KutBinnenlanders.nl

Dag: 25 juli 2012

Een kleine geschiedenis (3)

Uit: Een broekzak vol rijst, ongewone verhalen uit Indonesië
Auteur: Theo Wilton van Reede
Het verhaal is wegens de grote lengte over meerdere afleveringen verdeeld.

Aloysius had een kortstondig avontuur op het plekje van Siti bij de spoorbaan, waarbij alle initiatief bij Siti lag. Aloysius, staande geleund tegen een boom, raakte de gehurkte Siti nauwelijks aan. Hij onderging zijn avontuurtje met grote intensiteit want, inderdaad, Siti beheerste haar vak dat zij met een grote gevoeligheid, overgave en tederheid uitvoerde.

Ze had, toen zij zich aanprees, geen woord te veel gezegd.
“Was het goed?”, vroeg ze terwijl Aloysius, lichtelijk buiten adem, zijn kleding weer fatsoeneerde en het voorhoofd bette, “Heb ik het goed gedaan? Heb jij genoten? Als het niet goed was dan moet jij dat zeggen hoor.”
Ten teken dat het goed was geweest, sloeg Aloysius een arm om haar heen en drukte haar even tegen zich aan. Ze rook verrukkelijk.

Het was gek, flitste het door hem heen, ze was zo mooi en zo lief en toch was er niets banaals geweest aan dit exotische contact tussen de jonge, zeer vrouwelijke en zeer Indonesische Siti en de veel oudere Nederlandse ambtenaar van de Moderne Industriestad.
Hij voelde zich goed en was niet alleen onder de indruk van haar schoonheid maar vooral ook van haar persoonlijkheid en warmte.

Nadat hij haar betaald had, bleven ze samen nog wat staan praten waarbij zijn houding ineens onzekerheid uitdrulte.
Siti voelde feilloos aan welke de reden was van die aarzeling.
“Vind jij mij lief?”, vroeg ze zacht terwijl ze zijn handen in de hare nam.
“Ja, heel lief.” Hij vond het prettig, zo met zijn handen in de hare. Het voelde natuurlijk.
“Ben jij dan bang om mij weer te zien?” Haar grote ogen keken hem aan.
“Nee, bang niet ….” Hij maakte zijn zin niet af.
“Zal ik jou dan een afspraakje voorstellen? Wil jij dat wel?”
Ja, dat wilde hij wel. Hij knikte bevestigend.
“Weet je, ik kleed mij niet altijd zo aan ….”
Ze sloeg de spijker op de kop.
“Ik werk elke dag. Ik kap. Ik ben kapster. Ik werk in een beauty salon. Ik ben een goede kapster.”
Aloysius twijfelde er niet aan.
“Ik werk morgen tot vier uur. Zal ik dan bij jou komen? In jouw hotel? Dan drinken wij samen wat op jouw kamer? Vind jij dat fijn? Ik ben overdag ook mooi, niet alleen ’s avonds.”
Ze sloeg alweer de spijker op de kop.

“Wat is jouw kamernummer?”
Aloysius gaf het nummer.
“Ben jij in Kartika Plaza?”
Hij was kennelijk niet de enige.
“Er wordt daar niemand boos op mij hoor. Ze weten daar wel dat ik een ondeugend meisje ven dat met mannen speelt. Ze plagen mij er niet mee hoor. En ze zullen jou ook niet plagen. Geloof jij mij maar. Hoe heet jij?”
“Aloysius.”
“Oh, wat een mooie naam. Ben jij katholiek? Ik ook hoor.”
Ze zei het op een toon alsof hij zich er niet voor hoefde te schamen.
Aloysius gaf zich over.

 Goed, zei hij, “Morgenmiddag op mijn kamer. Ik zal op je wachten. Om vijf uur.”
“Ja,” zei ze en liet stralend een schitterend gebit zien waarin de maan leek te reflecteren, “vijf uur op z’n Hollands: ik mag van jou niet te laat komen.” Ze lachte op een manier die aan kerstklokjes deed denken.
“Dààg, tot morgen. Ik ben er hoor!” Ze draaide zich om en liep zelfbewust en heupwiegend weg, wetend dat Aloysius haar nog een stukje moest volgen.
Even later waren ze terug op Jalan Sumenep.
“Dààg! Dahdah!” riep ze nog een keer en, voor haar doen hard: “Tot morgen!” Het klonk als een communiqué voor haar vriendinnen onder de boom die luid giechelend reageerden.

Aloysius zwaaide vaag in de richting van de boom en liep terug naar het hotel, langs de eetkramen met de ballen.
Hey, Mister, was it good?” werd er geroepen.
Dit vond Aloysius wél banaal en hij reageerde dan ook niet.
Even later was hij terug op zijn kamer.

Die nacht en de hele daarop volgende dag maakte Aloysius vele overwegingen.
Hij overdacht zijn ervaringen en gevoelens rond Siti. Hij overdacht zijn eigen positie. Hij dacht aan de mannen met Aziatische vrouwen. Hij dacht aan de mogelijkheid van een gezamenlijk leven in Holland. Hij dacht aan de rust die hij in Jakarta gevoeld had en aan de stroomversnelling waarin hij nu verzeild leek te raken. Hij keek naar de manier waarop hij tot dan toe in Indonesië had gereageerd en overwoog en berekende kansen.
Om uiteindelijk te beslissen dat hij gewoon zou doen wat hij aldoor had gedaan: hij zou wel zien wat er gebeurde.

Hij had extra zorg aan zijn uiterlijk besteed toen, precies om vijf uur, zacht op zijn deur werd geklopt. Toch enigszins gespannen, liep hij op de deur toe.
Toen hij die open deed, stond daar een jongen in perfect sluitende, witte jeans met een ruimvallende, blauw-met-bruine batikblouse en een dunne gouden ketting rond de hals. Hij had halflang, gitzwart haar dat in een jongensachtige golf voor het voorhoofd viel, quasi nonchalant. Grote, donkere ogen keken hem vragend aan terwijl om de lippen een vage, licht onzekere lach speelde.

“Dag.” zei hij.
“Dag.” zei ook Aloysius automatisch, onvoorbereid op een ontmoeting anders dan met Siti.
“Herken jij mij niet?” De stem, de intonatie en het accent waren onmiskenbaar die van Siti.
“Mag ik binnen komen?” De stijl was eveneens onmiskenbaar de handelswijze van Siti.

Aloysius, in reflex, opende de deur verder en zijn hand gebaarde richting fauteuils.
Nauwelijks minder vrouwelijk dan Siti liep de jongen de kamer in terwijl hij zijn hand in het voorbij gaan kort liet rusten op de arm van Aloysius.
Toen draaide hij zich om en zei ontwapenend en met een lach die recht uit zijn hart leek te komen:
“Ik heet alleen ’s avonds Siti. Overdag heet ik Herman.”

Aloysius en Herman hebben lang gepraat, die avond, waarbij Aloysius tot zijn verbazing bemerkte dat het hem eigenlijk weinig uitmaakte of deze Herman/Siti een jongeman was of een vrouw of allebei. Het deed niets af aan de gevoelens die hij steeds sterker voor Herman begon te voelen.

Herman legde hem uit dat hij een banci was, iemand die man is en vrouw. Een banci wordt ook wel wadam genoemd, een samentrekking van wanita, vrouw, en Adam.
Er zijn banci’s die zich laten ombouwen en er zijn banci’s die door het leven gaan als travestiet. Veel banci’s gaan in de prostitutie om zo geld te verdienen voor een ombouwoperatie in Singapore.

“Indonesiërs respecteren ons,” legde Herman uit. “Dat komt nog uit het hindoeïsme: de goden schiepen mannen, de goden schiepen vrouwen en de goden schiepen mensen die beide zijn. Deze laatsten zijn door de goden gezegend. Rijke Jakartanen nemen hun zonen voor de eerste sexuele ervaring mee naar zo’n banci. Dat is een goed voorteken voor een vruchtbaar leven, dat wil zeggen, een leven dat rijk is gezegend met zonen.”

Aloysius luisterde aandachtig terwijl Herman rustig en met zachte stem uitlegde. Herman had er een sigaret bij opgestoken en zat, in een zeer vrouwelijke houding, in een fauteuil. Aan een drankje waren ze nog niet toegekomen.

“Wij zijn zo geaccepteerd in Indonesië dat wij zelfs een eigen vakbond hebben. En die vakbond heeft weer een vertegenwoordiging in het parlement.” Herman zei het niet zonder trots. “Jij vroeg gisteren hoe het komt dat ik Nederlands spreek. Ik heb jou al verteld dat ik Indo ben. Ik weet niet hoe het komt, maar veel indo’s in Jakarta zijn banci. En van thuis uit krijgen wij natuurlijk nog wat Nederlands mee. Maar dat is niet de enige reden. Om lid te kunnen worden van onze vakbond moet je Nederlands kunnen spreken. Nederlands is voor ons een soort geheimtaal. De klanten kunnen ons dan lekker niet verstaan. Wij kunnen roddelen over onze klanten of elkaar waarschuwen. Sommigen van ons gaan een jaar naar een kapper in Limburg, in Holland. Daar leren zij Nederlands en ze verdienen zo veel geld dat ze dure kleding kunnen kopen en zo een dure prostituee kunnen worden. Of ze kunnen zich van dat geld laten ombouwen.”
Aloysius was onder de indruk van het verhaal.

Ineens sloeg de rustige, warme en bescheiden stem van Herman om en kreeg een klank waarin angst doorklonk.
“Weet jij,” vervolgde hij, “soms ben ik wel bang. Ik ben nu nog mooi en jong. Nu is banci zijn nog niet erg. Maar ik ben bang voor later ……”
Het woord ‘later’ bleef dominerend in de lucht hangen.
“Ik moet nu een carriere zien te maken en geld verdienen voor goede kleding. Ik wil proberen de minnares te worden van iemand die belangrijk is, geld heeft …. Vrouwen vinden het niet zo erg als hun man wel eens een banci bezoekt. Maar als ik niet genoeg verdien om een eigen kapsalon te beginnen of minnares te worden, hoe moet het dan als ik oud en lelijk ben en niemand mij meer wil.”
Zijn grote donkere ogen, waarin Aloysius wegzwom regelrecht de oneindigheid in, straalden iets heel teers uit.

“Jij bent nog niet lang in Indonesië maar jij zult ze nog wel zien, hier in Jakarta of ergens anders op Java. Jij zult ze zien bij warungs, eetstalletjes: oude magere vrouwen die zingen en zichzelf op een tamboerijn begeleiden. Altijd met tamboerijn, die vrouwen. Het zijn mannen. Maar ze hebben niet genoeg verdiend. Of ze hebben te veel uitgegeven. En dan moeten ze wel zo leven, met een tamboerijn.” Die tamboerijn leek iets ernstigs te zijn voor Herman.
Toen, weer vrolijker:
“Maar bijna iedereen geeft geld hoor, telkens honderd pop, telkens honderd rupiah.”

Tussen Aloysius en Herman ontwikkelde de relatie zich snel en hevig in de daarop volgende dagen en weken; Aloysius werd uiteindelijk dan toch de ridder op het witte paard.
Hij ontwikkelde jegens Herman een complex aan gevoelens. Hij was duidelijk verliefd maar er was ook iets vaderlijks gegroeid. En als hij het had over Nederland, werd hij leraar.
Aloysius kende zichzelf amper terug. Hij was verbaasd over wat in hem verborgen was geweest, al had hij dan ooit missionaris willen worden, en hij wasverbaasd over zijn eigen ontwikkeling. Het meest verbaasd was hij over het feit dat, toen was besloten dat Herman om te beginnen een jaar bij hem zou gaan leven in Holland, het hem weinig kon schelen wat zijn collega’s er van zouden vinden.

Morgenvroeg om 9u het vervolg van dit verhaal.

 

© 2022 KutBinnenlanders.nl

Theme by Anders NorenUp ↑