KutBinnenlanders.nl

Dag: 10 maart 2010

Schooltje voor journalistiekjes

Studenten leren niets op het schooltje voor journalistiekjes, schrijfdocenten zijn kleinzerige, bij het lokale sufferdje boventallig verklaarde biljartcorrespondenten, de televisie leraren trokken op een blauwe maandag kabels voor de stadsomroep en op de afdeling radio werken ze nog met bandrecorders. De schoolleiding schrijft je op ‘in een boekje’ als je iets verkeerds zegt en de koffie is niet te zuipen. Er is veel te doen over het schooltje voor journalistiekjes. Oftewel: de Fontys Hogeschool voor Journalistiek in Tilburg. Sinds Bert Brussen de beerput opende, waden we op het internet al een week door de stront van één de slechtste HBO opleidingen in Nederland. Mooi.

Het is goed om te zien dat er al die jaren niets is veranderd. Ik ben nu bijna 10 jaar van het schooltje af en mis het nog iedere dag. De indrukken die ik in de lokalen opdeed, zijn van onschatbare waarde geweest. Zelden zo’n stel wereldvreemde figuren meegemaakt.

Ethiek
Allereerst de docenten. Dan was er zo’n lieve man, Huub Evers. Die gaf een vak dat ‘ethiek’ heette. Had een student een geweldige scoop gescoord omdat hij Paul de Leeuw op een onbewaakt ogenblik gekke dingen had horen zeggen, dan kreeg die straf. Want hij had zijn perskaart moeten tonen en meneer De Leeuw moeten vragen of hij dat allemaal wel gemeend had. Zo ging dat, bij dat geweldige vak. Of dan was daar de docent taalbeheersing die de spelfouten aan elkaar reeg in zijn tentamens. En een docente sociologie die haar eigen kleren breide en beweerde dat vrouwen in hun eentje de menselijke beschaving hadden vormgegeven. Landbouwwerktuigen? Vrouwen. Antibiotica? Vrouwen. Kernfusie? Vrouwen! O, wat hebben we gelachen met die gekke juf Pruijt.

Myrte Hilkens
Ze waren ook altijd je punten kwijt, dat docentenvolk. Zaten ze daar onzeker in hun kleine hokjes tussen bergen papieren, vroegen ze: ‘heb je het wel ingeleverd?’ Waarop je (natuurlijk) ja zei. De volgende dag verscheen er dan op magische wijze een zes op je lijst verscheen. Zo heb ik heel wat zessen laten verschijnen. Kroeggeld verdiende ik met het doorverkopen van mijn reportages en achtergrondverhalen aan medestudenten.

Ach, de medestudenten. Zo’n Myrte Hilkens. Die was er ook. Een klein, humeurig Limburgs meisje dat haar hele studie bezig was haar g hard te krijgen. Lekker knus protesteren tegen ‘de leiding’ vanuit het hokje van de Studentenraad. Dat was voor boze studenten het summum, een plek in de Studentenraad. Die vergaderden en maakten een krantje. Ze wilden altijd ‘de dialoog aangaan’ met de schoolleiding. Ze hadden hun mond vol over de kwaliteit van het onderwijs, maar volgden nooit lessen omdat ze het te druk hadden met vergaderen.

Zaltbommel
Het is prettig om te zien dat sommige dingen niet veranderen. De leden van de studentenraad kom ik nog weleens tegen. Ze nemen de telefoon op bij de gemeente Zaltbommel. Ze wassen mijn glas in mijn stamkroeg. Eentje schopte het tot accountmanager.
Ho. Sommige mekkerende medestudenten kwamen wel degelijk in journalistiek terecht. Er zit er één bij de teletekstredactie van Omroep Brabant. Een ander schrijft advertorials voor de Maasbode en dan is er nog de absolute hoogvlieger Myrte Hilkens. Zij is bij een treinkrantje een eenmans doodseskader tegen die schan-da-lige uitbuiting van vrouwen in de porno-industrie en mannen in het algemeen. Ze kan tegenwoordig een hele aardige harde g nadoen.

Deze carrières zijn ook weggelegd voor de huidige huilende studentjes van het schooltje voor journalistiekjes. Zolang ze maar op dezelfde voet doorgaan. Sluit je op en kijk niet verder dan de betonnen blokkendoos van FHJ. Blijf lekker veilig binnen, hou je bezig met randverschijnselen als docenten, studiepunten of lessen en het accountmanagerschap van een beplatingshandel ligt in het verschiet.

Eerder verschenen op: www.dejaap.nl

 

Artikel voor GentBlogt.be (13)

Een Nederbelg burgert in: Studentprotest

Mijn lief vindt dat ik geen recht van spreken heb als ik de Vlaamse protestcultuur als beduidend springlevender aanduid dan de Nederlandse. Dit omdat ik de échte protestmarsen, grootse stakingen, anarchistische betogingen, enzovoorts hier amper heb meegemaakt. Wel, die logica volgend, zelfs met het weinige dat ik gezien heb is de protestcultuur hier al beduidend indrukwekkender dan bij uw Noorderburen. Nederland protesteert amper nog. Bij verscheidene van mijn aangehaalde onderwerpen waren er wel – ludieke – betogingen enzovoorts, maar het stelde en stelt nog altijd amper veel voor in termen van serieus te nemen. Dat is wel eens anders geweest. Zeker eind jaren ’60 waren de studentenprotesten berucht in Nederland. Maar nog voor de Maagdenhuisbezetting was er een eerste Nederlandse universiteitskaping – een volledige, waarbij de studenten alles zelf regelden en de universiteit de Karl Marx Universiteit als heuse titel droeg – welhaast vanzelfsprekend in het veelgenegeerde Tilburg of all places.

De in Tilburg woonachtige Tymen Trolsky – in het dagelijks leven schrijver en dichter Jasper Mikkers – heeft een dikke roman over deze perikelen geschreven. De centrale liefdesgeschiedenis is helaas geen literaire hoogvlieger, en het einde is gezien Trolsky’s / Mikkers’ talentvolle oeuvre al helemaal een cliché waar we beter over zwijgen. Maar de gebeurtenissen, alsmede de vele integrale citaten, de beschreven bestaande medespelers, de controverses, en alles verder rondom de achtdaagse geweldloze (en waarschijnlijk daardoor minder in het collectief geheugen blijven hangen dan de Amsterdamse ‘opvolger’) bezetting in het belang van democratisering van het onderwijs: dat deel van het boek boeit zeer zeker wel, en Trolsky heeft zijn huiswerk gedaan. Welnu, zal de Vlaamse lezer zich afvragen, wat heeft dit onderwerp voor ons voor belang precies ? Wel – met toestemming van de schrijver reproduceer ik hier de in het boek danig ingekortte Leuvense connectie. Jazeker: de Vlamingen hebben ook een goede vinger in de pap gehad in de protesten in Parijs en Tilburg !

Oude versie van een fragment uit de roman KARL MARX UNIVERSITEIT, roman over een revolutie. De roman verscheen in november vorig jaar, is van de hand van Tymen Trolsky (pseudoniem van Jasper Mikkers) en heeft het studentenverzet in 1968 en 1969 in Nederland, met name in Tilburg, als onderwerp. Tegelijk wordt de liefdesrelatie tussen een journalist en studente (activiste) beschreven. Zolang de schrijver niet protesteert tegen publikatie van dit ? niet in deze vorm uitgegeven – fragment op internet, nemen we aan dat hij er geen bezwaar tegen heeft.

Zijnoot: de langste zin uit het boek telt 422 woorden en is zeer erotisch van aard.

In de geweldloze linkse Tilburgse protestacties organiseerden de studenten sit-ins, teach-ins en bezettingen van lokalen (aula en collegezalen), belegerden het politiebureau op de Noordhoekring, organiseerden een sekscongres en sekstentoonstelling, ondergroeven op allerlei terreinen de fundamenten van de na-oorlogse samenleving. Zij ook formuleerden de eisen van de studentenbeweging in onderhandelingen met de toenmalige minister van onderwijs Veringa. (De ontmoeting met de minister vond plaats op 6 mei 1969, tijdens de bezetting van de KHT.) Ter vergelijking: de Amsterdamse Maagdenhuisbezetting leverde niets constructiefs op en was niet veel meer dan een uiting van onbehagen.

Onderstaand fragment is afkomstig uit het begin van de roman. Journalist Fedde Reephof heeft vernomen dat zijn zoon Jeroen vermist is na een nachtelijke veldslag van studenten met oproerpolitie in het Quartier Latin in Parijs, begin mei 1968. Hij rijdt in een Deux Cheveaux naar Parijs om zijn zoon te zoeken. Drie Tilburgse studenten rijden met hem mee.

“Ze wil verdomd weer niet starten.”

      Er klonk een metalig gerasp waarbij de auto heen en weer schommelde.

      “Doorgaan. Ze moet op temperatuur komen, daarna houdt niemand haar nog tegen. Mijn vriendin heeft er ook een. Je schrikt ervan wat voor kracht er in zo’n kippenborstje zit. Wacht,” de student die zich als Stef Hoosbeek had voorgesteld, stapte uit. “Als we duwen, krijgen we haar wel aan de praat.”

      Achterin stapte ook Coen Dauma uit. Samen duwden ze de Deux Chevaux tussen de andere auto’s uit op de parkeerplaats van de studentenflat. Fedde keek om en beet op zijn onderlip. Elk moment konden die smalle knuisten door de roestige carrosserie heen schieten tot op de krat bier op de achterbank. De derde student, hij had zich voorgesteld als Dolf Aulman en zat achterin naast Dauma, lichtte zijn kont niet. Op zijn knieën stond een draagbare radiocassetterecorder op batterijen en hij draaide aan een knop, op zoek naar een station dat verslag deed van de verbijsterende gebeurtenissen die op datzelfde moment 400 kilometer zuidelijker plaatsgrepen.

      Fedde draaide de auto de Professor Cobbenhagenlaan op. Veel verschil tussen een Deux Cheveaux en botsauto op de kermis was er niet. Waarom diende de bestuurder ervan een rijbewijs te bezitten? “Ronk ronk.” Fedde trapte op het gaspedaal en liet de motor hoge toeren draaien. Hij rilde opeens van genot. Hij hield van dit geluid, dat het midden hield tussen hol geronk en stoer geplof, en nooit bang was, een geluid dat met geen ander verward kon worden. Achter hem sloegen de flinterdunne portieren dicht, hij schakelde en daar reden ze weg. De vaalrode deux cheveaux met oprolbaar zeilen dak, ooit ontworpen voor de Franse boeren om hun melkbussen te vervoeren, hotste vooruit. Een eerlijker vorm van luchtvervuiling was niet uitgevonden. Het was meer een groot uitgevallen solex, op vier in plaats van twee wielen.

      Ze draaiden de Conservatoriumlaan in en zaten even later op de driebaans Dodenweg naar Breda. Er werden flesjes aangereikt. “Is er een weg van Antwerpen naar Leuven of moeten we over Brussel?”

      “Die is er.”

       “Hier,” zei Stef Hoosbeek tegen Coen Dauma, “stop deze cassette erin. We luisteren straks wel naar een Franse zender. Dit is alvast iets.”

      “Du passe faisons table rase, Foules, esclaves, debout, debout, We maken korte metten met het verleden! Dwazen, slaven, wordt nou eindelijk eens wakker!” zong een sopraan.

      “Prachtig,” zei Fedde, “maar mag het wat zachter?”

      “C’est la lutte finale Groupons-nous, et demain L’Internationale Sera le genre humain! Dit wordt de grote slag, We zijn één, laten we drinken, want morgen! Is de dag dat de Internationale ons zal samenklinken!”

      “Kan het niet sneller?” vroeg Aulman. “We zijn daar nodig.”

      Fedde kreeg het gaspedaal niet dieper ingedrukt. Zonder passagiers en met wind mee haalde het vehikel 105 kilometer. Vandaag was 95 het maximum. De auto was ook niet bedoeld voor vier passagiers maar voor een schaap of vat wijn van 50 liter en twee boeren. Of een boer met twee melkkannen.

      “Moeten we niet zoveel mogelijk benzine inslaan? In Parijs is geen druppel meer te vinden.”

      “Ja, misschien zijn de Franse pompbedienden in staking gegaan, net als de vuilnismannen.”

      “Le monde va changer de base, Nous ne sommes rien, soyons tout! De wereld gaat grondig veranderen, Wij zijn niet langer afgeschreven, Ze zullen voor ons beven!”

      Ze zongen allemaal het refrein mee. “C’est la lutte finale Groupons-nous, et demain L’Internationale Sera le genre humain!”

      “Dadelijk de Grote Steenweg op,” zei Hoosbeek opeens toen ze over de rondweg om Antwerpen reden. “Richting Lier en Mechelen.”

      “Mechelen?”

      “We halen in Leuven onze kameraden Ludo, Camiel en Hugo op. Ze rijden met ons mee.”

      “Kunnen we niet beter via Brussel rijden?” vroeg Dauma.

      Alle wielen zaten er nog aan toen ze tegen zevenen het mooie, het historische Leuven binnenreden. Dit was de stad waar twee jaar geleden, om precies te zijn op de avond van 14 mei, de revolutie uitbrak en de studenten slag leverden met de politie. De Nederlandstalige studenten wilden dat er aan de universiteit voortaan in het Nederlands college gegeven werd, niet in het Frans. Weg met het Frans. De Franstaligen moesten hun eigen afdeling maar oprichten, ergens in Wallonië of zo. Of anders diende de universiteit gesplitst te worden in een Nederlands- en Franstalige afdeling. Maar de bisschoppen gingen er niet mee akkoord. De universiteit, dit katholiek bolwerk, diende net als God één en ondeelbaar te blijven. Bestonden ze eigenlijk nog wel, bisschoppen? Waar bemoeiden ze zich mee. Waarom gingen ze bij hun ouwelui niet een kop koffie drinken en daarna op tijd naar bed? De studenten gingen de straat op en werden gewoontegetrouw door de politie afgetuigd en met waterkanonnen bespoten. Fantastisch. Die werkte alvast mee, de politie. Er werd een staking afgekondigd, universiteitslokalen werden bezet, er werd geëist dat de universiteit gedemocratiseerd werd en de studenten medezeggenschap kregen. Een student, en wel Ludo, die ze nu met nog enkele anderen ophaalden, kreeg zelfs een schrijfverbod opgelegd van de vice-rector van de universiteit omdat hij een seksnummer had laten verschijnen van het studentenblad Ons Leven.

      Stef Hoosbeek wist hoe ze de Bontgenotenlaan konden bereiken en gaf aanwijzingen, maar ze verdwaalden en reden door de Kapucijnenvoer en Minderbroedersstraat om uit te komen in de Schapenstraat. Vijf minuten later arriveerden ze toch op het goede adres. Fedde claxonneerde en trapte het gaspedaal in, liet de deux cheveaux brullen om de haast aan te geven die ze hadden. Nog eens vijf minuten later reden ze achter Ludo’s Renault de stad uit, richting Mons. Volgens Jean die bij hen was ingestapt, Coen Dauma zat inmiddels in de Renault, werd er onbeschrijfelijk hard gevochten in de Franse hoofdstad. Het was oorlog in het Quartier Latin, studenten braken het wegdek van de Boulevard St Germaine open en bestookten de C.R.S., de republikeinse veiligheidstroepen, met straatstenen terwijl de uit alle hoeken en gaten opgetrommelde politie-eenheden hen te lijf gingen met knuppels, karabijnen, traangasgranaten en waterkanonnen. Straatafval, omgegooide personenauto’s en autobussen werden in brand gestoken, winkeletalages ingeslagen, “C.R.S., S.S.” werd er gescandeerd. Volgens de laatste radioberichten verplaatste het zwaartepunt van de gevechten zich nu naar het Gare de Montparnasse. De ambulances konden de gewonden achter de puinhopen niet bereiken. Dat was, zei Jean, wat hem nog het meest aangreep toen hij naar de radio luisterde: dat geluid van sirenes temidden van knallen en geschreeuw.

      Fedde voelde zich vanbinnen koud worden bij het aanhoren van het relaas. Hij wilde in Parijs zijn, de ziekenhuizen doorzoeken, de Sorbonne uitkammen. Hij had er geen behoefte aan er getuige van te zijn dat studenten stenen uit de straat wrikten, barricaden opwierpen van gekantelde auto’s, werden neergeknuppeld en onder de voet gelopen door zwaargewapende, speciale politie-eenheden en per ambulance met bloedende hoofden en gebroken armen werden afgevoerd.

      Het onderwerp van gesprek in de auto werd Cohn-Bendit, een student uit Nanterre die vanwege zijn rode haar Rooie Danny werd genoemd. Hij had de leiding van het studentenverzet in Parijs op zich genomen, werd Fedde duidelijk. De onvrede had het eerst de kop opgestoken aan de faculteit in Nanterre, een voorstadje van Parijs, en de oorlog in Vietnam speelde daarbij een hoofdrol. De Beweging van de 22ste Maart zoals de studenten die in verzet gekomen waren zich noemden en door Cohn-Bendit geleid werden, was ontstaan uit een groep die aktie voerde voor vrede in Vietnam.

      “Wij zijn met hem gaan praten,” zei Jean, “en zeiden dat hij de Sorbonne moest bezetten. Zoals wij de universiteit in Leuven bezet hebben. ‘Bezetten?’ vroeg hij. Ja, de universiteit is van ons, studenten. Jij wilt democratie op de universiteit: bezet de belangrijkste gebouwen en lokalen! Hij ging akkoord. Studenten moeten net zolang protesteren en provoceren tot de autoriteiten en bestuurders in de tegenaanval gaan. Dan maken ze fouten. En dan krijgen de studenten aanhang en ontstaat er een opstand. ‘Denk je?’ vroeg hij.”

      “Fouten laten maken,” zei Stef Hoosbeek. “Dat werkt altijd. Net zolang druk uitoefenen en provoceren tot ze uit hun rol vallen.”

      “Er zijn vandaag al 400 gewonden gevallen en de schade is enorm,” ging Jean verder. “Missschien zijn sommigen levenslang verminkt.”

      Fedde verstijfde.

      “Dit is een botsing van krachten,” zei Jean. “We moesten ze uit hun tent lokken om te laten zien dat ze onze vijanden zijn. Het hele Franse volk weet nu wie zijn vijanden zijn. Dat kan niet zonder strijd.”

      “Maar Cohn-Bendit bezette toch ook in Nanterre al gebouwen.”

      “Wij deden het eerder, twee jaar geleden al. En het werkt geweldig. De autoriteiten weten niet wat ze er tegenover moeten stellen. De politie er op af sturen? Het leger? Dat willen ze niet. Universiteitsbestuurders zijn intellectuelen. Welke intellectueel wil met een karabijn en handgranaten studenten uit de universiteit jagen? Wij gingen de professorenkamers binnen en zeiden: ‘Dit gebouw en deze kamer zijn algemeen bezit en hebben een andere bestemming gekregen. Privévertrekken kennen we hier niet meer. Er is geen verschil meer tussen student, faculteitsvoorzitter en schoonmaakster. Vanmiddag vindt in dit lokaal een vergadering plaats, vraagt u maar aan het revolutionair comité welke ruimte u vanmiddag kunt gebruiken, waar u in uw boekjes kunt gaan zitten snuffelen en statistiekjes opstellen.’ Zo ging het in Leuven, en zo ging het de 22ste maart in Nanterre. ?Bezetten!? zeiden wij tegen Cohn-Bendit. Hij deed het. Iedereen was verbijsterd. Daardoor is hij nu de leider en spreekbuis. Hij vertegenwoordigt de naamloze student op de barricades. Is het niet prachtig dat een Duitser en Jood de studentenopstand in Parijs leidt. De revolutie is internationaal, breekt uit over de hele wereld. Ik zeg je dat de wereld over een maand anders is. Het imperialistisch kapitalisme schudt op haar grondvesten en stort in.”

      “Precies,” zei Stef Hoosbeek. “Luister. Daar komt ie.” Hij draaide aan de knop van zijn radio. “Debout, les damnés de la terre Debout,” klonk het loeihard, “les forçats de la faim! La raison tonne en son cratère C’est l’éruption de la fin… Sta op, verschoppelingen van de aarde, Hongerlijers, sta zij aan zij, We pikken het niet langer, Vanaf nu is het voorbij.”

      In Frankrijk noemden ze een lelijke eend een 2CV. Dat betekende Deux Cheveaux Vapeur, twee stoompaarden. In België heette een Deux Cheveaux een geit.

      “Vrienden, moet dat in het Frans?” vroeg Jean. “Hebben jullie dat niet in ons Nederlands. Of voor mijn part in het Duits, of Spaans. Alles is beter.”

      “Ontwaak! veworrepene deâh Aahde Ontwaak! vedoem in hongren sfeâh Reidlijk wille straum auvâh de Aahde en die straum rès al meâh en meâh.”

      “Wat is dat? IJsbergs? Laplands?”

      “Haags. Zuiver Haags.”

      Mons lag inmiddels achter hen en ze kwamen bij de Belgisch-Franse grens. Er was geen douane te zien. Volstrekte rust. Bizarre leegte. Ludo stapte uit en leunde tegen het autodak. Stef Hoosbeek stak zijn hoofd door het geopende portierraam van de Renault en begon te zingen. “Allons enfants de la Patrie, le jour de gloire est arrivé Contre nous de la tyrannie L’étendard sanglant est levé.”

      In de deur van een nauwelijks verlicht gebouwtje verscheen een douanier zonder pet, glas drank in de hand. Hij viel toen hij gebaarde dat ze door konden rijden, bijna om, zijn lijf struikelde achter zijn armgebaar aan. Uit het duister schuin opzij naderde een andere douanier, bezig zijn gulp dicht te knopen. “Gaan jullie naar Parijs? Ik wou dat ik meekon. Wij staan achter jullie. Wat? Jullie komen uit Denemarken? Oh, ligt dat in Holland. Kijk uit, want er zitten moordenaars tussen de elite-troepen. Legionnairs. Jij daar,” hij richtte zich tot Stef Hoosbeek die opnieuw een couplet van de Marseillaise inzette, “jij gaat beter eerst even langs de kapper. Of laat je kameraden de schaar in je manen zetten. Types als jij mogen ze graag gebruiken als stormpaal, of paspop, als je snapt wat ik bedoel.”

      Ludo ging weer achter het stuur zitten. Hij zwaaide naar de douaniers. “Allez mannen, we brengen jullie groeten over aan Rooie Danny.”

      “Prachtig,” zei hij even later. “De trouwste burgers hebben zich tegen het staatsgezag gekeerd. Alles staat op zijn kop. Frankrijk is niet meer. De wereld is niet meer. Er is iets geboren dat we nog niet kennen. Wat fantastisch.”

      Een paar honderd meter verder ontwaarden ze lifters langs de kant van de weg. Studenten op weg naar Parijs. Er was geen ruimte in de auto’s. Toen Fedde vaart minderde om ze iets te vragen, sprong een van hen achter op de Eend. Fedde gaf gas, en toen hij in de spiegel keek, zag hij dat de achterbumper onder de lifter op de weg lag.

      Het licht van de koplampen viel weg.

      “Gas geven!” zei Jean. “Als we onze kameraden daarvoor kwijtraken, vinden we ze nooit meer terug.”

      Fedde trapte het gaspedaal in en begon aan de achtervolging. Toen hij de rode lichten van de Renault had ingehaald, volgde hij die en beide auto?s stopten bij een benzinestation.

 

© 2021 KutBinnenlanders.nl

Theme by Anders NorenUp ↑