Een slechte blogger zou schrijven: een nieuwe lente, een nieuw begin. Een nog slechtere blogger zou schrijven: snoeiharde porno waar een dwergvrouwtje een brandende sigaar in haar kut gestoken krijgt, dáár is het internet voor gemaakt. Een richting rampzalige blogger zou schrijven: Kinderdoodslag, wat een prachtwoord ! En dan is er nog uw hoofdredacteurtje die vanaf nu wekelijks prozastukjes voor een andere website gaat pennen en gelukkig hebt u de keuze of u het leest of niet. Die keuze wordt mede mogelijk gemaakt door de heren Copy en Paste. En als het u niet amuseert, is er altijd op woensdag ook de Opperpater. Het plantenrijk de cactus, het dierenrijk de kameel: wij De Opperpater.
Overigens als u het wél leest, interessant detail: de andere website heeft dit nog altijd niet gepubliceerd. Het zou, in correct Vlaams, ‘in de namiddag’ verschijnen. Enfin, boft u even !
Een Nederbelg pent maar wat: Rust
Niets was goed. De wijn waar ze van dronk met haar vriendin bracht vooral in afkeuring opgeheven mondhoeken teweeg. De hond die zijn baas vooruit trok over het plein. Terwijl de ondergaande prille lentezon een prachtig spectrum aan kleuren op de hemel wierp, zat ze af te geven op de zoon van haar buren. In plat Westvlaams klaagde ze dat het zo’n niksnut was. Haar vriendin wist er zo ook nog wel een paar te noemen die niet deugden. Nee, dat waren zeer, zeer foute mensen. Vergissingen, die de mensheid misschien beter bespaard waren gebleven, bijna dan.
Ze vervolgt met een tirade over de ‘Ollanders. Dat tuig van de richel dat daar een beetje de toerist kwam uithangen. De diknekken, zo vol van zichzelf, en maar overlast geven hè. Instemmend knikkend vulde haar vriendin de aanklacht aan met verder anekdotisch bewijsmateriaal. Spoedig volgden ook andere buitenlanders, homo’s, en een klein teruguitstapje naar de kinderen van de buren. Beide dames hadden inmiddels weer een nieuw glas wijn besteld en ontvangen.
Hierna waren de treinen, trams en bussen aan de beurt. Met name De Lijn kon niets goed doen. En láátst, láátst, had ze me toch een chauffeur, die zat daar doodleuk achter het stuur van de stilstaande bus met zijn benen omhoog geleund. Ze deed zó, beweging alsof ze een denkbeelding been uit steunpositie wegduwde, en zó, het andere denkbeeldige been volgde. En ze had hem goed de huid volgescholden. Zó erg, dat een vriendin, die er naast haar had gestaan, van pure schrik niets meer wist te zeggen. Nee, brak haar de bek niet open over dat chauffeurstuig.
En die rotkinderen van tegenwoordig ook. Heel de stad constant op z’n kop, gegil en geren in de straten, en een beetje op de fiets door het wandelend publiek heen ! En al dat volk dat hier telkens maar kwam shoppen. Bah, bah, nee, op de korrel genomen waren eigenlijk alle mensen behalve haar en haar vriendin fout en strontvervelend, maar dat zei ze dan toch net nog niet.
En dan waren er de Belgische stéden nog. Man man man, wat een bende was dat. Ze zou er nóóit, nóóóóóóit willen wonen, nog niet voor een miljoen. Niet in dat smerige Brussel, waar je nooit wist welke taal je in vredesnaam zou moeten spreken. Niet in dat Áantwerrepe, met al die arrogantie en drukte. Vergeet het ! En praat haar niét van dat Gént ! En ze wist nochtans zeer, zeer goed waar ze over praatte, ze had daar verdoemme anderhalf jaar gezeten op kot. Soît, een half jaar daarvan had ze heen en weer gependeld, maar toch, ze was er geweest, ze wist hoe het was, en nogmaals, nog niet voor ennen miljoene zou ze terugkeren. Dat was allemaal maar boel, die grote steden, dat Antwerpen en Brussel en dat Gent. Nee, gaf haar dit kleine plaatsje maar, hier was er tenminste rust.
Mijn lief keek me doordringend aan en verbood mij met haar ogen om met harde stem en Nederlands accent te spreken. Het jeukte nochtans om te provoceren, om nét expres te hard haar te vragen hoe onze vrienden en bekenden het momenteel zouden stellen in Gent. Ik gehoorzaamde maar, en stilletjes genietend luisterde ze verder naar de Westvlaamse klaagzang, op het terras in het kleine kuststadje.
Uiteindelijk waren de glazen leeg en wandelde het tweetal doormopperend weg. Een bizarre rust nam hun plaats in. Ik excuseerde me even en bezocht het toilet, dat een onbestemde campinggeur had. Nadat ik me terug aan tafel had gezet zei ze: “Zo hebben we ze graag. Des te meer woningen voor ons.”







Reactietjes