Diederik zag het glas kantelen. Te ver, wist hij. En ja, daar ging het. Over de rand, tuimelend. In slow motion, leek het haast. Voor een fractie van een seconde voelde hij de impuls het te grijpen, pogen tegen te houden. Maar hij stond roerloos toe te kijken hoe het viel. Sinds heel deze onzin begon had hij een innerlijk soort rede die hem doorlopend liep te vertellen waarom hij wel of niet iets moest doen. En in dit geval sprak zijn rede dat iedere poging het glas te stoppen in zijn val, vermoedelijk slechter afliep dan de situatie zonder ingrijpen. Gefascineerd bleef hij daarom kijken of het zou breken op de vloer of niet. Het stuiterde een beetje en landde intact op de vloer.

De inhoud van de vaas was evenwel helemaal over de uitgaanskleding van zijn vriend gegoten.

“Godverdomme, Diederik, wat flik je me nou, gast ?” gilde die in wilde paniek. Zijn gestreepte overhemd en zijn colbert waren doorweekt. Met geel gestenat dat voor een niet onaanzienlijk deel uit water bestaat, besloot Diederik. Op de scherpe geur na was het verkleureffect op de kleding van zijn vriend verwaarloosbaar. Een keer goed natgeregend worden had meer effect. Diederik besloot dan ook dat Stan, want zo heette zijn vriend, zich ontzettend aanstelde en haalde zijn schouders op.

Stan gaf Diederik een woedende duw tegen de schouders. “Wat is er toch met je de laatste tijd, gek ? Dagenlang horen we niks van je, je bent niet op je werk verschenen, en dan gaan we eindelijk een keer uit, gooi je je bier over me heen. Koekwous !”

Diederik had zich gebukt en het lege glas veilig gesteld op de bar. Kalm keek hij Stan aan. “Ik ga door wat rare dingen heen de laatste tijd. Sorry van dat bier. Wil je iets drinken ? Of moet ik even om een droogdoek vragen ?” Zo oprecht mogelijk keek hij Stan aan. In zijn achterhoofd echter doorliep hij de vrij zinloze levensloop van Stan. In één rechte treinlijn liep hij daarbij vooruit op wat nog resteerde. Stan zou waarschijnlijk ooit wel eens een vriendin niét binnen het half jaar weer buitengooien, dan een stel ontzettend walgelijke kindjes opvoeden in een dure buitenwijk in een stad die hem niks interesseerde, uiteindelijk zou hij zijn pensioen nog wel halen maar waarschijnlijk kort erna kassiewijlen zijn. Zijn bollige wangen zouden van zijn schedel afrotten. Na eeuwen zouden historici misschien zijn skelet vinden en aan de hand ervan allerlei aannames over het huidige tijdperk publiceren. Hij moest er niet aan denken. Stan, schoolvoorbeeld van de huidige mens. Geen wonder dat de mensheid altijd denkt dat wat voor hen kwam, primitief, lomp en onderontwikkeld geweest moet zijn. 

 
René van Densen
René van Densen
René van Densen (1978) is een cynische dromer, een lachende pessimist, een realistische romanticus, een honklosse kluizenaar, een intelligente mafkees, een bedachtzame schreeuwer, een podiumschuwe polderpoëet, ex-nachtburgemeester van Tilburg, ex-striptekenaar, ex-schrijver, ex-webdeveloper, ex-vuilnisman, ex-kind en ex-volwassene, ex-burger, en kattenpapa van een Gentse terror kitten. Eerste Nederbelg die toetrad tot de Wolven van La Mancha. Maar is uiteindelijk niet zo van de collectieven. U treft hem uitsluitend in vrouwonvriendelijke omgevingen aan, en die nieuwe roman van hem komt ook nooit af. Werd al eens omschreven als "onbegonnen werk" door een prachtige blondine.

www.renevandensen.nl
Meer René op Facebook !