KutBinnenlanders.nl

Maand: juli 2012 (Page 2 of 6)

Een kleine geschiedenis (4)

Uit: Een broekzak vol rijst, ongewone verhalen uit Indonesië
Auteur: Theo Wilton van Reede
Het verhaal is wegens de grote lengte over meerdere afleveringen verdeeld.

HERMAN SUGUIANTO

Herman Sugianto was geboren in een kerstnacht toen moessonregens dwars door het lekkende dak in dunne straaltjes op de buik van zijn  moeder liepen. Zijn oma wist het nog precies en elk jaar met Kerstmis maakte ze weinig onderscheid tussen het Kindeke Jezus en haar kleinzoon. Eigenhandig had ze Herman ter wereld gebracht; een daad overigens die ze niet van bijzondere aard achtte.
Ze woonden nog steeds in hetzelfde krakkemikkige huisje van die bewuste nacht, al lekte het dak niet meer en waren nu hier en daar muren van baksteen die het gedek vervangen hadden.
Oma sliep in het bed van toen dat met haar antieke kledingkast het enige meubel van niveau vormde. Beiden waren, net als zij, overblijfselen uit de Hollandse tijd en met wat foto’s de enig zichtbare tekenen dat Oma ooit een grande dame was geweest, in het bezit van rijtuigen en paarden, een eigen zwembad en een stoet aan bedienden.

Herman was een van de jongste telgen van een oude Indische familie die al vele generaties op Java woonde. Zijn eigenlijke naam was De Boer maar na 1958, toen Hollanders en Indischen moesten kiezen tussen naar Holland vertrekken of Indonesiër worden, bleek het beter een Javaanse naam aan te nemen.

“Ja, lieve jongen,” placht Oma te zeggen als ze hand in hand op de rand van het oude bed heimelijkheden zaten uit te wisselen, “eigenlijk ben jij een De Boer, al verlangen tijdgeest en plaats soms van je dat de nadruk ligt op je Javaanse zijde. Vergeet nooit dat je evenzeer een De Boer bent. Een De Boer is een volhouder; een koppige, trotse volhouwer. Je vader is zo, je grootvader was zo en je overgrootvader ook.”

Oma kon de dingen mooi zeggen en dat was precies de reden waarom Herman, in tegenstelling tot zijn broers en zusjes, het Nederlands vrij goed beheerste want in de loop van de zestien jaren die volgden op die kerstnacht, had zich tussen Oma en Herman een nauwe band ontwikkeld. De gesprekken op de rand van het oude bed vormden er de hoogtepunten van. Oma had het meerendeel van haar acht kinderen naar Holland zien vertrekken: ze hoorde vrijwel nooit meer iets van ze. Ze was bij de drie kinderen gebleven die voor Indonesië kozen. “Die hebben mij het hardst nodig.”, had ze gezegd. Met haar kinderen was ze maatschappelijk mee afgezakt, want in de jaren vijftig was het tij niet gunstig voor de honderdduizenden die voor Indonesië hadden gekozen. Elke druppel Nederlands bloed werd tegen hen gebruikt omdat ze in de ogen van de politiek niet betrouwbaar waren.

Dat het Nederlands een verboden taal werd, had Oma veel verdriet gedaan.

“Ach, lieve jongen, wat was dat moeilijk. Oma heeft nooit anders gesproken dan Nederlands, behalve dan met de bedienden. Dat moest wel, vroeger, in de oude tijd. Voor ons Indischen was het niet makkelijk onder de Hollanders. Die discrimineerden heel erg. Dat was bij de wet geregeld. En als je dan ook nog slecht Nederlands sprak…. Je grootvader was een volbloed Hollander hoor, een echte De Boer, al was hij op Java geboren. Hij sprak ook Maleis en Javaans. Er waren niet veel Hollanders die dat konden. Die keken op die talen neer. Dat was ‘inlands’ vonden ze. En wat ‘inlands’ was, was niet goed. Verinlandsen, dat was erg, toen, in die tijd ….”

Ze slaakte op zo’n moment een diepe zucht terwijl haar woorden uitdreven op de warme lucht die in haar kamertje hing.
“Oma heeft veel meegemaakt,” dacht Herman dan, “eerst gediscrimineerd door de Hollanders, toen door de Japanners en daarna door de Indonesiërs. Kasian, aldoor maar in de hoek waar de klappen vallen.”

“Maar u heeft het toch ook goed gehad vroeger, Oma? Toen u dat grote huis had en paarden en bedienden?”

“Ja, lieve jongen, maar ik moest ook op de achtergrond blijven omdat ik een beetje bruin ben. Ik kon bij feesten niet altijd met Opa mee. Voor je grootvader was het niet zo goed, getrouwd zijn met een vrouw die een beetje bruin is…. helemaal niet zo goed.”
Dan zweeg ze even.
Om er ineens achter aan te zeggen: “Maar Opa en ik hielden heel veel van elkaar. Hij was een goeie man. Een echte De Boer!”

Zo had Herman, haast spelenderwijs, Nederlands geleerd. Niet omdat hij het zielig vond voor Oma dat haar andere kleinkinderen weinig Nederlands spraken, al konden ze veel verstaan, maar omdat het Nederlands de natuurlijke taal was tussen  hen beiden als ze hand in hand op de rand van het bed zaten.
“Indonesisch spreken!”, had zijn vader altijd gezegd, “je woont in Indonesië, je bent Indonesiër, hier ligt je toekomst!”
En hij sprak uitsluitend in het Indonesisch tegen Herman omdat hij altijd dacht aan de tijd dat Nederlands een verboden taal was. “Je heet nu Sugianto! Herman Sugianto!”
“Je bent een echte De Boer!”, zei Oma en sprak vanaf zijn babytijd nooit anders dan in het Nederlands tegen hem.
Zo was Herman opgegroeid; Nederlands sprekend met zijn Oma, Indonesisch met zijn vader en Jakartaans met de andere kinderen uit de kampung.

Van discriminatie had hij nauwelijks iets gemerkt, al werd hij soms geplaagd. Want, hoewel hij een lief karakter had, kon hij soms uit de hoogte doen op school.
“Hollander! Hollander!” riepen de kinderen dan. Maar ze plaagden ook anderen. “Javaan!” scholden de Sundanezen. En “Sundanees!” scholden de Javanen. En allemaal werden ze geplaagd door de kinderen van wie de ouders en voorouders altijd al in Jakarta hadden gewoond en die Betawi spraken.

Zoals gezegd, Herman had een lief karakter. Hij was zorgzaam en hielp vaak met klusjes in huis. Hij was zacht, op het vrouwelijke af soms.
Zijn vader, een echte De Boer ook al heette hij nu Sugianto, zag het met lede ogen aan.
Al vroeg begon Herman zich goed te verzorgen, daarin gestimuleerd door Oma, die altijd met zijn nagels en zijn haar bezig was en zo handig was dat ze van lappen stof zelf mooie blouses voor hem kon naaien.
In zijn vroege jeugd leek hij nog een kacong onder de kakongs maar langzamerhand werd hij steeds vrouwelijker. Hij liet z’n volle haar groeien tot het in prachtige golven langs zijn gelaat viel. Hij manicuurde zijn nagels en zorgde er altijd voor wat geld bij elkaar te krijgen opdat Oma mooie kleding voor hem kon maken.
Toen hij zestien was, was hij al lang geen echte jongen meer. Zijn klasgenoten, die hem vroeger nog hadden geplaagd met zijn vrouwelijk voorkomen en optreden, hadden hem geaccepteerd zoals hij was, al deed een enkeling natuurlijk wel eens vervelend. Hij wist zelf heel goed wat en wie hij was en zag zichzelf als man én vrouw.
Alleen hoe het verder moest, dat was voor hem een beangstigende vraag.

“Oma,” zei hij op een middag toen er niemand anders thuis was en ze samen op de rand van het oude bed zaten, “Oma, ik kom dit jaar van school en ik weet niet wat ik moet gaan doen. Om door te gaan met leren, is veel geld nodig en dat hebben wij niet ……”
“Nee, lieve jongen, wij hebben maar weinig geld. Daarom heeft Oma altijd zelf kleding voor jou gemaakt. Oma heeft altijd geprobeerd mooie kleding voor jou te maken. Maar Oma wordt oud, ze kan niet zo goed meer zien en haar vingers doen al pijn van de reumatiek. Oma is ook al zo oud …. veel te oud ….”
Ze zweeg, de handen van haar kleinzoon in de hare. Ineens straalde ze iets verdrietigs, iets moedeloos uit.

gedek: wand van gevlochten bamboe.
kasian
: je moet er medelijden mee hebben!
kampung: stadswijk.
Betawi: Jakartaans (vgl. Batavia).
kacong: katjong: (speelse) jongen.

Morgenvroeg om 9u het vervolg van dit verhaal.

Een kleine geschiedenis (3)

Uit: Een broekzak vol rijst, ongewone verhalen uit Indonesië
Auteur: Theo Wilton van Reede
Het verhaal is wegens de grote lengte over meerdere afleveringen verdeeld.

Aloysius had een kortstondig avontuur op het plekje van Siti bij de spoorbaan, waarbij alle initiatief bij Siti lag. Aloysius, staande geleund tegen een boom, raakte de gehurkte Siti nauwelijks aan. Hij onderging zijn avontuurtje met grote intensiteit want, inderdaad, Siti beheerste haar vak dat zij met een grote gevoeligheid, overgave en tederheid uitvoerde.

Ze had, toen zij zich aanprees, geen woord te veel gezegd.
“Was het goed?”, vroeg ze terwijl Aloysius, lichtelijk buiten adem, zijn kleding weer fatsoeneerde en het voorhoofd bette, “Heb ik het goed gedaan? Heb jij genoten? Als het niet goed was dan moet jij dat zeggen hoor.”
Ten teken dat het goed was geweest, sloeg Aloysius een arm om haar heen en drukte haar even tegen zich aan. Ze rook verrukkelijk.

Het was gek, flitste het door hem heen, ze was zo mooi en zo lief en toch was er niets banaals geweest aan dit exotische contact tussen de jonge, zeer vrouwelijke en zeer Indonesische Siti en de veel oudere Nederlandse ambtenaar van de Moderne Industriestad.
Hij voelde zich goed en was niet alleen onder de indruk van haar schoonheid maar vooral ook van haar persoonlijkheid en warmte.

Nadat hij haar betaald had, bleven ze samen nog wat staan praten waarbij zijn houding ineens onzekerheid uitdrulte.
Siti voelde feilloos aan welke de reden was van die aarzeling.
“Vind jij mij lief?”, vroeg ze zacht terwijl ze zijn handen in de hare nam.
“Ja, heel lief.” Hij vond het prettig, zo met zijn handen in de hare. Het voelde natuurlijk.
“Ben jij dan bang om mij weer te zien?” Haar grote ogen keken hem aan.
“Nee, bang niet ….” Hij maakte zijn zin niet af.
“Zal ik jou dan een afspraakje voorstellen? Wil jij dat wel?”
Ja, dat wilde hij wel. Hij knikte bevestigend.
“Weet je, ik kleed mij niet altijd zo aan ….”
Ze sloeg de spijker op de kop.
“Ik werk elke dag. Ik kap. Ik ben kapster. Ik werk in een beauty salon. Ik ben een goede kapster.”
Aloysius twijfelde er niet aan.
“Ik werk morgen tot vier uur. Zal ik dan bij jou komen? In jouw hotel? Dan drinken wij samen wat op jouw kamer? Vind jij dat fijn? Ik ben overdag ook mooi, niet alleen ’s avonds.”
Ze sloeg alweer de spijker op de kop.

“Wat is jouw kamernummer?”
Aloysius gaf het nummer.
“Ben jij in Kartika Plaza?”
Hij was kennelijk niet de enige.
“Er wordt daar niemand boos op mij hoor. Ze weten daar wel dat ik een ondeugend meisje ven dat met mannen speelt. Ze plagen mij er niet mee hoor. En ze zullen jou ook niet plagen. Geloof jij mij maar. Hoe heet jij?”
“Aloysius.”
“Oh, wat een mooie naam. Ben jij katholiek? Ik ook hoor.”
Ze zei het op een toon alsof hij zich er niet voor hoefde te schamen.
Aloysius gaf zich over.

 Goed, zei hij, “Morgenmiddag op mijn kamer. Ik zal op je wachten. Om vijf uur.”
“Ja,” zei ze en liet stralend een schitterend gebit zien waarin de maan leek te reflecteren, “vijf uur op z’n Hollands: ik mag van jou niet te laat komen.” Ze lachte op een manier die aan kerstklokjes deed denken.
“Dààg, tot morgen. Ik ben er hoor!” Ze draaide zich om en liep zelfbewust en heupwiegend weg, wetend dat Aloysius haar nog een stukje moest volgen.
Even later waren ze terug op Jalan Sumenep.
“Dààg! Dahdah!” riep ze nog een keer en, voor haar doen hard: “Tot morgen!” Het klonk als een communiqué voor haar vriendinnen onder de boom die luid giechelend reageerden.

Aloysius zwaaide vaag in de richting van de boom en liep terug naar het hotel, langs de eetkramen met de ballen.
“Hey, Mister, was it good?” werd er geroepen.
Dit vond Aloysius wél banaal en hij reageerde dan ook niet.
Even later was hij terug op zijn kamer.

Die nacht en de hele daarop volgende dag maakte Aloysius vele overwegingen.
Hij overdacht zijn ervaringen en gevoelens rond Siti. Hij overdacht zijn eigen positie. Hij dacht aan de mannen met Aziatische vrouwen. Hij dacht aan de mogelijkheid van een gezamenlijk leven in Holland. Hij dacht aan de rust die hij in Jakarta gevoeld had en aan de stroomversnelling waarin hij nu verzeild leek te raken. Hij keek naar de manier waarop hij tot dan toe in Indonesië had gereageerd en overwoog en berekende kansen.
Om uiteindelijk te beslissen dat hij gewoon zou doen wat hij aldoor had gedaan: hij zou wel zien wat er gebeurde.

Hij had extra zorg aan zijn uiterlijk besteed toen, precies om vijf uur, zacht op zijn deur werd geklopt. Toch enigszins gespannen, liep hij op de deur toe.
Toen hij die open deed, stond daar een jongen in perfect sluitende, witte jeans met een ruimvallende, blauw-met-bruine batikblouse en een dunne gouden ketting rond de hals. Hij had halflang, gitzwart haar dat in een jongensachtige golf voor het voorhoofd viel, quasi nonchalant. Grote, donkere ogen keken hem vragend aan terwijl om de lippen een vage, licht onzekere lach speelde.

“Dag.” zei hij.
“Dag.” zei ook Aloysius automatisch, onvoorbereid op een ontmoeting anders dan met Siti.
“Herken jij mij niet?” De stem, de intonatie en het accent waren onmiskenbaar die van Siti.
“Mag ik binnen komen?” De stijl was eveneens onmiskenbaar de handelswijze van Siti.

Aloysius, in reflex, opende de deur verder en zijn hand gebaarde richting fauteuils.
Nauwelijks minder vrouwelijk dan Siti liep de jongen de kamer in terwijl hij zijn hand in het voorbij gaan kort liet rusten op de arm van Aloysius.
Toen draaide hij zich om en zei ontwapenend en met een lach die recht uit zijn hart leek te komen:
“Ik heet alleen ’s avonds Siti. Overdag heet ik Herman.”

Aloysius en Herman hebben lang gepraat, die avond, waarbij Aloysius tot zijn verbazing bemerkte dat het hem eigenlijk weinig uitmaakte of deze Herman/Siti een jongeman was of een vrouw of allebei. Het deed niets af aan de gevoelens die hij steeds sterker voor Herman begon te voelen.

Herman legde hem uit dat hij een banci was, iemand die man is en vrouw. Een banci wordt ook wel wadam genoemd, een samentrekking van wanita, vrouw, en Adam.
Er zijn banci’s die zich laten ombouwen en er zijn banci’s die door het leven gaan als travestiet. Veel banci’s gaan in de prostitutie om zo geld te verdienen voor een ombouwoperatie in Singapore.

“Indonesiërs respecteren ons,” legde Herman uit. “Dat komt nog uit het hindoeïsme: de goden schiepen mannen, de goden schiepen vrouwen en de goden schiepen mensen die beide zijn. Deze laatsten zijn door de goden gezegend. Rijke Jakartanen nemen hun zonen voor de eerste sexuele ervaring mee naar zo’n banci. Dat is een goed voorteken voor een vruchtbaar leven, dat wil zeggen, een leven dat rijk is gezegend met zonen.”

Aloysius luisterde aandachtig terwijl Herman rustig en met zachte stem uitlegde. Herman had er een sigaret bij opgestoken en zat, in een zeer vrouwelijke houding, in een fauteuil. Aan een drankje waren ze nog niet toegekomen.

“Wij zijn zo geaccepteerd in Indonesië dat wij zelfs een eigen vakbond hebben. En die vakbond heeft weer een vertegenwoordiging in het parlement.” Herman zei het niet zonder trots. “Jij vroeg gisteren hoe het komt dat ik Nederlands spreek. Ik heb jou al verteld dat ik Indo ben. Ik weet niet hoe het komt, maar veel indo’s in Jakarta zijn banci. En van thuis uit krijgen wij natuurlijk nog wat Nederlands mee. Maar dat is niet de enige reden. Om lid te kunnen worden van onze vakbond moet je Nederlands kunnen spreken. Nederlands is voor ons een soort geheimtaal. De klanten kunnen ons dan lekker niet verstaan. Wij kunnen roddelen over onze klanten of elkaar waarschuwen. Sommigen van ons gaan een jaar naar een kapper in Limburg, in Holland. Daar leren zij Nederlands en ze verdienen zo veel geld dat ze dure kleding kunnen kopen en zo een dure prostituee kunnen worden. Of ze kunnen zich van dat geld laten ombouwen.”
Aloysius was onder de indruk van het verhaal.

Ineens sloeg de rustige, warme en bescheiden stem van Herman om en kreeg een klank waarin angst doorklonk.
“Weet jij,” vervolgde hij, “soms ben ik wel bang. Ik ben nu nog mooi en jong. Nu is banci zijn nog niet erg. Maar ik ben bang voor later ……”
Het woord ‘later’ bleef dominerend in de lucht hangen.
“Ik moet nu een carriere zien te maken en geld verdienen voor goede kleding. Ik wil proberen de minnares te worden van iemand die belangrijk is, geld heeft …. Vrouwen vinden het niet zo erg als hun man wel eens een banci bezoekt. Maar als ik niet genoeg verdien om een eigen kapsalon te beginnen of minnares te worden, hoe moet het dan als ik oud en lelijk ben en niemand mij meer wil.”
Zijn grote donkere ogen, waarin Aloysius wegzwom regelrecht de oneindigheid in, straalden iets heel teers uit.

“Jij bent nog niet lang in Indonesië maar jij zult ze nog wel zien, hier in Jakarta of ergens anders op Java. Jij zult ze zien bij warungs, eetstalletjes: oude magere vrouwen die zingen en zichzelf op een tamboerijn begeleiden. Altijd met tamboerijn, die vrouwen. Het zijn mannen. Maar ze hebben niet genoeg verdiend. Of ze hebben te veel uitgegeven. En dan moeten ze wel zo leven, met een tamboerijn.” Die tamboerijn leek iets ernstigs te zijn voor Herman.
Toen, weer vrolijker:
“Maar bijna iedereen geeft geld hoor, telkens honderd pop, telkens honderd rupiah.”

Tussen Aloysius en Herman ontwikkelde de relatie zich snel en hevig in de daarop volgende dagen en weken; Aloysius werd uiteindelijk dan toch de ridder op het witte paard.
Hij ontwikkelde jegens Herman een complex aan gevoelens. Hij was duidelijk verliefd maar er was ook iets vaderlijks gegroeid. En als hij het had over Nederland, werd hij leraar.
Aloysius kende zichzelf amper terug. Hij was verbaasd over wat in hem verborgen was geweest, al had hij dan ooit missionaris willen worden, en hij wasverbaasd over zijn eigen ontwikkeling. Het meest verbaasd was hij over het feit dat, toen was besloten dat Herman om te beginnen een jaar bij hem zou gaan leven in Holland, het hem weinig kon schelen wat zijn collega’s er van zouden vinden.

Morgenvroeg om 9u het vervolg van dit verhaal.

Stad Spreek Tot Mij (11)

STAD SPREEK TOT MIJ

Stad van liefde, stad van haat, stad van gestoorden, stad van kwaad. Stad van schreeuwers, fluisteraars ook, stad van helderheid, stad van rook. Stad van doeners, stad van denkers, stad van criminelen, stad van krenkers. Stad van angsten, dood en bederf, stad van vreugde, afgebladderde verf. Stad van eenzamen, stad van verdriet, stad spreek tot mij, onthoudt mij uw woorden niet. Stad van mij, van jou, stad van ons allemaal, stad bewaar uw geheimen niet, vertel mij uw verhaal.

Arjan O.

Hofnar van de ondergang (33)

“Je ziet er goed uit, kerel.” Stan’s grijns had iets triomfantelijks. “Laat me raden, je hebt geheupt ?”

Diederik moet hem vragend aan hebben gekeken, want Stan lachte en klopte hem op zijn rug.
“Heupen, Diederik, je moet af en toe heupen. Goed bezig dus.”

“Heupen ?”

“Zeker. Heupen. Ik heup, jij heupt, wij heupen, we zijn van heupegem gegaan, even stevig de heuperitis opgelopen hebben. Jeweettog.” Stan knipoogde, waardoor de betekenis van dit nieuwe werkwoord weinig te raden overbleef.

“Je bedoelt- ?”

“Jezus, heb je nog nooit van heupen gehoord ? Blijf een beetje bij de tijd man. Iedereen zegt dat tegenwoordig. Ik vind het wel wat hebben. Neuken, maar dan met een liever klankje.”

Diederik bromde een “hm” en dronk van zijn bier.

Stan keek hem aan. “Wel ?” vroeg hij ongeduldig.
“Kom op, vertel. Beetje lekker wijf ?”

Diederik keek Stan terug aan en draaide met zijn ogen. Stan grinnikte.

“Ik kan het me bijna niet voorstellen met dat frituurkleurig haar dat je nu hebt, maar wie weet. Je bent wel ineens een bekend persoon in het nieuws nu. Ik kan me daar wel wat verknipte groupies bij voorstellen.”

Diederik gaf Stan een ijzige blik. “Ja, daarover. Mjn moeder belde me in paniek. En ik kan niet eens meer mijn appartement in, daar ligt een legertje aasgieren met camera’s in hinderlaag. Ik ben er niet blij mee, Stan.”

Stan glimlachte. “Dat komt wel. De publiciteit heeft een mooi bod opgeleverd. Maar daar vertel ik je binnenkort wel over. We zijn alvast hard bezig voor je om het allemaal te regelen.”

Diederik haalde zijn wenkbrauw op. “Een bod ? Van wie ? Wat is de zelfmoordfantasie ?”

Stan zwaaide nonchalant met zijn hand. “Maak je niet druk. Dat merk je nog wel. Nog een bier ?”

Diederik greep Stan’s arm. “Stan. Wat voor bod ?”

“Het kost veel voorbereiding, Diederik. We zijn de bieder aan het checken en bezig met voorbereidingen om de verzochte fantasie te kunnen ensceneren. We lichten je in wanneer het tijd is om jou in te lichten.”

Diederik fronste terwijl Stan met een bier terugkwam. “Maar ik plaag je maar met dat haar, gast. Het staat je best goed eigenlijk. Alleen jammer dat je dit nu al gedaan hebt. Je had het beter erna gedaan.”

“Hoezo erna ?”

“Nou ja, het is natuurlijk niet zo handig als jij, Diederik, gewoon nog rondloopt nadat je zogenaamd zelfmoord gepleegd hebt voor, zachtjes uitgedrukt, nogal wat geld. Daar had ik van tevoren ook al over nagedacht. Je moet dan een andere identiteit krijgen. Dat regel ik wel, ik ken daar mensen voor.”

Diederik twijfelde er niet aan. Stan, de eeuwige gladde ronselaar. “Een hele nieuwe indentiteit Stan, de hel ?”

Stan knikte zijn hoofd: “Yep. En dan halen we misschien dezelfde truc nog een keer uit. En nog een keer. We lopen helemaal binnen, gast.” Hij lachte. “Dit is met stip het beste idee dat je ooit gehad hebt. We worden nog Suicide, inc.”

Diederik kreeg een heel zure smaak in zijn mond.

Een kleine geschiedenis (2)

Uit: Een broekzak vol rijst, ongewone verhalen uit Indonesië
Auteur: Theo Wilton van Reede
Het verhaal is wegens de grote lengte over meerdere afleveringen verdeeld.

Ietwat onwennig keek Aloysius rond zich heen. Een menukaart was er niet.
“You want soup or sate?“, vroeg de restaurateur terwijl hij met een wijds gebaar naar boven en naar de schalen op de tafel wees.
En toen zag Aloysius het pas: aan de lengtebalk van de kraam hingen grote trossen gekookte testikels, precies als druivetrossen. Voor zijn gevoel keek ijk er minuten naar. Toen hij, enigszins gegeneerd, weer voor zich keek, keek hij recht in een schaal met grote ballen, keurig in kegelvorm opgestapeld.
De restaurateur, wachtend, keek hem vragend aan.
Een jonge knul die naast hem zat, schoot hem te hulp.
“You choose, Mister. You want big or small? You choose. You point! I help! You like big? Yes, you like big!“, en hij wees naar een paar grote testikels die roomkleurig glansden in het licht van de gaslampen en TL-buizen.
“You like soup? Yes you like soup. You take soup. Good for you. This soup make strong.” Hij keek Aloysius stralend aan.
Ach, het was ook eigenlijk de gewoonste zaak van de wereld: het uitzoeken van soep- of sateballen, bedacht Aloysius. Hij zou waarschijnlijk een goed missionaris zijn geweest met een open geest voor lokale gebruiken.
“Ball from goat. Make you strong.“
Ook deze knaap demonstreerde het hulpvaardige karakter van de Indonesiërs dat Aloysius de laatste dagen al zo vaak had getroffen. Het ontroerde hem.

“You eat soup. Then you go to woman!” De knul lachte uitbundig, evenals alle anderen. Het begon Aloysius duidelijk te worden waarom hij iets van een samenzwering had geproefd toen hij plaats had genomen temidden van de Jakartanen: het nuttigen van bokkeballen scheen de viriliteit te bevorderen.
“High protein.” verklaarde de knaap nog ten overvloede.
Aloysius vond het best. Hij begon zich op z’n gemak te voelen: al haast een Indonesiër. Hij voelde zich opgenomen al ging zijn participatie in het geheel niet zover dat hij van plan was die avond een vrouw te gaan bezoeken.
De soep kwam snel en smaakte Aloysius best. De anderen keken met spanning hoe hij de plakken bal verwerkte.
Hij lachte maar eens en zei:
“Good. Very good!“
De anderen herhaalden die woorden met enthousiasme. Het “Good, very good!” gonsde van kraam naar kraam.
De jongen naast hem stond er op dat hij ook een bal van zijn satespies zou proberen, een gerecht dat toepasselijk sate torpedo heette. De geroosterde bal deed Aloysius denken aan een bitterbal. Het was ongeveer hetzelfde.
Aloysius genoot echt van het etentje en maakte, zo goed en kwaad als dat ging, nog een praatje vooraleer hij zijn wandeling naar het parkje voortzette.

Aloysius liep langzaam terwijl hij de bomen, de krekels, de eetkramen, de lichtjes, de geuren en de hangende halve maan op zich liet inwerken. Eigenlijk was hij wel wat verbaasd dat hij zo makkelijk inburgerde. Het deed zijn zelfvertrouwen voelbaar goed. Al slenterend overdacht hij hoe groot de indruk zou zijn die hij op de collega’s zou maken als hij hen zou tracteren op het verhaal van de avontuurlijke maaltijd die hij zojuist had genoten.
Haast onverwacht doemde het parkje voor hem op aan de linkerkant van de weg.
Hij zag dat Jalan Sumenep nog een eind door liep. Omdat het parkje niet erg groot leek te zijn, besloot hij er om heen te lopen.

Hij sloeg linksaf en had nog nauwelijks enkele meters gelopen toen, vanuit het duister onder een grote boom, een diepe maar vrouwelijke stem hem aan riep:
“Hello, my darling! Where are you going?“
Een andere stem, hoog en bijna ijl, voegde er aan toe:
“Come, why don’t you come en talk to us? Are you English? American?“
“No, no, I’m Dutch.“, liet Aloysius zich ontvallen.
“Aaah, Holland, jij bent van Holland!” reageerde de hoge, ijle stem, “kom hier, dan maken we een praatje.”
Het was perfect Nederlands maar met een accent.
De situatie overviel Aloysius helemaal. Hij raakte er echter niet van van de kook. Hij reageerde zoals hij de laatste dagen voortdurend had gedaan: hij liet de situatie op zich af komen.
Hij draaide zich om en ontwaarde, terwijl zijn ogen aan het duister wenden, onder de boom vlak bij een lantaarn, een klein groepje vrouwen in zaterdagavondkleding die er niet om loog.

“Oooh, wat ben jij een mooie man! Heb jij een sigaret voor mij?” Het was dezelfde hoge stem. Aloysius kon nu zien wie er bij die stem hoorde.
Het was een jonge vrouw met vol, halflang haar dat zwart glansde in het vage, gelige licht van het lampje in de lantaarn. Ze had grote, donkere ogen en een onindonesisch rechte neus in een gelaat dat prachtig symmetrisch was gevormd. Hij vond het jammer dat haar lippen zo dik en knalrood waren aangezet. Hij registreerde het in een oogopslag.
“Heb jij een sigaret?”, klonk het nogmaals, “Ik heet Siti.”

Ze waren met z’n vieren, de vrouwen, maar of het door haar stem kwam of door haar Nederlands, Aloysius had duidelijk het meeste oog voor Siti.
Aloysius rookte zelf niet maar hij had geleerd dat het erg praktisch is om in Indonesië sigaretten bij je te hebben. Hij reageerde dan ook met een hoffelijk gebaar.
De andere vrouwen, die tot Aloysius’ verbazng ook wat Nederlands spraken, namen giechelend en zonder te vragen eveneens een sigaret uit het pakje.
Passerende auto’s en brommers toeterden nadrukkelijk.

“Wil jij een avontuurtje?”, vroeg Siti, “Ik ben erg goed. Vraag maar aan hen.”, en ze wees op de andere vrouwen.
“Ja hoor, ze is goed, maar ik ben beter!” zeiden ze alle drie en maakten, als jonge meiden elkaar aanstotend, gebaren die aan duidelijkheid niets te wensen over lieten.
Aloysius raakte weliswaar ineens opgewonden maar vond het toch niet de juiste plaats en het juiste tijdstip om zich in het voorgestelde avontuurtje te werpen.
Hij besloot het gesprek naar zich toe te trekken.

“Hoe komt het dat jij zo goed Nederlands spreekt?”, vroeg hij aan Siti.
“Oh, ik ben Indisch. Bij ons thuis wordt vaak Nederlands gesproken.”, antwoordde Siti. “Er zijn veel Indo’s in Indonesië, miljoenen. Er werken er ook veel hier op Taman Lawang. Maar ik ben de mooiste en de beste!”
Terwijl ze zich zelfbewust uitdrukte, bleef haar stem zacht, warm en vooral bescheiden. Aloysius begon te smelten.
“Neem jij me mee naar je hotel?” Ze vroeg het niet smekend, de vraag kwam eerder heel vanzelfsprekend over.
“Nee, dat was ik niet van plan.”, antwoordde Aloysius eerlijk.
“O, jij wilt hier tussen de bosjes? Kom maar, ik weet een mooi plekje vlak bij de spoorbaan. Ze pakte zijn arm al.

“Hoho, ik ben helemaal niets van plan!”
“Maar ik ben toch mooi?”
“Ja, heel mooi. Maar je gaat me veel te snel.”
Per ongeluk gaf Aloysius haar met die laatste opmerking houvast.

“O, jij bent er eentje die rustig wil genieten. Dat is goed. Heel goed. Ik heb alle tijd hoor, maar geef jij me dan wel een beetje geld want uik kan nu niet naar andere mannen lonken.”
Ineens schoot Aloysius een liedje van Wim Sonnevelt binnen: ‘… ze lonkte naar iedere man …’
Het was een woord dat hij in Nederland lang niet had gehoord.
Heel even aarzelde Aloysius. Toen pakte hij zijn portemonnee en gaf Siti een biljet van 5.000 rupiah, ongeveer vijf gulden, terwijl hij zei:
“Hier, dit is voor jou. Ik wil nu niet met je mee. Ik wil eerst wandelen. Alleen. Ik heb net gegeten.”
Hij draaide zich om en liep weg.
“Kom je terug?!”, riep Siti hem na.
“Ja, ik kom terug. Straks.” gaf Aloysius ten antwoord.

Eigenlijk was hij dat helemaal niet van plan maar hij merkte dat hij een dubbel gevoel had. Aan de ene kant maakte Siti een diepe indruk op hem en voelde hij zich sterk tot haar aangetrokken. Aan de andere kant was hij toch wat bleu, terwijl bovendien de situatie zich voor hem te snel ontwikkelde.
Hij wilde tijd winnen, hij wilde bij haar zijn maar hij wilde ook wandelen, hij wilde het avontuurtje wel maar toch ook weer niet, alles was nieuw maar uiteindelijk probeerde hij alles in Jakarta waar nu eenmaal alles nieuw voor hem was. Het was verwarrend.

Hij liep verder, nageroepen door weer andere vrouwen maar met Siti op het netvlies gebrand. Kort daarna belandde hij op een driesprong.
Hij voelde zich verward en was met zijn gedachten bij Siti, reden waarom hij niet meer in staat was dat wat hem onringde, in zich op te nemen.
Toen zag hij, schuin rechts vooruit, langgerekte witverlichte vitrinekasten. Hij besloot, ter afleiding, te gaan kijken wat er in te zien was. De vitrines bleken tegen het hek in een tuin te staan. Vanuit de langgerekte kast keek ayatollah Khomeiny hem boosaardig aan, de ogen waren het enige vlammende aan een verfletst, blauw portret. Er hingen portretten van nog andere, minstens even boosaardig kijkende figuren en er hingen kreten als ‘Death to Israel’. Aloysius bevond zich voor de ambassade van Iran.
Khomeiny bereikte precies het tegendeel van hetgeen hij beoogde: hij joeg Aloysius Bonthamer recht de armen in van Siti.

Morgenvroeg om 9u het vervolg van dit verhaal.

Donderdag: AHJ Dautzenberg en Joubert Pignon, Haarlem

Literatuur bij Horizonverticaal

Op donderdag 26 juli zullen de schrijvers A.H.J Dautzenberg en Joubert Pignon in Haarlem een gratis voorleesshow geven bij Horizonverticaal.

Deur open: 20:00
Optreden: 20:30-21:30
Tijdens het optreden blijft de bar open.

A.H.J. Dautzenberg werd op 13 december 1967 geboren in de Vroedvrouwenschool van Heerlen. Hij groeide samen met zijn tweelingbroer op in Schaesberg (Landgraaf). Na de middelbare school studeerde hij Economie in Tilburg. Later voltooide hij ook onder meer de studie Taal- en letterkunde. Hij woont tot op heden in Tilburg-Noord. Zijn nieuwe roman, Extra Tijd, verschijnt in augustus.

Joubert Pignon (1978) werkt in een dierenwinkel. Hij heeft een vriendin en een konijn. In zijn atelier schrijft hij zo kort mogelijke verhalen. Zijn verhalen zijn eerder gepubliceerd in onder andere Kort verhaal en Torpedo. Op 4 oktober (Werelddierendag) verschijnt zijn debuut, Er gebeurde o.a. niets.

Tijdens deze avond zullen deze twee volledig op elkaar ingespeelde rasartiesten een wervelende literaire voorleesshow geven waarbij het publiek heen en wordt geslingerd tussen diverse emoties.

A.H.J. Dautzenberg – WEB
Joubert Pignon – WEB

Cyclus

Voorgoed zwijgend
Drijft de rat in
Het water.

De buik omhoog
Een nieuwsgierige vlieg
Landt op hem
Kruipt wat rond
En begint zijn
Eitjes te leggen.

Zo valt er van alles
Wel iets te maken
De cyclus vind je overal.

Maar mijn hoofd staat
Niet naar zweverige zinnen
Over het wonder dat
Leven heet.

Ik denk enkel
Getver.

Zomergasten recensie: Henny Vrienten

Zomergasten 22 juli 2012

Henny Vrienten zanger en bassist van o.a. Doe Maar, geïnterviewd door een Vlaamse presentator: Jan Leyers.

‘Zomergazzzzzzzzzzzzzzzzzzzzzzzzzzz’ zei een vriend en gelijk had hij. Het was een slaapverwekkende uitzending. Op alle fronten (in de uitzending zelf maar ook op de site van de VPRO) wordt reclame gemaakt voor het Tweede Scherm, dat mij moet voorzien van aanvullende info. Net als vorig jaar ben ik van de nut ervan niet overtuigd. Alles wat ik verder wilde opzoeken heb ik uiteindelijk op eigen kracht moeten doen, gewoon via good old Google.

En zelfs dat hielp niet altijd. Zoals over de mededeling dat Doe Maar een beroep deed op inzendingen voor lyrics. Henny Vrienten kondigde aan dat iedereen een vervolg op de regel: ‘Op een dag komt de dag dat’ kon opsturen via facebook, twitter en website. Noem me een kluns, ik heb het nergens kunnen vinden. Blijkbaar ben ik de enige in heel Nederland, want volgens Henny worden er 1500 regels per dag opgestuurd, waartussen zeker bijzondere inzendingen. Zo vond hij er eentje zo geweldig dat hij dacht: “die moet erin”. Die bleek van Jan Rot te zijn. Vindt hij leuk.

Henny heeft een ipad maar hij twittert er niet mee. Ipads zijn blijkbaar heel handig voor muzikanten: je kan er je instrument mee stemmen, uiteenlopende muziekstukken afspelen en zelfs opzoeken: ‘Echt een uitvinding’.

Dan komt het eerste fragment: ‘La guerre du feu’, een film van Jean-Jacques Annaud. De presentator haalt Neanderthalers en Cro-magnons door elkaar. Henny corrigeert hem. Hij zegt dat de film Canadees is, wat mij verbaast want ik heb altijd gedacht dat die Frans was. Dat komt zeker doordat de regisseur een Fransman is. Maar inderdaad, de film is Canadees geproduceerd. Kijk, zo leer je ook wat, bij Zomergasten.

Zo leren wij (wij de niet fans, want de fans weten dat allemaal al lang) ook dat Henny Vrienten een Brabander is, die in Hilvarenbeek de eerste jaren van zijn leven heeft gesleten. Daarna naar Tilburg tot 34ste gewoond, en in 1984 naar Amsterdam verhuisd.

HV: ‘Voor de liefde’

JL: ‘Wilde de liefde niet naar Brabant? Toch gek dat Henny Vrienten waar ieder meisje voor naar Hawaï wil gaan naar Amsterdam moet verhuizen omdat zij niet naar Brabant wilt.’

HV: ‘Zo heb ik het nooit bekeken.’

Op de vraag ‘Hoe was het als Brabander in Amsterdam?’ wordt verder niet ingegaan. Wel over zijn beroep: ‘Ik vind het een redelijk abstract beroep “popster”. Je kunt er geen logische redenatie voor verzinnen. Ik vind het ridicuul ook. Het is niets. Leuk muziek maken met elkaar, platen maken, daar is niets leukers.’ Als kind wou hij missionaris worden. Hij ging er zelfs voor naar het seminarie, wat in het katholieke zuiden geen wereldschokkende stap was. Maar het geloof kwam maar niet: ‘Ik ben niet gelovig. Ik geloof niet in het hiernamaals maar in het hiervoormaals’. De priester wilde hem een banjo aansmeren. Henny hield voet bij stuk: banjo heeft geen sex appeal. Wist ie, als kind al. ‘Gitaar is djannnnnnggg en banjo is plonk.’ Hij kreeg een gitaar van zijn ma en ging op les bij ‘een boer in een rijtjeshuis’ waar hij ‘veel van geleerd heeft’. Hij vertikte het om liedjes na te spelen, ging steeds zoeken naar andere klanken. ‘Ik was toen al aan het componeren, maar dat wist ik niet.’

In de 80-jaren riep hij: ‘Mick Jagger is een geflipte ballerina’ en heeft dat geweten.

Zover gekomen weet je: Jan Leyers is oersaai. Alle mogelijk boeiende hints ploffen neer als zandzakken, en worden terstond begraven. Of misschien is het een omgekeerde chemie: dat het gewoon niet vonkt tussen die twee.

Het volgende fragment is de allereerste film die Henny in Hilvarenbeek op zijn zesde zag:

‘Feuerwerk/ oh mein papa’, een stukje van de koortsige droom van een meisje (een poepiejonge Romy Schneider) in een circus. Maar wat een eerste film om ooit te hebben gezien! Wat miet dat een indruk hebben gemaakt op die zesjarige ziel… Kijk, daarover had Leyers kunnen doorvragen áls hij die avond niet zoveel had gegeten.

Een cowboy jodelt bij het kampvuur en vervolgens zien we in Hey Hey Rock N Roll

de voorbereiding van een tribute voor Chuck Berry, een repetitie met Keith Richard. HV zegt van tevoren dat je niet zo met muzikanten om moet gaan. We zijn inderdaad getuige van een fikse ruzie tussen twee mega-ego’s. Aan het einde begrijp ik dat Henny het gedrag van Chuck afkeurde, die een notoire ruziemaker bleek te zijn geweest. Ik irriteerde me juist aan de neerbuigende toon van Keith Richards.

JL: ‘Hoe ben jij als je ruzie maakt?’

HV (voorspelbaar): ‘Ik maak geen ruzie. Ik zeg: “laten we daar later over hebben..” en dan hoop ik dat het later over is.[…] Een klein conflictje kan ik wel aan hoor Jan.’ Maar een klein conflictje ter plaatse uit zijn mouw schudden omwille van het kijkersgenot is Jan te ver gevraagd. Zandzak. Grond. Begraven.

Dan Atlantis, documentaire over Chet Baker “the great white hope of jazz”. Heel kort. Het tweede scherm geeft geen sjoegge. Gelukkig twittert Erik Lieshout, de maker van de documentaire, de link naar de hele film: http://www.outcastpictures.nl/nederlands/film11.html

JL: Chet Baker die uit zijn hotelkamer op de Prins Hendrikkande sprong. Maar nu ben ik zelf tweede scherm aan het spelen.’ Ennnn stop. Maar kom nou op met die smeuïge info!

Chet Baker: ‘Amsterdam is a city as if there is a party going on all year 24 hours a day‘. Nu gaat het gesprek over drugs. Of de Doe Maarders gebruikten. Ja dus,maar wordt niet gezegd wat. Twee vrienden van zijn Tilburgse jeugd zijn gestorven onder invloed omdat ze gekke shit uithaalden en een derde ging in een leeuwenkooi staan. Klinkt als LSD to me. HV rookte aanvankelijk wiet maar stopte ermee toen hij voor anderen ging componeren omdat hij ‘het er niet bij kon hebben’. ‘Je wordt er niet interessanter van.’

Henny ontpopt zich als een verwoede poëzielezer. Heeft ie geleerd op het seminarie. Schreef ook een gedichtenbundel: Zwaan Kleef Aan.

HV: ‘de sensatie van het uitgestelde begrip…’

JL: ‘dat klinkt als een coïtus interrumptus.’

HV: ‘je voelt in je tenen dat het prachtig is maar je weet niet waarom. Je leest het nog een keer en nog een keer en steeds kom je dichter bij de kern. Dat is een van de redenen waarom ik van poëzie houd. […] Poezielezen is een talent, vind ik. Er zijn meer dichters dan poëzielezers.’ Hij schotelt ons drie gedichten voor:

T.S. Elliots ‘Little Gidding’, een gezongen versie van ‘De mus’ van Jan Hanlo (’tjielp tjielp tjielp tjielp…’) en ‘Tyger’ van mysticus, poeet, tekenaar en rare man William Blake (1757-1827)

TYGER

‘Tyger! Tyger! burning bright
In the forests of the night, 
What immortal hand or eye 
Could frame thy fearful symmetry? 

In what distant deeps or skies 
Burnt the fire of thine eyes? 
On what wings dare he aspire? 
What the hand dare sieze the fire? 

And what shoulder, & what art. 
Could twist the sinews of thy heart? 
And when thy heart began to beat, 
What dread hand? & what dread feet? 

What the hammer? what the chain? 
In what furnace was thy brain? 
What the anvil? what dread grasp 
Dare its deadly terrors clasp? 

When the stars threw down their spears, 
And watered heaven with their tears, 
Did he smile his work to see? 
Did he who made the Lamb make thee? 

Tyger! Tyger! burning bright 
In the forests of the night, 
What immortal hand or eye 
Dare frame thy fearful symmetry? ‘

Geluiden zijn, het spreekt voor zich, belangrijk voor de muzikant. Bij de openingsscene van ‘Once upon a time in the West’, de spaghetti western van Sergio Leone op muziek van Ennio Moriccone, vraagt hij ons te letten op alle geluiden. ‘De geluiden zijn erg goed gedaan.’Had ik eerder wel opgemerkt, maar nu krijgen ze door die waarschuwing toch een extra dimensie, die geluiden.

Zingende Inuits, zingende pygmeeën…

HV: ‘Ik woon aan een grachtje, boten, vooral in de zomer, of huisvrouwen die denken je blij te maken met de zoveelste versie van [naam van een lied dat ik niet ken, oz] Ik hoor zoveel dat ik niet wil horen. Er is nu een naam voor… Zwerflawaai.’

Na het stukje uit ‘Coco and Igor’ dat de passionele verhouding tussen Igor strawinsky en Coco Chanel illustreert, een affaire die volgens HV enkel gebaseerd is op een gerucht, leren wij dat HV een fan is van Strawinsky. Met name zijn orchestratie luistert hij ‘met tintelende oren’.

HV: ‘In die film uit Strawinsky zijn emotie op de piano en zat zijn vrouw de partituur op te schrijven. Hij maakte zijn muziek met zijn handen, met zijn emoties. Ineens begreep ik het: ja, natuurlijk, zo maakte die man muziek, fysiek.’ Dat is koren op de molen van de ambachtsman die hij meent te zijn. (NB: HV componeert ook voor het kopersensemble van het concertgebouworkest “de beste muzikanten van de wereld”)

JL: ‘je zegt conflictvermijdend te zijn, maar kun je last hebben van een jaloerse bui?’

HV: ‘ik zou het wel voelen maar niet zo uiten. Ik ben niet een jaloers iemand. Ik ben pragmatisch. Als je vrouw het met iemand anders doet, dan houdt ze niet meer van je, simpel. Ik geloof niet dat ik een jaloers iemand ben, maar ik heb ook geen reden om het te zijn.’

De keuzefilm is de eerder genoemde meesterlijke ‘La guerre du feu’. De legendarische zoektocht van een stel homo erecti, met een verbluffende hoofdrol van Ron Perlman, die en passant leert een vrouw plezier te geven bij het neuken. Die sla ik over, want al drie keer gezien. Ik ben benieuwd wat de volgende aflevering van Zomergasten ons brengt. Ik heb deze uitgezeten omdat ik dat voor dit stukkie wel moest. Voor de volgende keer wil ik Jan Leyers adviseren om wat coke of speed te gebruiken. Of misschien voldoet een Red Bull. Als het maar iets oppeppends is. Ik hou Zomergasten anders het hele seizoen niet vol.

« Older posts Newer posts »

© 2026 KutBinnenlanders.nl

Theme by Anders Noren — Up ↑