KutBinnenlanders.nl

Maand: juli 2012 (Page 1 of 7)

Stad Spreek Tot Mij (12)

STAD SPREEK TOT MIJ

Stad van liefde, stad van haat, stad van gestoorden, stad van kwaad. Stad van schreeuwers, fluisteraars ook, stad van helderheid, stad van rook. Stad van doeners, stad van denkers, stad van criminelen, stad van krenkers. Stad van angsten, dood en bederf, stad van vreugde, afgebladderde verf. Stad van eenzamen, stad van verdriet, stad spreek tot mij, onthoudt mij uw woorden niet. Stad van mij, van jou, stad van ons allemaal, stad bewaar uw geheimen niet, vertel mij uw verhaal.

Arjan O.

 

Snaar

De vingers
beroeren
de snaren
en met
een intense blik
kijkt hij rechtstreeks
de ziel van zijn publiek in.

Met alle noten
op zijn zang
beroert hij
zijn luistervee.

De klankkast
ronkt
in zijn armen
Zijn aderen
gieren
en al zingend

borrelt zijn
laatste pintje
terug omhoog
in zijn keel.

Och,
denkt hij
mismoedig
terwijl het allemaal
oncontroleerbaar
uit de hand loopt.

Ik wou toch
altijd al
een artiest zijn
met de moed
op op zijn publiek
te kotsen.

Er klinkt geen applaus.

 

Nabeschouwing Sesamstraat #2, Meneer Aart

Oorspronkelijk hier gepubliceerd

Gisteren was alweer de tweede aflevering van het nieuwe Seizoen van Sesamstraat. Na de miskleun van vorige week, kon het niet anders of Pino zou zich willen revancheren. Was hij opgewassen tegen meneer Aart? De verwachtingen waren vooraf dan ook niet al te hooggespannen bij mij. Daar gaan we weer, dacht ik. Een hakkelende Pino en een meneer Aard die een pretentieus plot over een rode bal in een tuin richting moet geven. Met tussendoor uitgekauwde sketches van het verlopen duo Bert en Ernie. Neen. Ik had er een hard hoofd in.

De uitzending begon behoorlijk krampachtig. Pino schoot met een onnatuurlijk hoge boog de bal over de schutting. Ik kon zien dat er veel druk op de blauwe vogel zat. ‘Dat belooft nog wat voor de rest van de uitzending’, dacht ik. De grote rode (!) bal belandde met zogezegd een onrealistisch hoge boog – hoe hard kan een blauwe vogel nu helemaal trappen? – rara, in de tuin van Meneer Aard. O, o, wat een verrassing voor ons, de kijkers. Het was duidelijk dat de redactie hier weer liever lui dan moe was. Was er geen betere aftrap denkbaar geweest? Had de bal niet een ander kleurtje kunnen krijgen? De zenuwachtige introductie van Pino hielp evenmin. ‘Wat moet dit worden’, dacht ik nog.

Gelukkig was daar Meneer Aart. Hij nam koeltjes de teugels in handen. Verfrissend, na het gestuntel met Ieniemienie vorige week waarbij deze recensent zich meerdere malen afvroeg: ‘Who is in charge?!’. Haar muizige optreden had Pino duidelijk verrast en het was wonderlijk hoe slecht de toch door de wol geverfde blauwe vogel omging met de situatie. De hoofdrolspelers waren zichtbaar ongelukkig in hun rollen. Pino, de eeuwige aangever, wist zich geen raad met de bedeesde Iemiemienie die het woord aan hem liet. Ook de vlees-noch-vis-fragmenten deden afbreuk aan de eerste uitzending van het nieuwe seizoen. Maar met Meneer Aard was er eindelijk weer een leidend figuur aan boord. Of moet ik zeggen lijdend? Want zijn misantropische optreden ging door merg en been. Weer zijn bloemetjes plat door zo’n rode bal! Nee, de buurman van Pino was zeker niet te benijden! Net toen deze recensent medelijden dreigde te krijgen, dreigde hij de bal lek te steken.

Het middelste gedeelte voltrok zich in een stevig tempo. Bert en Ernie waren in vorm. Het fragment met Koekiemonster ontroerde en ABC-filmpje was bijzonder informatief. Dit kon weleens een leuke avond worden, dacht deze recensent. En toen moest het eind nog komen. Het optreden bereikte een climax door een schitterende verrassing. De verpersoonlijking van de rode bal. ‘Als je de bal stuk maakt, dan maak je zijn vader en moeder héél verdrietig’, riep Pino. Een briljante vondst en een zeer interessante wending. Wie verwacht dat een rode bal familie heeft? Meneer Aard krabbelde terug en toonde – hoe ironisch – zelf nu zijn menselijke gezicht. Hij had het allemaal niet zo bedoeld. Het was een grapje geweest. De bal mocht terug naar zijn vader en moeder, natuurlijk.

Het was een memorabele Sesamstraat-uitzending die naar meer smaakt
#nabeschouwing #zomergasten 2012 #sesamstraat

 

De Ooi

De schapen op de dijk zijn van Cor, want die pacht de dijk. 

Ze waren eerst een kruising van twee soorten. Dit jaar is er een Zwarte Tesselaar als ram bijgehaald. De jonkies hebben opeens zwarte koppen.

Waarom doen ze dat?’ vraag ik de boer.
‘Het is goed voor het onen.’
Het onen, dat is het kalven van ooien.

Eén ooi blèrt onophoudelijk. Twee schapen wachten op haar een paar meters verderop. Zij heeft haar hoofd afgewend van deze groep en blèrt. Opeens komen er drie jonkies aansnellen, ze klimmen de dijk op en voegen zich naar het groepje. Je ziet dat het jonkies zijn aan hun zwarte koppen en aan de grootte van de uiers. Bij de oude generatie bungelen die vol van melk. De ooi blijft de andere kant op blèren, waar heel in de verte nog een plukje schapen grazen. Dan draait ze naar de wachtenden toe en zegt: ‘Ze komen niet, verdomme. Ik ga ze even halen.’ En vertrekt. Haar achterpoten steken als de magere beentjes van een dame op leeftijd uit een vieze bontjas.

De rest wacht en kijkt haar na. Op een gegeven moment beginnen ze weer te grazen, maar blijven wel op dezelfde plek, die ze immers heeft aangewezen. Zij loopt wat sneller dan normaal naar de andere kant van de dijk toe. Ergens op driekwart blijft ze steken. Ze roept iets wat wij, noch haar volgelingen, kunnen verstaan. Iets later zien we haar grazen. Haar groepje wacht nog steeds, bij elkaar. Ze durven nog niet weg te lopen, maar gaan dat straks zeker doen. Zij is ze volkomen vergeten. Dat vinden zij helemaal niet erg.

Hoe heerlijk is het bestaan van het schaap.

 

politiehonden

Zo als velen van u weten was  ik Lowy als  jong mannetje van amper 8 jaar geintreseerd in politiehonden.Ik vond het geweldig wat die beesten presteerden .Toen kocht ik met 10 jaar mijn eerste herdershond.Ging op een dag toen die hond het was een teef)lees) vrouwtjes hond) met het beest toen het loops was naar het politieburo in Eindhoven.Ik ,kwam binnen en vroeg of er een agent was die door mijn hond gedekt wilde worde want ik wilde puppys als echte politiebhonen hebben. Groot was mijn verbazing toen de dienst doende commandant me zei dat doen onze agenten niet.Je moet vecht naar een kennel gaan om je hond te laten dekken.Ik dat gedaan en later bleek dat ik de beste  afgerichte hond van Nederland bezzat

 

Een kleine geschiedenis (6, slot)

Uit: Een broekzak vol rijst, ongewone verhalen uit Indonesië
Auteur: Theo Wilton van Reede
Het verhaal is wegens de grote lengte over meerdere afleveringen verdeeld. Dit is het slotstuk.

Herman deed het goed. Op zijn achttiende was hij een goed dameskapper. De vrouwen die in de salon kwamen, werden graag door hem geknipt. Behalve mooi, was hij immers ook zorgzaam. Ze wisselden vertrouwelijkheden met hem uit en gaven vaak wat extra.
Als Siti had hij een eigen stekje veroverd op Taman Lawang, onder een grote boom, vlak bij Jalan Sumenep. Het was een goed plaatsje. Klanten, vaak alleen het hoofd uit een raam stekend, bleven bij voorkeur uit het licht van de lantaarns.
Siti was populair geworden, zowel onder de klanten als onder de collega’s.
Ze woonde nog steeds bij Aminah en dat beviel haar goed.

Toen kwam de avond dat ze Aloysius Bonthamer ontmoette.

Omdat het nog vroeg was, had ze nog geen klanten gehad. Als eerste zag ze hem komen.
“Ihh, mager deze”, had ze tegen de andere drie gezegd. Ze giechelden veel onder elkaar.

“Ia, maar misschien is hij zwaar van het geld”, zei nummer twee.

“Als zijn zak maar zwaar is dan komt het geld van zelf”, voegde nummer drie er aan toe.

“Hij is van mij hoor, ik zag hem het eerst”, waarschuwde Siti.

“Ihh, vrije markt hoor!” reageerden de anderen.
Maar Siti was snel; ze had veel geleerd.

Hello, my darling, where are you going?” Hermans stem was niet echt gezakt, hetgeen hem als Siti goed van pas kwam.

“Oh, baru deze”, zagen de anderen onmiddellijk.

Siti had het liefst vaste klanten. Daar kreeg je tenminste geen susah mee. Maar ja, het was zaterdagavond en ze had nog neits verdiend.
Zo op een kleine afstand leek deze buitenlander wel netjes.

Come, why don’t you come and talk to us? Are you English, American?

Het was een verrassing dat deze man een Hollander was. Die waren zeldzaam op Taman Lawang. Siti kende er maar één persoonlijk: een professor uit Leiden. Maar áls er een kwam, moest ze altijd aan de woorden van Aminah denken. Ook nu en ze probeerde hem middels een gesprekje vast te houden. Als een man doorliep, was je hem meestal kwijt als klant.

Deze Hollander had wel iets, al was hij wat mager. Hij maakte een verlegen indruk. Daar hield Siti van, van verlegen mannen. Hij had een beschaafd voorkomen en een even beschaafde stem. Maar hij maakte niet de indruk een man van de wereld te zijn. Dat betekende dat ze wat meer overredingskracht aan de dag moest leggen.

Ze merkte, gaande het gesprekje, dat ze hem wat bingung maakte. Daar moest ze mee oppassen want een man die bingung was, werd geen klant. Door hem wat geld te vragen voor het gesprekje, kon ze de rollen duidelijker afbakenen, gaf ze de man meer vrijheid en de rol als gespreksleider.
Siri vond het jammer dat hij uiteindelijk besliste door te lopen. De vijfduizend rupiah die hij haar gaf vond ze wat weinig. Maar ja, beter dan niets en ze wilde geen druk uitoefenen. Bovendien had ze een voorgevoel dat hij terug zou komen.

Ze hadden hun intieme momenten gehad, Siti en Aloysius, op het plekje bij de spoorbaan. Siti had extra haar best gedaan. Ze had het gevoel dat deze klant anders was dan de andere klanten. Hij was hoffelijk geweest en galant, iets dat Siti niet gewend was. Hij had haar niet behandeld als iemand die lager stond dan hij. Integendeel, hij maakte de indruk dat hij tegen haar opzag. Even had hij een arm om haar heen geslagen en dat gebaar en de warmte en het respect die daarmee werden uitgedrukt, hadden Siti geraakt.
Deze man was anders. Was hij misschien eenzaam? Kon zij een rol gaan vervullen? Had Oma, die inmiddels was overleden, misschien deze man naar haar toegestuurd?
Het waren deze gedachten geweest die Siti met meer dan gewone belangstelling hadden doen vragen naar zijn naam. En het waren daardoor geen financiële redenen geweest waardoor zij aandrong op een ontmoeting in zijn hotel.

Na het vertrek van Aloysius was Siti niet bij het park gebleven. Tegen haar collega’s, die er niets van begrepen dat zij op zaterdagavond al zo vroeg naar huis ging, had ze gezegd:
“Ach, ik ben moe. Het zal mijn maandstonde zijn.”
De banci’s proestten het uit.

Eenmaal thuis sprak zij met Aminah over Aloysius.
“Hoe nu, Aminah?”

“Jij zegt, jij vindt hem aardig.”

“Ia.”

“Jij zegt, hij behandelt jou goed.”

“Ia.”

“Jij zegt, hij wil jou weer zien.”

“Ia.”

“Nou, makkelijk! Proberen toch?”

“Altijd, Aminah, ik moet denken aan jouw woorden over trouwen met een Hollander. Wat als hij wil?”

“Wat ‘wat als hij wil’?”

“Aduh, Aminah, wat als hij ziet ik heb helemaal geen snee. Als hij ziet ik heb wat anders?”

“Ya, susah deze.”

“Ia. Hoe nu dan?”

“Wat als jij gaat als mooie Hermanto?”

“Jij bedoelt, gewoon, als ik, als Herman.”

“Ia.”

“Ik ben bang! Hoe dan als hij boos wordt?”

“Jij zegt, hij behandelt jou goed.”

“Ia.”

“Nou, proberen maar!”

Die nacht sliep Herman slecht. Er waren veel verwarrende gedachten. Hoe zou Aloysius reageren als hij zag dat zijn Siti geen meisje was? Hoe zou hij reageren als hij Siti als Herman zag? Zou hij hem dan ook mooi vinden? Ook lief? Hoe moest het gaan als hij deze man aan zich zou weten te binden? Herman was niet verliefd maar hij geloofde in de woorden van Aminah die altijd zei dat liefde moet groeien. Hoe zou Holland zijn? Zou hij wel kunnen wennen daar? Alles is daar zo anders, had hij gehoord. Maar in Holland is iedereen rijk. Hij kon dan geld verzamelen; sparen. Misschien wilde Aloysius later wel met hem in Indonesië wonen. Hoe moest het als hij deze kans niet aangreep? Hij moest toch ook aan later denken.

Ineens was het, tussen waken en dromen in, alsof hij Oma hoorde:
“Wees buigzaam, lieve jongen, geef mee met de wind. Slinger door van liaan naar liaan.”
En hij bedacht dat als hij over geld kon beschikken, hij een fatsoenlijk graf voor Oma kon laten maken met een mooie zerk er op. Want nu lag haar lichaam daar zo armoedig, met alleen een rand van stenen.

De volgende dag ging Herman niet naar de kapsalon. Hij was er te nerveus voor. Het was hem duidelijk geworden waar hij naar toe wilde werken. Aloysius leek een goede man. Herman zou proberen ook goed voor hem te zijn. Wie weet zouden ze wel heel gelukkig worden.
Hij probeerde verschillende combinaties uit zijn garderobe. Uiteindelijk koos hij voor de mooiste broek en de mooiste blouse die Oma had gemaakt. Hij had aldoor het gevoel dat zij in dit alles een rol speelde. Alsof ze hem de weg wees en Aloysius op zijn pad had gebracht.
Hij baadde wel drie keer. Aminah nam zijn haar onder handen, wreef het in met geurige olie en manicuurde zijn handen nog een keer.
Om drie uur ’s middags, twee uur voordat hij Aloysius in het hotel zou ontmoeten, zat Herman klaar. Gespannen.
“Ayo, ga maar,” zei Aminah, “ga jij maar wachen in de lobby daar. Daar is het koel. Hier is het zo warm. Jij transpireert. Straks krijgt jouw haar slierten.”

Om vijf uur zagen ze elkaar weer, Herman en Aloysius. En om zes uur wist Herman dat het goed zat.
In de weken die volgden, groeiden ze snel naar elkaar toe.
Verdrietig om wat hij achter liet maar ook nieuwsgierig naar wat ging komen, stapte Herman uiteindelijk, samen met Aloysius, in het vliegtuig naar Nederland.

EPILOOG

Aloysius Bonthamer en Herman de Boer, alias Herman Sugianto, zijn samen gelukkig geworden in Nederland, al bleef een deel van Hermans hart achter in Jakarta.
Herman aardde op zijn manier in de Moderne Industriestad, niet in het minst doordat er overal kleine stukjes Indonesië zijn.
Aloysius ging vroegtijdig in de vut. Hij kon het zich permitteren.

In de jaren die volgden, groeide een relatie waarin aandacht en zorgzaamheid overheersten. Van tijd tot tijd gingen ze naar Indonesië en ontdekten samen het land. Immers, geen van tweeën was, toen ze elkaar leerden kennen, ooit buiten Jakarta geweest.
Ze zijn tien jaar bij elkaar geweest. Toen overleed Aloysius na een ziekbed van een half jaar, voorbeeldig verzorgd door Herman.

Herman keerde terug naar Indonesië en had ruim voldoende geld om een restaurant te beginnen waarin de Hollandse keuken voortreffelijk werd gepresenteerd: van boerenkool tot bitterballen.
Aminah leidde mede het restaurant, achter de schermen. Soms ook er voor want op vrijdag- en zaterdagavond zong ze Hollandse liedjes bij de piano. Met succes.
Oma kreeg een prachtig graf.

En Hermans vader zei, toen hij voor het eerst het restaurant bezocht: “Je bent tóch een De Boer, al heet je dan nu Sugianto.”
Uit zijn toon klonk de vraag om vergeving.

 

9-8-2012: presentatie "Extra tijd", 020

Op 9 augustus verschijnt Extra tijd, de nieuwe roman van A.H.J. Dautzenberg.
U bent allen van harte uitgenodigd voor de boekpresentatie op donderdag 9 augustus bij Athenaeum Boekhandel, Spui 14-16 in Amsterdam. U bent welkom vanaf 18.00 uur en om 18.30 uur begint de presentatie.

De zeventigjarige Gustaaf Meulenberg heeft nog maar enkele weken te leven. Met dat lot heeft hij zich verzoend. Wat hij daarentegen niet kan verkroppen is dat zijn favoriete voetbalclub dreigt te degraderen. Om zijn club te kunnen steunen in de degradatiestrijd probeert hij zijn sterven dan ook zo lang mogelijk uit te stellen.

Zijn zoon Marcel heeft zijn eigen redenen om het leven van zijn vader te rekken. Hij gaat daartoe niet alleen de strijd aan met de werkelijkheid, ook stuit hij op een mysterieuze, in zwart geklede cowboy. Bovendien ontdekt Marcel een bizar familiegeheim, waardoor de jeugd van zijn vader – en daardoor die van hem en zijn tweelingbroer – in een nieuw licht komt te staan.

A.H.J. Dautzenberg werd op 13 december 1967 geboren in de Vroedvrouwenschool van Heerlen. Hij groeide samen met zijn tweelingbroer op in Schaesberg (Landgraaf). Na de middelbare school studeerde hij Economie in Tilburg. Later voltooide hij ook onder meer de studie Taal- en letterkunde. In korte tijd publiceerde hij een bundel verhalen, een roman en een pamflet, Rock € Roll.

Tijdens de presentatie gaan Daan & Thomas Heerma van Voss ‘in duel’ Extra tijd becommentariëren, onder arbitraire begeleiding van Frank Heinen. Ook Chrétien Breukers zal een steentje bijdragen aan de aftrap van de roman.

In verband met de voorbereidingen verzoeken wij u ons te laten weten of u aanwezig zult zijn via prfictie@atlascontact.nl.

A.H.J. Dautzenberg, Athenaeum Boekhandel en Uitgeverij Atlas Contact zien ernaar uit u de negende te mogen begroeten!

 

Een kleine geschiedenis (5)

Uit: Een broekzak vol rijst, ongewone verhalen uit Indonesië
Auteur: Theo Wilton van Reede
Het verhaal is wegens de grote lengte over meerdere afleveringen verdeeld.

Herman begon haar handen zachtjes te masseren. Hij zat dicht tegen haar aan.
“Oma weet dat mooie kleding heel belangrijk voor jou is, heel belangrijk …. belangrijker dan voor andere jongens. Oma begrijpt jou heel goed. Ze houdt veel van jou. Ze heeft jou immers zelf gehaald, toen, in die kerstnacht, met die regen. Oma zag jou komen en dacht: Dit is een bijzonder kind.
Oma begreep toen al dat ze dicht bij jou moest blijven. Ze weet dat jouw vader niet makkelijk is. Hij is een echte De Boer. En je moeder, die heeft niet veel tijd om na te denken, die moet zo hard werken. Daarom is ze ook altijd zo kortaangebonden. Nee, Oma wéét ……”

Dat ‘wéét’ klonk nadrukkelijk. Het was de Indische manier om een lange verklaring van begrip in één woord samen te vatten.

“Ja Oma, Herman wéét dat Oma weet …. Herman weet dat Oma weet hoe hij is …”
Voor het eerst bracht hij dit onderwerp ter sprake. Ze wisten beiden hoe het zat, al heel lang, maar ze hadden er nooit over gesproken. Die wetenschap was een vanzelfsprekendheid geweest. Het was nooit nodig geweest er over te spreken.

“Ja, lieve jongen, Oma weet ….. en Oma begrijpt ….”

“Hoe nu verder, Oma?”

“Oma heeft niet veel tijd meer om jou te helpen, lieve jongen. Oma weet niet hoeveel tijd haar nog gegeven is. En ze kan steeds minder. Haar vingers willen niet meer. Ze kan niet lang meer voor jou naaien. maar Oma is nog niet dood en haar hersens zijn nog goed.”

“Ik weet, Oma, Herman weet ….”

“Het leven heeft Oma wel wat geleerd, lieve jongen, Oma heeft altijd geprobeerd van het leven te leren. Maar omdat Oma al oud is, komt zij niet veel meer buiten. Zij weet niet hoe het is, het leven nu. Jakarta is zo groot geworden en zo druk. Maar misschien zijn sommige dingen nog als vroeger.”
Het leek of Oma naar woorden zocht om haar kleinzoon iets duidelijk te maken.
“Weet je, er zijn altijd mensen geweest zoals jij. Die moeten hun eigen weg zoeken. Ze zijn bijzonder. Daarom is hun weg anders. Dat is de bedoeling. Maar ze moeten dieper nadenken dan de anderen, ze moeten telkens kiezen, ze moeten zèlf kiezen en dat doet soms pijn, vooral als je nog jong bent en nog weinig van het leven weet. Oma weet ook dat God voor ieder mens een beetje geluk heeft weggelegd, het ligt al klaar op een plankje. Maar soms moet je hoog reiken. Oma wil dat jij weet dat ze altijd veel van jou zal houden en altijd zal begrijpen…. Oma wéét en daarom hoeft ze niet alles te weten. Oma heeft er veel verdriet van dat ze jou geen geld kan geven om door te leren of een toko te beginnen. Dat ze jou alleen maar kan helpen met kleren naaien. Zolang Oma’s vingers nog kunnen, zal ze dat blijven doen. Oma kan je nog een raad geven: als je soms bingung bent en niet weet welke weg te kiezen, denk er dan aan dat het leven je vaak zelf de weg wijst. Al is het soms een weg die anderen niet begrijpen. En denk er aan, je bent een De Boer.”

Herman zweeg, zijn handen masseerden nog steeds haar vingers. De vingers die voor Oma en hem zo belangrijk waren.

De monoloog van Oma had veel voor Herman betekend. Hij voelde zich door haar begestigd in de keuzes die hij zou gaan maken.
Hij was pienter, had altijd goed kunnen leren. Van ondernemingslust was hij niet gespeend en bovendien weten Jakartaanse jongens al vroeg wat er te koop is.
Hij moest een manier vinden die bij hem paste om aan de kost te komen en waarbij hij kon zijn wie hij was. Een grote belemmering hierbij was geld. Een kapsalon was goed maar hij had geen geld voor studie of om zich in te kopen. Voor een opleiding tot danser was hij al veel te laat, dan had hij als kind al moeten beginnen. De entertainmentindustrie was goed, veilig, maar ook hard en inkomsten waren nooit zeker. Hij had in de grote gay discotheken rondgekeken, vooral op de zaterdagavonden. Hij had er veel jongens gezien zoals hij. Hij had met ze gedanst, gelachen, soms gevreeën en veel gepraat. Zo was hij een stuk wijzer geworden. Maar het was hem opgevallen dat de banci’s die daar kwamen, er alleen maar waren voor het plezier van het moment. Ze dachten niet aan een toekomst. Ze waren de ‘Hoera-generatie‘.

Maar tussen die honderden jongens leerde Herman er toch ook een paar kennen met wie hij vriendschap sloot. Sommige waren al professioneel: ze legden in die discotheken contact met mannen om mee naar een hotel te gaan voor geld. Maar de concurrentie was groot en hard. Ze gaven Herman tips, want solidariteit was even groot als die concurrentie. Zo hoorde Herman over Taman Lawang.

Er kwam ook een oudere banci die zich Aminah noemde. Tussen haar en Herman groeide een band. Aminah begon zich over hem te ontfermen. Ze had nooit verteld hoe oud ze was maar ze moest ver over de dertig zijn. Ze besteedde veel aandacht aan haar uiterlijk en zag er altijd prachtig uit. Aminah slikte hormonen en bezat nu prachtige, volle borsten. Op malam minggu, zaterdagavond, schitterde ze je al van verre tegemoet, gehuld in een glimmende, lange, nauwe jurk, het glanzend zwarte en met olie bewerkte haar gevlochten in een wrong met bloemen er in en met lovertjes op de met rood aangezette wangen. Haar lippen waren vol gestift en de ogen vergroot door eyeliners, valse wimpers en druppels.

Aminah begon Herman te coachen; ze wist van Hermans geldgebrek. Aminah was óók Indo en dat gaf een extra dimensie aan de relatie. Hun gesprekken voerden ze in het Nederlands. Dan konden de anderen niet meeluisteren.

Ayo, Herman,” baste ze met haar lage stem, “zonder geld kom jij er niet. Jij bent nu nog mooi en jong. Jij moet nu carrière maken. Iedereen wil jou wel, nu. Jij moet nu verdienen. Aduh, straks geen geld en dan jij moet met de tamboerijn!”
In falset schaterde ze het uit.
“Geen gezicht toch! Straks, jij hebt al geen tanden meer in jouw mond en jouw haar, het ligt al op de grond. Opgeveegd met de sapu lidi en tot konde gemaakt! En jouw stem, als van een bettet! Hoe toch dan?!”
Haar borsten schudden van het lachen en ook haar kleine buikje wipte op en neer. De muziek dreunde door de disco. Spotlights zochten de mooiste banci’s uit.

Herman moest ook lachen.
Even zeiden ze niets, nippend aan een drankje.
Toen zei Herman zacht en op serieuze toon:
“Maar hoe dan nu, Amina, Ayo, help mij dan, leer mij.”
Het klonk smekend.

“Waarom doe jij niet als ik? Eerst werken bij de kapper. Misschien, jij kunt ergens schoon maken, haar vegen. Daarmee verdien jij geld. Misschien wil iemand jou leren knippen.
En met jouw geld ga jij kains kopen, mooie kains, om er mooi uit te zien. Met jouw kains ga jij naar jouw oma. Jouw oma, zij weet toch?”

“Ia, zij weet.”

“Jij vraagt aan jouw oma om mooie jurken te maken. Als al, jij komt bij mij en ik zal jou leren hoe jouw gezicht op te maken. Ik zal jou mooi maken. En dan, jij gaat naar Taman Lawang om met mannen te spelen. Je kunt daar veel geld verdienen. Aduh, daar rijden rijke mannen rond in grote, dure auto’s. Als jij goed bent in jouw werk, kun jij misschien maîtresse worden. Dan, zo’n man, hij koopt een huisje voor jou. Hij komt één keer in de week. Jij kunt dan sparen. En later, als al oud en lelijk, jij koopt een beauty salon of een warung. Of jij begint een klein restaurant en dan verkoop jij alleen makanan Belanda, khas Belanda!Aduh, jij wordt nog rijk! Maar jij moet beloven, als al rijk: jij mag Aminah niet verheten hoor!”
Ze lachte voluit en vol vertrouwen.
“Wie weet, mijn mooie Hermanto, wie weet kom jij op Taman Lawang wel een rijke Hollander tegen. En dan ga jij met hem trouwen en dan jij met hem mee naar Holland. En dan stuur jij mij elke maand geld. Kan makkelijk, want in Holland is iedereen rijk!”

Aminah had, via haar uitgebreide relatienetwerk, Herman aan een baantje geholpen in een kapsalon. Een nederig baantje, maar Herman vervulde het met stijl. ’s Avonds leerde hij knippen.
Toen hij zeventien was kon hij knippen en had hij genoeg geld om een uitzet te laten maken. Ook daar hielp Aminah hem bij, want Oma durfde hij dit niet te vragen.

Dat kwam niet doordat hij verlegen was jegens haar, maar omdat hij niet wilde dat de rest van de familie kon zien dat Oma jurgen voor hem maakte. Wel maakte Oma nog af en toe een blouse voor hem. Maar ze ging snel achteruit en haar vingers wilden niet meer. Die blouses maakte ze onder hevige pijn en met grote wilskracht terwijl haar ogen traanden. Het ging haar daarbij niet meer om die kleding maar ze wilde Herman laten zien dat ze achter hem stond. Tot haar eind aan toe. Ze had een voorgevoel dat haar einde samen zou vallen met grote levensbeslissingen van Herman. Zonder dat er over gepraat werd, wist ze welke kant Herman op zou gaan.
Wel praatten ze over het werk in de kapsalon. Ze zag hoe Herman keuzes maakte en voelde hoe hij gericht werkte.
Ze bleef raad geven voor zover zij dat kon.
“Geef mee met de wind, lieve jongen, buig, maar breek niet. Een De Boer breekt niet. En grijp de kansen die je krijgt. Wees als een monyet die zich voortslingert van liaan naar liaan. Zorg dat je verder komt. En let niet op wat anderen zeggen. Veel mensen zijn dom en kunnen de weg niet zien die jij moet gaan. Wees altijd lief voor wie jou helpt. Al die kleine beetjes hulp maken dat jij jouw weg kunt gaan. En als je het soms niet meer weet, denk er dan aan dat Oma jou helpt. Ook als ze er niet meer is.”

Hermans vader keurde het werk in de kapsalon af, zoals van een De Boer te verwachten viel en ook zijn moeder en broer waren niet bepaald aardig tegen hem.
Het moment dat hij een ander adres moest gaan kiezen, naderde nu snel.
Hij sprak er over met Aminah.
“Kom maar bij mij, mijn mooie Hermanto. Ik heb een klein kamertje voor jou in orde gemaakt. Ik verwachtte jou al.”

Op een donderdagmiddag, tijdens de kentering van het weer, toen de eerste moessonregens gevallen waren en er niemand anders thuis was, pakte Herman zijn spullen en ging afscheid nemen van zijn Oma.
Oma, die het nu heel slecht ging, had Herman gehoord en wist onmiddellijk dat dit het moment van afscheid was.
Ze had moeite gedaan zich wat aan te kleden en ze had, zo goed en zo kwaad als het ging, haar haar gedaan.
Ze zat op de rand van het oude bed.
De hitte hing klam in het kamertje.

“Oma, ik moet gaan.” zei Herman zacht.

“Ik weet het, lieve jongen. Ik weet het. Zul je Oma niet vergeten? Zul je aan Oma denken? Oma moet ook gaan.”

“Ja, Oma, ik weet het. Oma, Oma weet toch dat Herman van haar houdt? Dat weet Oma toch? En Oma weet toch dat Herman haar heel dankbaar is? Oma weet toch?”

“Oma weet, lieve jongen, Oma weet.”

Nog eenmaal masseerden Hermans vingers de handen van de oude vrouw, zachtjes, dicht tegen haar aan gezeten. Herman voelde radeloosheid omdat hij niet tot haar einde bij Oma kon blijven. Hij voelde zich schuldig maar kon niet anders; hij boog mee met de wind.
Zwijgend zaten ze lang tegen elkaar aan, beurtelings het hoofd op elkaars schouders leggend.

“Je moet gaan, lieve jongen. Oma is moe, zo moe. Ga nu maar. Het is goed zo. Oma zal altijd bij jou zijn.”

Het kostte Herman onvoorstelbare moeite zijn Oma los te laten.
Toen knielde hij aan haar voeten, het hoofd gebogen. Oma legde haar handen op zijn hoofd. Even bleven ze zo zitten, toen stond Herman op en liep naar de deur. Hij draaide zich nog één maal om en hun ogen ontmoetten elkaar.

“Dag Oma.”

“Dag lieve jongen.”

Even later stapte hij in een auto die Amina had gestuurd.
Twee dagen later maakte hij als Siti zijn entree in Taman Lawang.

toko: winkel.
bingung: de kluts kwijt zijn, van streek zijn, ontdaan.
Hoera-generatie: generasi hura-hura: in Indonesië gangbare benaming voor (de) jeugd die alleen maar aan plezier denkt en niet aan verantwoordelijkheden en de toekomst en die vergeten is hoe de ouderen hebben moeten vechten voor de vrijheid en opbouw van het land.
malam minggu: zaterdagavond: dé uitgaansavond, heeft een veel sterkere betekenis dan in het Nederlands. Iedereen gaat uit, oud en jong. Winkelstraten, restaurants, bioscopen, alles is vol mensen.
ayo: Kom! Vooruit!
aduh: uitroep van pijn, verbazing, teleurstelling, e.d. (ach, foei, jee, hé).
sapu lidi: bezem van samengebonden, lange palmbladribben.
konde: haarwrong. Bij officiële gelegenheden wordt, bij vrouwen die lang haar hebben, dat haar in een wrong gebonden. Als het haar nog lang en vol is, wordt het, voordat een vrouw ouder wordt, afgeknipt en gevlochten zodat ook op oude(re) leeftijd deze wrong aangebracht kan worden. Ook is het mogelijk wrongen van echt haar te kopen.
bettet: papegaai.
kain: lap stof, meestal batik. Er worden jurken, blouses en sarongs van gemaakt.
makanan Belanda, khas Belanda: Nederlands eten. Khas: bijzonder, speciaal, apart, typisch, exclusief.
monyet: aap.

Morgenvroeg om 9u het slotdeel van dit verhaal.

 
« Older posts

© 2021 KutBinnenlanders.nl

Theme by Anders NorenUp ↑