De oude vrouw proefde voorzichtig van de soep. Nog niet warm genoeg. De hond keek haar aan vanuit zijn mand. Kwispelend. “Ja, Woef weet dat hij ook wat lekkers krijgt, hè ?” kirde ze naar de hond. Die harder kwispelde. Ze roerde verder in de soep en betrapte zich erop dat ze glimlachte. Even trok ze van de weerslag een frons in haar voorhoofd. Natuurlijk was het een mooie dag aan het worden, en was het gezelschap van de hond van haar zoon fijn. Maar hoe zou hij het zelf stellen ? Toch kreeg ze het opgewekte gevoel niet uitgebannen. Haar zoon was oud en wijs genoeg. Hij redde zich al jaren prima. En hij had haar verzekerd dat het allemaal maar een soort grap was, immers.
Zalig zijn de zotten, dacht ze bij zichzelf. En ze gooide een stukje gehakt naar de hond, die het behendig uit de lucht hapte.
Aarzelend stapten de schoenen over de stoep. Alsof de keurig rechtliggende tegels een doolhof van afgronden vormden. Ze stapten vertragend het tuinpad op naar de voordeur. Een rillende vinger werd in een vervreemde beleving naar de deurbel geheven en in een andere werkelijkheid klonk ver weg een rinkelgeluid. De deur opende. En de oude vrouw trok wit weg bij het zien van haar zoon. Met een onmiddellijk bezorgde gezichtsuitdrukking trok ze Diederik haar huis binnen en sloot, een schichtige blik de straat af werpend, de deur achter hen beiden.
Woef lag kwispelend aan zijn voeten en zijn moeder zette een bord dampende soep voor zijn neus. De geur bracht Diederik langzaam terug bij de werkelijkheid en plots besefte hij waar hij heen was gegaan. Verbaasd keek hij zijn moeder aan. En barstte opnieuw in snikken uit, zoals hij aan Nathalie’s tafel had zitten janken. Zijn hoofd zeeg ineen op zijn armen en de soepkom schudde op tafel met zijn schokkende schouders mee. Woef piepte en hij voelde de armen van zijn moeder om hem heen geslagen worden. De warmte, de geborgenheid, de warme deken van thuis zijn, thuis, terwijl alles zo’n reddeloze puinhoop was geworden, het duizelde Diederik en hij huilde en huilde. Alsof de hele wereld hem haar tranen leende. Tot de tranen op waren en hij zijn pijnlijk prikkende ogen heropende.
“Jongen toch,” sprak zijn moeder medelijdend. “Wat heb je je toch allemaal op je hals gehaald ?”
Hij kon enkel knikken. En slikte. Er kwamen geen woorden, hij kon het zelf eigenlijk niet meer bevatten, wat er van zijn leven geworden was.
“En wat heb je in vredesnaam met je haar gedaan, idioot. Dit ziet er niet uit. Zonde van je mooie lokken,” sprak ze afkeurend. Diederik keek haar aan en tegelijkertijd schoten moeder en zoon in de lach. De hond blafte en kwispelde.
Diederik nam een lepel soep. En alle vermoeidheid viel van hem af.


Geef een reactie