Het was een grauwe, kille novembernamiddag, er stond een gure wind en Karel dook in een stuk van zijn kraag. Hij huiverde en liep met tegenzin door de straten van Tilburg op weg naar de KUT. De mensen op straat liepen gehaast en ook al diep weggedoken in hun jassen. Karel voelde het op zijn rug branden alsof alle ogen als lasers op hem gericht waren. Niemand besteedde aandacht aan hem maar toch.

Bij de KUT aangekomen meldde hij zich bij de receptie en werd door een blonde rondborstige receptioniste naar de wachtruimte gebracht. Lopende richting de wachtruimte babbelde zij honderd uit. Over de Zwarte Pieten discussie en of…
Karel had al afgehaakt hij kon het niet meer opbrengen om naar zoveel blond gekakel te luisteren. Terwijl hij met haar richting wachtruimte liep had hij het gevoel daar er achter zijn rug om gegniffeld werd en dat de receptioniste, bemerkend dat hij toch niet naar haar luisterde, stilletjes voor haar uit zat te lachen. In de wachtruimte aangekomen zei zij: “de assistent van meneer Stapel zal u zo meteen ophalen voor het onderzoek. Even geduld.”  Zij liep richting een gesloten deur, ging naar binnen en sloot de deur zorgvuldig. Karel ging zitten hij voelde zijn hart pompen en druppeltjes over zijn rug naar beneden lopen richting bilspleet. Plots kromp Karel in elkaar van achter de deur klonk een mannenstem, onverstaanbaar maar gevolgd door een zacht hoog vrouwengegiechel. Nogmaals klonken de geluiden vanachter de gesloten deur. Karel keek naar de klok, de wijzers tikten weg. Had hij er goed aan gedaan om zich op te geven voor dit onderzoek?

Enige weken geleden had de lokale KUT-omroep een reportage uitgezonden over ene professor Stapel, gedragswetenschapper.
De reportage ging over een totaal nieuw fenomeen, niet tot nauwelijks onderzocht en daarom juist voor de KUT zo interessant. Er rustte uiteraard een enorm taboe op het onderwerp daarom was het ook extreem lastig te onderzoeken maar veel mensen hadden er last van en ja het was het tipje van de sluier. Bij uitstek was hij, Stapel, de persoon om dit onderzoek te leiden en het zou werkelijk een storm doen opwaaien en zeker geen harde wind in een glas water blijken te zijn.
De reporter van de KUT-omroep had uiteraard doorgevraagd, details, cijfers maar Stapel bleef vaag. Het enige dat hij kwijt wilde was het feit dat de problematiek rond 28 oktober 2002 voor het eerst wetenschappelijk werd waargenomen. “Eerst slechts bij geruchten alleen. Vanaf  30 november 2006 echter een duidelijk wetenschappelijk waarneembaar fenomeen. Het  is werkelijk het grootste hedendaagse probleem. Werkelijk een enorm taboe. De mensen spreken er gewoon niet over”  “Kunt u niet meer uitwijden over waar u precies op doelt”, had de kritische journalist gevraagd. “Wel laat ik dan nu maar het topje van de sluier lichten”, had Stapel gesproken. “Sinds 2006 zien wij in Nederland, eerst voorzichtig maar naar het nabije verleden toe tot op heden, een enorme stijging van… Tja hoe zal ik het voorzichtig zeggen zonder allerlei slapende dieren wakker te maken en een stortvloed van ongefundeerde kritiek over mij heen te krijgen. Hoe dan ook sedert die datum 30 november 2006, zien wij in Nederland, hoewel dit fenomeen zich ook in andere westerse landen, en zeer waarschijnlijk ook in de niet westerse wereld, zich voordoet, een enorme stijging van misbruik van mensen door dieren.” Een onderwerp vervolgde hij, “waar men liever niet over spreekt, de politiek kijkt weg, zeker nu de dieren sinds 2006 veel mondiger zijn geworden. De angst lijkt wel te regeren.
Verder staat de hulpverlening ook nog in zijn kinderschoenen”
Tenslotte had Stapel zich rechtstreeks tot de kijker gericht. “Ik zoek mensen die zich over hun schaamte durven heen zetten. Mensen die dit zelf is overkomen. Mensen die willen meewerken zodat de wetenschap een beeld kan krijgen betreffende deze problematiek. Mensen die door hun bijdrage meehelpen aan het oplossen van dit enorme probleem ” Diezelfde avond nog was Karel in een opwelling achter zijn laptop gaan zitten en had een e-mail aan Stapel gestuurd.
Zeer hooggeleerde heer Stapel, begon de e-mail. Sinds enige tijd is bij mij in huis inwonend een jonge mooie poes…

De deur ging open, een oudere bebaarde man kwam naar buiten, de receptioniste, met rode wangen, het bloesje niet helemaal correct gesloten, glipte achter hem langs. “U bent Karel de Sigaar”, vroeg de man. “Komt u maar mee naar binnen.”

 
Vlad Tepescu
Vlad Tepescu
Steekt, schopt, brandt, alleen niet meer als zijn voorvader Tepes.