Achter de computer op school. Ik wil rustig mijn koffie drinken en Bukowski lezen, omdat ik mij de tering verveel, en dat liever samen met The Buk doe dan alleen. Plotseling beginnen verderop in de gang twee chicks allerlei vreemde klanken uit te kramen. OOOOOOO!
AAAAAAA!
OEOEOEOE!
AAAAAAA! Ze gebaren er met hun handen bij. Eerst denk ik dat ze gewoon krankzinnig zijn geworden. Dat gebeurt heel de dag door met mensen, dus het zou mij niet eens verbazen. Dan vraag ik mij af of ze misschien geil zijn, of dat ze eten willen. Alles is mogelijk. Maar opeens begrijp ik het: wat ik hoor zijn zangoefeningen. Bukowski schrijft dat kunstenaars naar de dood streven. Welke vorm van zelfvernietiging dan ook is altijd welkom. Daarom maken ze kunst, om henzelf in die kunst te kunnen verpulveren. Ik denk aan Mahler, van Gogh, en Bukowski zelf, en zie dat hij gelijk heeft. (Vraag hier niet om argumenten, want die zijn er niet.) Goede zangeressen willen dus dood, en gaan niet in het openbaar zangoefeningen staan uitwisselen. Iemand die naar eeuwige verlossing zoekt doet dat niet. (Vraag ook hier niet om argumenten, want die zijn er wederom niet. Het is geen mening, het is een wetenschappelijk feit. Hogere psychologie, vraag maar aan de zielenknijper.) Ik stop mijn vingers in mijn oren, en kijk om mij heen. De Fontys Hogescholen van de Kunsten. Wat een leegte. Er lopen hier dagelijks honderden studenten naar binnen, en ze zijn allemaal ?kunstzinnig?. Toch heeft geen van hen mij ooit iets werkelijk interessants laten zien. Waarschijnlijk ben ik niet ?kunstzinnig? genoeg.
Sterker nog, het is gedurende de vier jaar dat ik hier studeerde alleen maar moeilijker geworden om al dat gespuis serieus te nemen. Met hun baretten, muziekinstrumenten, zijden sjaaltjes, partituren, balletschoentjes, maillots, verfhanden, filmcamera?s, om maar niet te beginnen over die eindeloze gesprekken over wie wel geniaal was en wie niet. Op Youtube staan wat filmpjes van Bukowski. Ik draai het volume open, haal mijn vingers uit mijn oren, maar die wijfies staan nog steeds ?kunstzinnig? te kermen. IIIIIIIIIIIIIIIII!
AAAAAAA!
OEOEOEOE!
LALALALALA! Ik zucht en kijk naar buiten. De Muzetuin is wit van de sneeuw, en ik voel mij verloren. Ik moet godverdomme wijn hebben, en een donkere huiskamer, en de vijfde van Mahler.