Uit: Een broekzak vol rijst, ongewone verhalen uit Indonesië
Auteur: Theo Wilton van Reede
Het verhaal is wegens de grote lengte over meerdere afleveringen verdeeld.
ALOYSIUS BONTHAMER
Aloysius Bonthamer was een onkreukbare ambtenaar van een middelgrote gemeente in het zuiden des lands die zich afficheerde als Moderne Industriestad.
Hij neigde naar de middelbare leeftijd en kleedde zich even kleurloos als zijn karakter leek te zijn. Hij bekleedde een ambt waarin hij zich voornamelijk met cijfers bezig hield. Doordat hij ook het eigen leven cijfermatig benaderde, had hij een klein kapitaaltje opzij kunnen leggen.
“Bonthamer,” had zijn chef eens gezegd, “Bonthamer, koop toch eens een nieuwe bril. Het lijkt wel of je deze van de bedeling hebt gekregen!”
“Mijnheer,” sprak Bonthamer, die ook wel eens gedecideerd kon zijn, “deze nieuwe bril is al lang afgeschreven zodat ik er nu winst op maak.”
Inderdaad, Aloysius Bonthamer beheerde zijn leven zoals hij dat deed met de kas van zijn afdeling.
Nu leed Aloysius Bonthamer in stilte aan een gemis: hij was niet getrouwd. Dat was niet uit vrije keuze maar het was er gewoon nooit van gekomen.
“Geen vrouw heeft mij ooit gezien als de ridder op het witte paard,” had hij wel eens geantwoord op de voorzichtige vragen van collega’s. Die collega’s konden zich dat indenken.
Langzamerhand was dat gemis schrijnender geworden. Aloysius was uiteindelijk een gezonde man, zij het wat mager, en hij had zo zijn emoties. Met het stijgen der jaren voelde hij zich eenzamer worden.
Je zou het, gebaseerd op zijn optreden en voorkomen, niet zeggen maar Aloysius Bonthamer had wel degelijk zijn dromen.
Die dromen hadden hun wortels in het verleden, in de tijd dat hij nog onderwijs genoot van fraters en paters. Ooit was hij gegrepen geweest door de idealen der missie. Niet zozeer omdat hij de behoefte gevoelde een geloof uit te dragen maar meer omdat de verhalen over de wilde natuur, woeste beesten en heidense rituelen hem boeiden. Op school kon hij wegdromen bij de wandplaten van rijstvelden en inlandse markten. Behalve bij rekenen dan.
Als kind besloot hij daarom missionaris te worden, een voornemen waarop hij terugkwam nadat hij met een vriendinnetje voor het eerst de geneugten des levens had ervaren. Aloysius was toen al pragmatisch.
Het verlangen naar het exotische was echter gebleven, al bleef het jaren ondergesneeuwd.
In dat kader moet dan ook de beslissing van Aloysius Bonthamer worden gezien om naar Indonesië te gaan. Voor een vakantie.
“Doe eens iets wilds!”, had een collega gekscherend gezegd, er niet op voorbereid dat Bonthamer daadwerkelijk actie zou ondernemen.
Het ‘wilde’ van die beslissing had er niet zozeer in gelegen dat Aloysius naar een ver oord ging, maar in het feit dat hij daarvoor een niet onaanzienlijk bedrag uittrok.
Er lag aan zijn beslissing een aantal gevoelens ten grondslag.
Behalve het eerder genoemde verlangen was daar ook het feit dat hij zijn collega’s wel eens versteld wilde doen staan. Er was echter ook nog iets anders: noodgedwongen was Aloysius Bonthamer iemand die de katjes in het donker kneep.
Zoals gesteld: hij was gezond, eenzaam en een dromer over verre streken. En dus had hij er wel eens over gedacht een erotische reis naar Bankok te maken of gepeinsd over de bescheiden, intens mooie en exotische vrouw die hem zou willen trouwen. Hij had ze wel ontmoet; mannen die een Thaise, een Filippijnse of een Indonesische vrouw hadden meegebracht.
Dat leek hem wel wat.
Toch boekte hij zijn reis naar Indonesië vooral vanwege de sentimenten uit zijn jeugd.
Zijn jaren lang ondergeschoffeld gevoel voor avontuur kwam bij die boeking al meteen naar boven: hij liet de verzorgde groepsreizen voor wat ze waren en reserveerde in Jakarta slechts een kamer in het Kartika Plaza Hotel, waarvan men hem vertelde dat het vlak bij een grote doorvoerweg lag, hetgeen hem praktisch leek, omgeven was door clubs en restaurants, wat hem opwindend leek en vlak bij een aardig parkje, hetgeen hem goed leek voor meditatieve momenten.
Het hotel was groot, mooi en met zorg aangekleed. Het domineerde de omgeving. Aloysius Bonthamer, die het korte broektoerisme verafschuwde, voelde zich thuis temidden van de andere gasten. Hij voelde zich groeien toen een receptionist hem vertelde dat er zelfs wel eens een professor uit Leiden logeerde.
Aloysius voelde dan ook absoluut geen aandrang verder te reizen. Hij vond het best zo: een Bonthamer in een metropool in het verre Azië! Het leek hem of hij de gedachten van zijn collega’s uit de Moderne Industriestad kon voelen: “….. die Bonthamer, die doet dat toch maar …..”
De eerste dagen en avonden besteedde Aloysius aan het verkennen van de omgeving van het hotel en van de stad. Hij acclimatiseerde boven verwachting snel en had het naar zijn zin. Hij kon zich goed redden en sprak al gauw een klein mondje Indonesisch.
Toen kwam de avond die een absolute wending in zijn leven zou gaan betekenen.
Die bijzondere avond was er een van zwoel karakter. De warmte was blijven hangen, een halve maan hing als een schip boven de stad en Jakarta verspreidde met kracht vele geuren. Aloysius besloot een avondwandeling te gaan maken. Het parkje vlak bij, Taman Lawang, had hij nog niet bezocht en hij had gezien dat er langs de groene laan die er heen voerde aan de rechterzijde een lange rij eetstalletjes stond. Hij vond dat hij nu genoeg restaurants had gezien en wilde nu wel eens, temidden van Jakartanen, Jakartaans eten op Jakartaanse wijze.
Het zal rond een uur of acht geweest zijn toen Aloysius het hotel verliet en Jalan Sumenep in liep, de straat met de eetstalletjes. Het was zaterdagavond en dus druk. de stalletjes, lijkend op grote marktkramen met rijen krukken evenwijdig aan de toonbank geplaatst, hadden aan de voorkant grote zeildoeken naar beneden hangen waardoor je alleen maar achterwerken op krukken kon zien. De bovenlijven waren aan het zicht onttrokken. Op de doeken stond geschreven wat de betreffende kraam verkocht. Aloysius Bonthamer sprak nu weliswaar wat Indonesisch maar dat was ontoereikend om te kunnen lezen welk voedsel werd verkocht. Wel werd hem, tot zijn verbazing, duidelijk dat de stalletjes vrijwel allemaal hetzelfde verkochten.
Veel kans tot flaneren kreeg hij niet. Bij vrijwel elke kraam kwam iemand op hem afgestoven om hem dwingend uit te nodigen plaats te nemen. Aloysius hield het nog geen twintig meter vol de uitnodigingen vriendelijk lachend te negeren. Toen liet hij zich meetronen.
Hij nam plaats terwijl de andere gasten hem met onverholen enthousiasme aankeken. In hun overgulle lach stak iets van ‘wij onder elkaar’.
Morgenvroeg om 9u het vervolg van dit verhaal.


Geef een reactie