onder een stofjas die ik nooit waste. Daar had ik immers geen tijd voor, bezig als ik was met belangrijkere dingen. Zoals zeulen door het centrum van de stad met mijn ezelin, mijn kat en 30 gehandicapte kippen, en daar telkens een nieuw onderkomen voor timmeren. Mijn ezelin was mijn maatje, ze liep los aan mijn zij en dook telkens weg om bier te zuipen in schalen die gasten van de café’s op onze route voor haar neerzetten.
Of naar Rusland varen met mijn zelfgeknoopte eiland van piepschuim, om de Vikingen na te doen in hun tocht door dat reusachtige land. Ik zou het Kattegat oversteken, en eenmaal aan land, gelijk de oude Noren diep in het Oosten doordringen door mijn vlot van rivier naar rivier over de bevroren grond te slepen, rollend op afgehakte boomstammen. Kersverse president Gorbatsjov werd per brief van mijn plannen verwittigd. Jaren heb ik naar dat doel toegewerkt. Mijn generatiegenoten spendeerden ondertussen hun jeugd door op sublieme wijze te lanterfanten op caféterrassen en andere hangplekken. Mij trof u daar nooit: ik had daar geen tijd voor. Achteraf kan ik me wel voor mijn kop slaan.
Wat ons moeiteloos brengt naar het volgende tijdperk: de periode Hornblower, when all I thought about was roaming the seven seas. Verder dan de punt van Noord-Holland ben ik niet gekomen, maar dat is niet te wijten aan enig wilsgebrek: ik had besloten een kind erbij te nemen en was domweg vergeten dat een moeder haar baby niet zomaar achterlaat om zich maanden in het ongewisse te storten. Velen om me heen hebben mij bijtijds op dat detail gewaarschuwd, maar luisteren deed ik nu eenmaal nooit.
Als moeder was ik ook een plaatje. Ik woonde op mijn zelfgeknoopte schip, had tot de bevalling door de grachten gevaren en mijn kind daarop geworpen. Mijn peuter was mijn makker. Ik nam hem overal mee, ook naar concerten in Paradiso bijvoorbeeld. Op de weg terug diep in de nacht knoopte ik mijn jas als een kussen op het stuur van mijn fiets. Kindje deed zijn hoofdje erop en sliep. Als ik boodschappen deed liet ik hem als een hondje bij de trap. Als ik terug kwam was er steevast een troepje bezorgde burgers om hem heen verzameld. “Hij had zo meegenomen kunnen worden” riepen zij dan, waarop ik in de regel antwoordde: “Dat was ook de bedoeling maar dat is wederom mislukt, helaas.” Waarop ik de peuter onder mijn arm pakte en ermee wegliep. Verbijsterde blikken doorboorden mijn rug. Dat ik een buitenmaatse regenboogkleurige pet, een minirokje bestaande uit een stukje afgeknipte visnet, laarzen met plateauzolen droeg en open ogen geschilderd had op mijn oogleden moest iets daaraan bijgedragen hebben. Niet nodig te melden dat nr.2 en 3 een totaal andere opvoeding hebben genoten. Ik had in de tussentijd iets opgestoken over de 3 R’s and all that.
Eenmaal uit voorgenoemde periodes gekropen trok ik schoenen en schonere kleren aan. Wat mij niet in dank werd afgenomen: een project van één jaar zwoegen op de geschiedenis van Provo werd bruut geaborteerd door Tjebbe van Tijen, toenmalige cerberus van het Internationale Instituut voor Sociale Geschiedenis. Met zijn vadsige lijf versperde hij mij de toegang tot de archieven waar ik de brievenwisseling tussen Kohn Bendit en de Provo’s wilde lezen (de crux van mijn te schrijven boek: ik wilde aantonen dat de kiem van mai ’68 bij Provo lag, en niet andersom zoals algemeen aanvaard). Mijn uiterlijk beviel hem niet: fel rode lippenstift, hotpants, rijglaarzen en netkousen – of het moest de brutale blik in mijn ogen zijn; hij kon mij simpelweg niet serieus nemen. Dat ik op dat moment meer wist over Provo dan gansch de Nederlandse bevolking kon er maar niet in. Ik kon (briesend) naar huis (wat destijds het atelier van Jasper Grootveld was op de Borneokade), waar Jasper, bij het horen van het relaas, niet meer bijkwam van de lach. Ik was danig uit het lood geslagen maar terug gaan op een ander tijdstip met een keurig mantelpakje aan? Geen enkele van mijn o zo flitsende hersencellen was dáár op gekomen. Ik hing dat project dan ook pardoes aan de wilgen.
Feesten op vage haventerreinen, slapen in afgedankte wc-hokken waar mijn ezelin voor de deur wachtte, mij compleet bezopen liggend op haar rug terug naar de Conradstraat laten rijden – ze wist de weg en deponeerde mij in het collectief bad op de begane grond waar ik de rest van mijn roes uitsliep –, uit Paradiso gejonast, uit de Mazzo gegooid – mijn blik beviel de barman niet –, knappe dudes voor één nacht bij de vleet naar huis gesleept, een levensgevaarlijke junk gehuwd, met een panty op mijn hoofd bij wijze van kaboutermuts op het huwelijk van Simon Vinkenoog verschenen, stormen op het IJsselmeer in mijn uppie op mijn drijvende eiland getrotseerd, voor anker langs de dijk met messcherpe stenen, vlot erop gestrand, met hulp van de boeren weer het water ingeduwd en verder gevaren, inbrekers naakt, met bezem en bulderende stem te lijf gegaan, één, twee, drie keer. Een leven als een wervelstorm.
Ik overdrijf niet. Mensen die mij in mijn twintiger jaren hebben gekend zullen dit beamen. Mijnheer Oud Zeikwijf, om maar iemand te noemen, vond mij in die tijd raging nuts en heeft mij vijftien jaar lang zorgvuldig vermeden, tot ik de helft van mijn wilde haren kwijt was en enigszins pruimbaar was geworden. Laatst kwam ik op het Ezelsbruggetje (dat trouwens waarachtig naar mijn ezelin is vernoemd) een bekende van lang geleden tegen. Enigszins verbaasd dat ik nog leefde en nog meer dat ik kalm en waardig eruit zag, met mijn modelkinderen bij me, verzuchtte ze prompt: “Wat was jij gek in die tijd”. Mijn twee jongsten stonden erbij met een blanco wtf-uitdrukking op het gezicht. Hun moeder is immers één der brave burgers, op het truttige af, die parels draagt, haar nagels manicuurt, trouwe en normale vriendinnen heeft, elke dag uitgebreid kookt, keurig werkt, haar boekhouding dagelijks bijhoudt en haar belastingen binnen het termijn betaalt. Hun moeder is een lieve moeke die zich nooit opwindt: daar heeft ze geen puf meer voor. Ze sjokt als een slak met de boodschappen en ligt een gat in de dag te dutten. Ze spreekt beschaafd en is alom gerespecteerd. Die vrouw moest het over iemand anders moeder hebben.
© 2026 KutBinnenlanders.nl
Theme by Anders Noren — Up ↑


Reactietjes