Hijgend rustte hij even tegen de muur van een donker steegje. Hij moest de stad uit, subite ! De loop van zijn geweer gloeide nog warm in zijn holster. Of het nu de opwinding was van de geslaagde moordpoging, of dat zijn conditie toch al begon te slijten, wist hij niet, maar hij was buiten adem. Levendig schoten de beelden van zijn slachtoffer hem door het hoofd – het geschokte gezicht, het bloed dat in fijne druppeltjes rondspatte. Het smerige verradersgezicht dat met diens eigen verradersbloed werd besmeurd. De schoft was ineengestort op de treden van de trap waar hij hem neergeschoten had. Zijn verdiende loon, verdomme !
Voetstappen en geschreeuw dichtbij. Ze zaten hem op de hielen ! Hij verbeet zich en rende door de stegen, hier en daar onhandig struikelend over de bestrating. Toevallige passanten drukten zich verschrikt tegen de muur wanneer ze hem zagen rennen – hij had het gezicht van iemand wie het menes was.
Hij kon maar niet geloven dat het gelukt was. Adrenaline gierde door zijn aderen. Twee jaar had hij hieraan gewerkt. Talloze pogingen ondernomen om bij zijn slachtoffer in de buurt te komen. Uiteindelijk had hij de geweren weten te bemachtigen en zelfs een afspraak met de verrader weten vast te leggen. Hij was wantrouwig aangekeken, naar het scheen had hij een onguur voorkomen. Misschien stonden zijn intenties op zijn gezicht geschreven, ondanks zijn gepoogde nonchalance. Desalniettemin was hij geslaagd in zijn infiltratie, voorbij de beveiliging gekomen, en hij had de schoten gelost.
Achter hem naderden de ritmische voetstappen beangstigend snel. De soldaten roken bloed en gilden hem na. Ze zouden hem niet te pakken kregen, gromde hij in zichzelf. Hij rende zo hard als hij kon, tot het zuur in zijn aderen beet. Overal schoten mensen schichtig hun huizen terug in. Angst stond op hun gezichten. De sukkels – weten ze dan niet hoe belangrijk zijn daad was geweest ? Hoe hij de ongelovige had afgeslacht, in naam van het Enige Echte Geloof ? God zelve had de trekker overgehaald, hij had het gevoéld !
Zo rende hij door de stad, op de vlucht van het gezag. Het gezag dat hij notabene had gediend in zijn daad – ze waren de lastpost die zijn slachtoffer was geweest, maar al te graag kwijt. Met zijn doorlopende kritiek, zijn gedram over de godsdienst. En zijn stomme kapsel. Bijna zo erg als zijn daden bracht het idee van dat kapsel opnieuw zijn bloed aan het koken. Schuilend in schaduwrijke hoekjes naderde hij de rand van de stad. Nog even, nog éven, en hij zou weggekomen zijn. Hij keek, snakkend naar adem, naar de muur die hij nog moet beklimmen. Spuugde in zijn handen en greep zo goed en kwaad het kan de stenen vast. Zijn vingers schreeuwden het uit van de pijn maar hij klom. Hij zag de bovenkant van de muur naderbij komen – en plots voelde hij handen zijn benen in een ferme grip vastpakken en naar beneden trekken. Één van zijn nagels scheurde terwijl hij zijn grip verloor en in de armen van zijn vangers viel. Hij hoorde het geklik van geweren en zag in alle richtingen de lopen op hem gericht. Zwetend sloot hij de ogen.
Balthasar Gerards zuchtte. Ze hadden hem.



Reactietjes