De grote schrijver Ko te Let besloot zijn schaatsen uit het vet te halen. Hij zuchtte, deed de gordijnen weer toe en liep naar de inbouwkast. Hij opende de deuren en zuchtte opnieuw. Doelloos bleef hij voor de opening staan. Hij betastte zijn linker schrijversoorlel. Die was pluizig zeg. Het verbaasde de grote schrijver Ko te Let dat zijn linker schrijversoorlel zo zacht was. Als een bolletje katoen. Hij liep naar de badkamer en keek in de spiegel. Zijn linkeroorlel was dik bedekt met transparante vlashaartjes.
Nu rechts. De grote schrijver keek met toegeknepen ogen over zijn brillenglazen heen. Hij kreunde kort maar hoorbaar. Ja, ook al. De rechteroorlel droeg ook al een tooi fijn haar. Maar het was minder uitbundig dan links. Was dat omdat zijn moeder hem met een twijg sloeg wanneer hij rechts schreef? Omdat hij anders nooit een grote schrijver kon worden. Alle grote schrijvers zijn immers links. Nu pakte hij de rechteroorlel tussen zijn rechterduim en wijsvinger. Een logische combinatie. Hij was geen motorisch wonder, maar zover was zijn 45-jarige lichaam inmiddels wel. Die fout zou niet meer gemaakt worden. Zij was ook al zacht. Of was het toch een hij? Gedachteloos keek Ko naar zijn hoofd. Correctie. Het was een langgerekte kop. Zoveel was duidelijk. Met een dunne mond er op en kleine ogen er in. Ook dat nam hij ter kennisgeving aan. Hij wreef, expres met de rechterhand, over zijn hoofd. Een kaal hoofd. Hij moest het erkennen. Het hoofd van de grote schrijver droeg allang geen tooi van zwarte haren meer. Een halve, gekantelde cirkel om zijn oren. Een halve Saturnus ring van zwart piekhaar. Ko draaide zich om en liep de natte ruimte uit. De natte ruimte, hoe verzon hij het toch? De literaire energie spoot in zijn hoofd in het rond. Zoals de fonteintjes op het plein. Had hij zich gedoucht? Hij kon het zich niet meer herinneren. Misschien slechts een kattenwasje. Hoe dan ook, de grote schrijver liep terug naar de openstaande inbouwkast. Allemaal moltondekens lagen er in de kast. Slordig opgevouwen, maar hij gaf er geen zier om. ‘Voor kuisen maken we wel weer een andere keer tijd’, fluisterde hij tegen de dekens…
(Wordt uiteraard vervolgd, want Koning Winter is nog wel even in het land.)


Geef een reactie