KutBinnenlanders.nl

Maand: maart 2010 (Page 1 of 5)

Verhaal voor GentBlogt.be (slot)

Na zestien artikelen voor GentBlogt is bij de zeventiende de maat vol. Ik kreeg een vriendelijk mailtje op onderstaand verhaal terug:
we hebben het er hier even over gehad en we vinden het wat moeilijk dat je stukjes de laatste weken niet echt meer over Gent gaan. Het is goed geschreven, daar niet van, maar we blijven nog steeds Gentblogt en onze bezoekers komen naar ons om over Gent te lezen. Misschien moet je voor niet-gent-gerelateerde zaken een ander medium zoeken: de meeste redactieleden hebben ook een persoonlijk blog, waar de niet Gentblogt-topics op verschijnen. Misschien moet je zoiets ook eens overwegen?
Met andere woorden, lieve lezers… Ik ben weer helemaal terug bij KutBinnenlanders.nl !
Good to be home.

Een Nederbelg pent maar wat: Glas

Ondanks dat het cafeetje maar een handvol huizenblokken van mijn voordeur lag, had ik het eigenlijk nog nooit eerder opgemerkt. Het was de Halfvastenfoor geweest die me in de weg had gestaan tijdens een van mijn ingesleten slenterroutes, waardoor ik het plots had opgemerkt. En met lichte aarzeling was ik erop afgelopen, omdat ik eigenlijk de naam van het Gentse café niet eens leesbaar kon ontwaren op het raam. Binnentredend door de opengezwaaide deur ving ik nog net het applaus op van een live opgenomen muzieknummer. Ik zette me aan de bar, bestelde een pint en keek wat om me heen. Buiten het raam schitterden de kleurige kermislampen van de Foor.
Onwillekeurig dwaalden mijn ogen af naar een mooie jonge blondine aan het andere einde van de bar. Haar arm hing in een blauwe mitella en dat gaf haar iets levendigs en kwetsbaars tegelijk. Je moest je afvragen hoe ze haar kwetsuur had opgelopen, maar tegelijkertijd bewonderen hoe eenvoudig sierlijk ze haar lot – en haar arm – droeg.
Het zicht werd verstoord door een grote lompe rug, gekleed in een effen T-shirt, die volledig in mijn zicht ging staan. Een reus van een vent stond met de vriendin van het meisje te praten, en had daar mijn volledige zichtveld voor nodig. Hooguit zag ik het meisje nog bij een armzwaai of andere beweging, al moet worden gezegd, bewégen deed de man voldoende. Ik keerde mijn zicht terug naar de kleurig verlichte wereld buiten het raam en verwonderde me over het feit dat het kermisrumoer hierbinnen volstrekt verstilde en men gewoonweg de muziek van het café kon horen. We zaten allen afgeschermd in een klein, bruin coconnetje van glas en classic pop.

Me verstrooid omdraaiend zag ik de barman een vies gezicht naar de reus naast me trekken en uit de afkeurende gebaren maakte ik op dat er iets besteld was dat de gastheer van vanavond als een ernstige faux pas beschouwde. De reus, nog altijd vol in mijn zichtveld, wou er niets van weten en hield bij hoog en laag – dat laatste was duidelijk niet van toepassing op diens alcoholpromillage – vol dat wat hij genoemd had, de heerlijkste drankcombinatie in zijn wereld was. Hij stootte mij aan, zoals grote mensen wel eens joviaal doen. “Gij vindt dat toch zeker óók, nie ?” Ik knikte maar ja bij gebrek aan een gevat antwoord, en speelde het mee. “Ziet ge nu wel, hij hier vindt dat ook, dat is den énige juiste manier om dat te drinken !”
Hoofdschuddend schonk de barman hem achtereenvolgens grenadine en kriek in zijn glas. Keek mij scheef aan, waarop ik maar de schouders ophaalde. De reus drong aan: “Hier, zie, probeert eens nen slok. Nee, probeert het eens, en ge zult het wel zien. Ge zult het wel proeven dat dat lekker is !” De barman nam een bedenkelijk kijkende slok en zijn gezicht vertrok direct in een smeersmakende grimas. “Ach gij, gij weet niet wat lekker is !” zwaaide de Reus hem geërgerd weg.

Ik kon mijn nieuwsgierigheid niet bedwingen en vroeg, in een poging niet al te opdringerig over te komen, of ik eens mocht proeven. Met een passend aangeschoten nonchalant gebaar schoof de Reus mij zijn glas toe. Ik proefde een slokje. Het smaakte naar cassis. Niet vreselijk goed, niet vreselijk slecht. Maar zeker geen grimas waard. Ik protesteerde daarom maar tegen de barman dat de combinatie toch ook niet zó slecht was, wat uiteraard olie op het vuur van mijn kast van een buurman was. “Ah, zie ? Zie ? Gij hebt gewoon geen smaak, gij !” lachte hij, en de barman lachte het hele voorval laconiek weg om een andere bestelling te gaan afhandelen.
De Reus draaide zich met licht opengesperde mond naar mij toe en zei, “gij zijt nen ‘Ollander, nie ?”
Ik weet inmiddels beter dan dat nog proberen te ontkennen dus ik knikte maar. Waarop hij begon uit te wijden over zijn drankje, dat hij dat ooit in Brussel in zijn stamcafé daar, geschonken had gekregen en hij toen ook dacht, dat is niets, maar wat een verrassing. Ik speelde mee, want de situatie begon me te amuseren. Hij verhaalde over nóg een ander drankje waarvan mensen aanvankelijk dachten, dat kan geen goede combinatie zijn, en of ik dat al eens geprobeerd had. Ik schudde neen, en voor ik het wist had hij twee gins-met-liptonice besteld. Een eerlijk gezegd al poverdere combinatie, maar de avond begon in rap tempo minder jong te worden dus ik vond het allemaal best.

Het meisje met de mitella bleek allang verdwenen toen hij even naar het toilet ging. Verrassend snel keerde hij terug en begon te vertellen over de Doors, kende ik de Doors, ja knikte ik, ik kende de Doors. Oh want de Doors, dat was zó goed hè, en ook die film, hij had daar zo’n enorm respect voor. En ik deed hem denken aan de toetsenist. Precies zo ! Ergens in het verhaal overviel mij de vraag of ik muzikant was, ik antwoordde maar eerlijk van neen, eerder een schrijver. O, maar dat was béter ! Want een instrument, dat kun je wel leren, maar echt goede nummers schrijven, dat kun je niet leren, zoals bij de Doors, en Metallica, en de Rolling Stones, en hoeheetie die zo van die CD met die baby in dat zwembad en wou ik nog een bier. Ik wil altijd nog wel een bier en hij was nog lang niet uitgepraat, dus dat trof.

Een rijtje glazen stond inmiddels voor onze neuzen en de Reus was nog altijd bezig over de band die we gingen oprichten. Hij kende een heel goede drummer, die beter drumde dan welke professionele drummer die nu speelt dan ook. En hij, hij kon dan wel geen noten lezen, maar als hij iets hoorde, dan kon hij dat naspelen, gewoon, zó op het gehoor. En ik kon dan de teksten schrijven en keyboard spelen, hij zag het helemaal voor zich. Want hij was er al zo lang mee bezig, met het zoeken naar de juiste mensen voor een écht goede band. Een band om mee beroemd te worden, om reusachtige zalen mee vol te spelen. Interviews, touren, CD’s, hij zag het helemaal voor zich. Met dan zijn CD hoes ontwerp erachter, want hij tekende ook nog. Voornamelijk Star Wars – of ik dat kénde, Star Wars – fan tekeningen, echt heel goed, ik moest maar komen kijken morgen. Hij was een van de mensen van de foor, en wees naar een hoge attractie, daar zat hij heel de dag, of althans, toch een groot deel. Ik moest morgen – niet nu, de foor was inmiddels dicht en hij wist zelf ook dat hij al goed ver richting dronken was – langskomen en dan zouden we praten. Over de band, en dan kon ik ook de tekeningen zien. En nogmaals benadrukte hij dat hij dit helemaal zag zitten, want hij was er al zó lang mee bezig en telkens lukte het hem niet om de juiste mensen bij elkaar te krijgen. Ik vroeg hem hoe oud hij was. Hij antwoordde 22.

Toen de barman van het glazen coconnetje ons duidelijk maakte te gaan sluiten, schudde ik hem de hand. Hij gaf mij een goede dronkemansknuffel en drie zoenen naast mijn wangen. De derde ging mis en een luide klapzoen op mijn oor was het resultaat. Met een suizend oor liep ik over de donkere, stille Foor, grijnzend om een grote kermisknuffel achter het glas.

 

Ik mis de oude Bandirah.

Hoe meer nieuwe cartoons ik van zijn hand zie, hoe meer ik hem mis. De Oude Bandirah. De Bandirah die cartoons maakte die op het randje van onbegrijpelijk balanceerden. Die van een ongeremde genialiteit getuigden. En die door de massa volstrekt onbegrepen bleef. Dat vonden wij niet erg, wij, Bandidolaten van het eerste uur. Wij, die elke dag enthousiast surften naar zijn reeks Kalkedodder. Wat zeg ik, Kálkedodder, neen, De Kreup Vallende Histie zelfs verdomme ! Wij, die aan het eind van zo’n reeks dan plots moesten constateren dat meneer ook nog eens doodleuk sommige van zijn geweldigste cartoons weggegooid had. Jawel, u leest het goed: destijds góóide hij gewoon cartoons wég ! We spreken hier uiteraard wel van 2004 – 2007, zeg maar de Gouden Eeuw Van De Nederlandse Webcomic, voordat tekenaars hun werk lieten doen door veel goedkopere Polen. Dit was het tijdperk vóór de ongeremde populariteit van De Opperpater. Dit was het tijdperk vóór zijn snuffelstage bij Trien van Dool. Eenvoudig gezegd: toen nog maar vijf mensen op het internet zaten, die hun computers met grote scheppen steenkool aandreven. Toen het idee van een massapubliek voor je absurdistische cartoonreeksje nog science fiction was, en doden nog enkel nieuws waren, niet voer voor maandenlange lijkenpikkerij. Ja, het waren mooie tijden, en de Oude Bandirah was erbij.

En juwééltjes dat hij maakte. Onder zijn tijdsdruk. Zonder uitgebreide inkleurtechnieken. Zonder de actualiteit te willen en hoeven op te zoeken. Cartoons van Bandirah ontstonden in een vacuüm, in een afgezonderde wereld, waar wij – in beperkte mate en enkel als we onze schoenen eerst veegden – speciaal eventjes voor uitgenodigd waren. Een geniaal vacuüm, waar tegenwoordig Tiny zich lijkt op te houden. Een plekje waar je zeldzame delicatessen treft, tussen de gemarineerde dodoborst en geflambeerde mammoetsslurf.

Maar Het Vacuüm was te beperkt voor De Oude Bandirah. En zo transformeerde hij zich, zo u wilt, tot De Nieuwe Bandirah. Een cartoonist met een eigen website – de twééde alweer, de vorige is afgedankt naast de digitale snelweg achtergelaten – en met eigen bundeltjes – de derde ‘echte’ is alweer verschenen, met zelfs een audiocd erbij voor de liefhebbers.Nee, De Nieuwe Bandirah bedankt voor de aandacht van Elite-ogen. Hoe meer zielen hoe meer vreugd, je ziet het hem haast in het stamcafé van René Froger zingen. En dat is begrijpelijk. Aan de massa valt wat te verdienen. Met de massa valt nog wat te doen. Met die elite niet. Wijsneuzerige muurbloempjes die heel intelligent met hun glaasje wijn naar je cartoon gaan staan staren. Nee, De Nieuwe Bandirah houdt zich daar met grote afstand van verwijderd. De Massa, die lust wel een goede Gummbah-grap. Gedaan met de Ijsbreker Van De Nieuwe Romantiek. Gedaan met de Saboteur van het voorstellingsvermogen. Macht is compromisloos, en De Nieuwe Bandirah wil de Macht. Dus: grapjes over kindermisbruik. Over racisme. Over poep, over stijve pikken. Over Albert Heijn voetbalplaatjes en over festivalbekers. En zo af en toe een teaser om de fans van het oude uur scherp te houden. Maar van ons valt De Macht niet te bemachtigen, dus houdt De Nieuwe Bandirah dat beperkt.
Ik voorzie zelfs mogelijk nog een politieke toekomst in het verschiet. Een greep naar de échte Macht. Naar het blauwe pluche, vanaf waar hij zijn publiek nog verder kan blootstellen aan zijn ideeën. Met wellicht ook dán nog heel af en toe een klein glimmertje genialiteit tussen de spreekwoordelijke neus en lippen door. Speciaal voor ons, de bandiraffectionado’s. En tot die kleine momentjes, waarop hij eventjes laat merken ons niet geheel vergeten te zijn, zuchten we wat en kijken nog eens nostalgisch naar dat moois in dat vacuüm. En missen we De Oude Bandirah een beetje.

 

Granny is a Tranny III

Dat het allemaal nog veel erger kan, bewijst de film Granny is a Tranny III. Ik trof deze documentaire aan op een USB-stick die iemand in de plaatselijke videotheek had laten vallen, en heb met verwondering gekeken. Het onderwerp – dat schijnbaar in een langer lopende reeks behandeld wordt – is oudere dames die blijkbaar, qua geslachtsorganen, anders bedeeld blijken dan men zou verwachten, en hoe zij en hun omgeving daarmee omgaan.

Debuterend regisseur Oral Pane (ik kan tenminste geen informatie vinden over eventuele andere films van zijn hand) heeft het zichzelf niet makkelijk gemaakt door uitleg over de (bijvoorbeeld medische) achtergrond van dit verschijnsel, of zelfs ook maar enige uitleg of inleiding toe te voegen. Vrij direct komt de kijker terecht in schokkend realistische, en redelijk expliciete beelden met daarin de grannies uit de titel. Vier verschillende jongeheerbeherende dames passeren de revue, in confronterend statisch geschoten scènes van ieder pakweg een kwartier. De documentaire had ook niet langer moeten duren, want de beelden begonnen tegen het einde van het uur wat repetitief en vervelend te worden. Ook bekroop mij tegen het einde het benauwende gevoel dat de beelden mogelijk een beetje geënsceneerd zijn. Een bepaalde mate van acteerwerk meende ik te kunnen waarnemen, en dat misstaat de documentaire uiteraard volledig. Wat zeer, zeer jammer is.

Echter, al met al vond ik deze blik in de levens van deze dames, die niet zelden midden in masturbatie plots betrapt worden door een buurman of familielid, en om hun geheim aan deze plotse privacyverstoring niet te verliezen zich soms tot zeer sexuele daden genoodzaakt zien, uiterst fascinerend. En gelukkig krijgen ook de andere mensen in hun omgeving meer ruimte om te schitteren, waarbij vooral de veertienjarige Eros Pumpos als het bekakte neefje erg geestig is. Al met al viel de documentaire me dus reuze mee, en ik zal nieuwsgierig op zoek gaan naar deel I en II.

 

Das Dunkel

Härry und Rudy, die Fötze Inländer
Rudi: Ich binn sehr Bang, Härry.
Härry: Warum das ? Warum bist du Bang, Rudi ? Liever, kleiner, hüpschen Rudi ?
Rudi: Das Dunkel kommt eran. Es komt um mich mitt zu nemen.
Härry: Wavon spricht du ? Bist du Krank ?
Rudi: Nein, Härry. Ich meine dis sehr serieus.
Härry: Das kann ich sehen an deine Gezicht, Rudi. Aber was ist diesen Dunkel wavon du spricht ?
Rudi: Das Dunkel, das Dunkel, es kommt eran !
Härry: Nu spricht du änkel in Herhaling, Rudi. Verteuteleikt Deinselbe, bitte.
Rudi: Es kommt eran. Es kommt Morgen, Härry. Das Dunkel kommt Morgen.

Härry:
Rudi:
Härry:
Rudi:
Härry:
Rudi:
Härry:
Rudi:
Härry:
Rudi:

b>Härry: Ach so. Du meinst das Erde-Stunde. Das all dieser dumme Menschen ihnen Lichte austun. Alsof das denn Erde kann redden. Meinst du das ?
Rudi: Ja, Härry. Ich spreche von das Erde-Stunde. Es busemt mir Angst in.
Härry: Warum das ?
Rudi: Ich habe gelesen dat vieleicht das Licht nicht meer züruck an soll gehen. Und ich bin so Bang für das Dunkel, Härry, du hasst keine Idee davon.
Härry: Rudi ?
Rudi: Ja, Härry ?
Härry: Geht dit immer nog über die einen Kehr das ich, ins Midden des Nachtes, du vonn achter hatte..
Rudi: Ich wil nicht darüber sprechen, Härry.
Härry: Best das wir das Ünderwerp dann mar rusten laten. Ich gehe Kaarsen pakken, Rudi. Sodatt du keine Angst mehr huf zu haben.
Rudi: Du bist einen guten freund, Härry. Soms denn toch.

 
« Older posts

© 2021 KutBinnenlanders.nl

Theme by Anders NorenUp ↑