KutBinnenlanders.nl

Dag: 8 oktober 2012

Hofnar van de ondergang (44)

 
Daar stond Diederik. Het zweet leek rechtstreeks uit zijn poriën te stomen. Het licht scheen genadeloos in zijn gezicht. En erachter voelde hij de tientallen paren ogen priemen, al hadden het er net zo goed duizenden kunnen zijn. Zijn benen rubberden. Zijn keel sloeg spontaan kurkdroog uit en hij schraapte hem. Hij had de aankondiging uitgesproken horen worden door de jolige presentator. Die had benadrukt dat dit Diederiks eerste optreden was en hoeveel moed er voor nodig was om op een podium als dit zijn hart te komen openbaren en of iedereen hem een warm welkom wou klappen want hij had uit betrouwbare bron – “Toch, Kimberly ?” had de presentator met een glimlach naar Nathalie nagevraagd – dat Diederiks gedichten heel, heel goed waren.

Er had applaus geklonken. En daar stond hij nu dus.

De presentator had Kimberly gezegd. Heel vertrouwd. Even twijfelde Diederik of de presentator haar echte naam kende. En zo ja, moest die dan ook buitenshuis doen alsof ze Kimberly heette ? Maar deze gedachten werden onmiddellijk weggedrongen door het hier en nu. Verdomme, Diederik, je staat hier voor een microfoon en de mensen wachten !

Hij dacht aan de eerdere optredens voor het zijne. De gedichten die daar uitgesproken werden waren stuk voor stuk onvoorstelbaar krachtig geweest, vond hij. En wat hij nu in zijn handen aan papieren vasthield, stelde daar in zijn ogen niets bij voor. Het bezoek aan zijn moeder had hem opgelucht, en hij had uiteindelijk toch wat opgeschreven, maar nu hij het vasthield, kreeg hij het doodsbenauwd. Hij vond zijn vanmiddag geschreven werk plotseling ontstellend slecht.

Er klonk een kuchje in het publiek dat hem terug bij de les bracht. Maar, niet wetend wat hij nu moest doen, stond hij daar. Seconden leken minuten, uren, dagen te worden. Godver, dacht Diederik. Wat een ongelooflijke kutdag is dit geworden. Hij veegde over zijn voorhoofd. Misschien had iedereen hier wel een kutdag. Zaten ze, heimelijk verliefd op andere aanwezigen, nu te wachten tot Diederik zijn vreselijke teksten ten berde zou brengen. Wie weet onderbrak hij nu wel gesprekken die net de goede kant op gingen. Wie weet bezorgde hij nu iedereen een kutdag. Vers zweet parelde op zijn voorhoofd.

Ik heb een kutdag,” hoorde hij plots zichzelf in de microfoon uitspreken. Hij schrok en keek het publiek rond. En weer nam zijn mond de regie over. “Ik ben ongelukkig. Het mag niet van de mensen.” Zweet barstte nu ook op zijn bovenlip uit. “Mijn ongeluk moet met hand en tand bestreden worden. Ik moet lachen en fluiten en werken en eten en slapen en,” waar haal ik dit in vredesnaam vandaan, vroeg Diederik zich overrompeld af, maar zijn lippen leidden een eigen leven en spraken onverdroten voort, “ik moet neuken, neuken, maar dan het liefst op de dagen en plaatsen en tijdstippen die men als beschaafd beschouwt, en ik moet leven baren, leven dat moet lachen en fluiten en werken en eten en slapen en neuken, en,” hij hapte naar adem.

Hij nam met bevende hand een slok uit het glas water dat naast hem stond. Nam één kalme ademteug met gesloten ogen en verwachtte bij het openen duizenden geïrriteerde priemende blikken. Maar het publiek staarde hem vol aandacht aan. Veel tijd om zich te verbazen kreeg hij niet, want de gijzelnemende innerlijke stem greep de teugels weer. Zacht sprak hij in de microfoon: “Het mag niet ongelukkig zijn van de mensen want dan ben ik schuldig.

Zijn ogen zochtten die van Nathalie, en strak keek hij haar aan. Ze keek verbaasd terug. “Zij,” sprak zijn zelfstandige mond. “Zij vertelt met haar ogen een heel ander verhaal. Het is een verhaal waarin ik niets moet. Zij voelt en voedt de onrust in mijn borstkas en haar ogen vragen enkel dat ik onverbiddelijk het zijn moet plegen. Zij is met mijn zijn en samen zijn wij ongelukkig gelukkig. Waar de mensen niet bij ons kunnen komen. In ons perfecte tweemansdorpje dat Zoete Illusie heet, koesteren we ons tijdloze samen zijn.

Diederik viel stil. Hij wist niet hoe hij verder moest. Geen woord dat hij had uitgesproken, was terug te vinden op de papieren in zijn hand. Wilde paniek sloeg paukenslagen in zijn borstkas, en overrompeld prevelde hij een bedeesd “Dank u wel,” in de microfoon.

Terwijl hij zocht naar de juiste woorden om zich te verontschuldigen voor zijn uitbarsting van waanzin, klapte het angstzweet over zijn hele lichaam eruit. Na al die prachtige, doordachte, gevoelig gevoelde teksten van eerder vanavond zouden ze hem nu háten. Zijn ogen zochten naarstig de muren af naar een nooduitgangbordje. In geval van nood zou hij misschien moeten vluchten.

Er klonk een aarzelende klap. En een tweede. En voor hij er maar iets van kon begrijpen, zat het kleine aanwezige publiek verdomme zowaar min of meer te applaudisseren. Diederik knipperde verbaasd met de ogen tegen het felle licht. Van achteruit de zaal klonk een verdwaalde “Woooo !” die hem zenuwachtig deed grijnzen. Fuck it, dacht hij. Als ze de waanzin willen, kunnen ze de waanzin krijgen ook. Met een theatrale zwaai gooide hij zijn papieren de lucht in.

LEEN MIJ UW OREN EN UW GEMOED,” brulde hij uit, “IK BEN UW HOFNAR !” Er juichte iemand. Hij maakte een dwaas huppeltje op het podium en kreeg steeds meer de kolder in de kop. “IK BEN DE HOFNAR VAN DE ONDERGANG EN SAMEN GAAN WE ER VANAVOND ALLEMAAL AAN !” Mensen lachten, enkelen hieven hun glas in enthousiasme. Als een losgeslagen rockmuzikant rukte Diederik de microfoon van de standaard en boog ineen. Om vervolgens als een springveer weer overeind te schieten.

ONZE BOTTEN ROTTEN IN DE GEWELVEN VAN ONZE TIJDELIJKHEID,” riep hij uit, zich amper meer bewust van zijn tekst, gevangen in het gevoel en het moment, “EN MOEDER DOOD KOOKT ER HAAR SOEP VAN !” Hij zwaaide in het rond en voelde de draad van de microfoon om zijn benen wikkelen. Met een sprong bevrijdde hij zich weer en boog naar het publiek toe, het warme licht omhelsde zijn verwrongen gelaat. Hij zag de gezichten die zich het dichtst bij het podium bevonden, en gefascineerd staarden ze hem aan. Kijk goed, dacht hij. Kijk goed, ik ben wat in u allen sluimert.

Hij haalde diep adem en sprak ingedrongen: “Mijn woorden vervliegen met uw aandacht en natuurlijk is het niet goed wat ik uitspreek, maar het kan u niets schelen en mij ook niet, het verdwijnen van de woorden biedt troost bij het voorttikken van de klok, en even vergeet u dat ook u vervliegt.

Als in trance boog hij het hoofd en weer klapte het publiek. Wat een idioten, dacht hij. Ze vinden het nog goed ook. Hij liet een snerpend fluitgeluid in de microfoon galmen en riep: “Dit is onze laatste halte ! De trein rijdt in één ruk en richting door, en u kunt hier niet overstappen. Angst en woede om het eindpunt zijn een regendruppel die tegen zwaartekracht protesteert. Dus laten we drinken, mijn vriend, en vergeten, terwijl de wijzers genadeloos door draaien. En wie weet, wie weet breekt er een nieuwe dag aan met nog minder genade dan al haar voorgangers.” Hij hief zijn bier naar de daarstraks nog olijke presentator, die hem stil aanstaarde.

We zijn allemaal blikken Cambell’s,” prevelde Diederik terwijl hij de microfoon terug in de standaard schoof. En hij zweeg. Snijdende stilte, tot er een aarzelend applaus klonk. En nogmaals zwol het klappen aan.

Achterin het café glom Nathalie van trots. In Diederik’s jas, die naast haar aan de stoel hing, ging zijn telefoon af, maar door het applaus hoorde niemand dat. Na enkele rinkels die het rumoer niet konden overwinnen, schakelde de telefoon door naar voicemail.

 

© 2022 KutBinnenlanders.nl

Theme by Anders NorenUp ↑