KutBinnenlanders.nl

Dag: 28 januari 2010

Walrus

(fragment uit ‘Heilig Solipsisme’ van T.M. van der Zwan)

      We waren om acht uur ’s ochtends begonnen met zoeken. We moesten een drummer vinden die op ons leek, omdat wij ook al op elkaar leken. Mensen hebben altijd gedacht dat wij broers waren. Lang geleden zijn we dat zelf ook maar gaan geloven.

      -“Mensen moeten ons voor een drieling aanzien.” zei Bingo. Het was nu al bijna vijf uur en we hadden nog niemand gevonden. Het rondbanjeren door Tilburg begon mij aardig te vervelen, maar ik bleef mijn best doen. Ik wees telkens naar mensen, maar Bingo schreeuwde dat ze niet goed genoeg waren.

      -“Waarom hebben we nog niet bij muziekwinkels gekeken, Dries?” vroeg Bingo. Hij sprong om mij heen terwijl we de Stationsstraat afliepen in de richting van de spoorweg. Met de rug van zijn rechterhand petste hij constant in de palm van zijn linker, alsof hij mij bij de les wilde houden. De Stationsstraat leek in de regen alleen maar langer te worden.

      -“Wij zijn op zoek zijn naar een muzikant, en komen pas na tien uur op het idee om in een muziekwinkel te kijken. Ik vind dat heldhaftig.” zei Bingo met een ernstig gezicht. Hij had zijn capuchon over zijn hoofd getrokken, en keek zoals altijd als een bezetene.

      Toen we onder het spoor door liepen, gaf hij mij plotseling een stomp in mijn maag. Ik vloekte. “We moeten elkaar regelmatig slaan, Dries, daar worden we sterk van.” zei hij. “Wedden dat The Beatles elkaar gesloopt hebben? Dat moet nou eenmaal als je samen groot wil worden, neem dat maar van mij aan.” Ik geloofde Bingo wel, maar zag er geen nut in hem terug te slaan. Hij lachte als een hyena.

      Plotseling stond hij stil en zei: “Dries, jongen, ik heb honger. Ontzettend veel honger. Kom, we gaan wat eten.”

      -“Goed idee.” antwoordde ik.

      -“Nee, geen goed idee. Weet je waarom niet?”

      -“Nou?”

      -“Omdat we onszelf moeten uithongeren, Dries, daarom. We moeten onszelf uithongeren, want ook daar worden we sterk van.”

      Weer lachte hij hysterisch, en weer gaf hij mij een stomp, ditmaal op mijn schouder. Hij grijnsde breed. Een tel later tuurde hij weer ernstig de straat af. Soms dacht ik dat Bingo altijd op zoek was naar iets van levensbelang.

      Een half jaar geleden logeerde Christina, mijn vriendin uit Italië, in ons studentenhuis. Ze had tien van haar vriendinnen meegenomen. Toen een van hen, Irene, jarig bleek te zijn, kwam Otto, economiestudent en huisgenoot, met het leuke idee een slagroomtaart te kopen voor haar. Bingo was ziedend. Hij noemde het voorstel een kosmisch fiasco.

      Hij kende een oude vriend van zijn vader. Die avond nog liet hij een luchtballonvaart verzorgen, als verjaardagscadeau voor Irene. Ze huilde van geluk, vertelde Bingo mij later. Hij had geniale plannen omdat hij ze uit kon voeren. Om precies de tegenovergestelde reden waren mijn plannen minder geniaal. Ik kende misschien te weinig vrienden van mijn vader.

      Met knorrende magen liepen we richting Tilburg Oost. Het was gestopt met regenen. Plotseling draaide Bingo om, en hij begon de andere kant op te lopen, precies in de richting waar we vandaan kwamen.

      -“Wat doe jij nou?” vroeg ik hem verbaasd.

      -“Ik ga koffie halen bij de McDonalds, Dries. Dat hebben we verdiend.”

      -“Maar dat is de meest afschuwelijke koffie in de wereld! Laten we dan naar Weemoed gaan.” stelde ik voor.

      -“Nee, McDonalds, juist omdat het van die slechte pleur is. Zelfkastijding, mijn beste Dries, maakt een mens sterker.” Hij liep alweer door.

      We gingen helemaal terug naar het centrum. Daar zat een McDonalds op het Piusplein. Naast de ingang zat een vermoeide man in een rood Adidas trainingspak. Hij had een kartonnen verhuisdoos opengevouwen en op de grond gelegd. Met beide armen omhelsde hij de benen van de Ronald McDonald die daar stond. Toen hij mij en Bingo zag, sprong hij op, en begon enthousiast tegen ons te praten in een vreemde taal. “Dat is Pools volgens mij.” fluisterde Bingo in mijn oor.

      -“Are you Polish?” vroeg ik de man.

      -“Yes, yes, Polska, Polska!” riep de man nu terug.

      -“Are you looking for a job? Money, money?” vroeg Bingo, terwijl hij de man met een grijns aankeek, en zijn duim en wijsvinger in de lucht tegen elkaar wreef.

      -“Yes, yes, I need job. I need money to eat.” De Pool gebaarde met wilde armbewegingen naar de ingang van de McDonalds.

      -“Can you play the drums?” vroeg Bingo. Hij deed voor hoe je moet drummen. Ik draaide mij met een diepe zucht om, en liep de McDonalds binnen. Aan de kassa bestelde ik drie koffie. Terwijl ik wachtte keek ik naar buiten. Bingo en de Pool stonden te lachen.

      Een half uur later kwamen we thuis. Gregorz was meegekomen. Hij kon drummen, beweerde Bingo. Voor de McDonalds had Gregorz een korte demonstratie gegeven van zijn ritmegevoel. Met blote handen op de deksel van een GFT bak. Dat hij in de verste verte niet op ons leek, scheen Bingo nog niet te zijn opgevallen. Ik vond het allang best. We waren in ieder geval thuis.

      We gaven Gregorz een zak bruinbrood, en lieten het drumstel in de garage zien. Hij keek een ruime minuut naar de floor tom, terwijl hij het brood opat alsof we het elk moment weer af zouden kunnen pakken. Met een diepe zucht ging hij in de luie stoel zitten, en viel in slaap. De lege broodzak zweefde naar de vloer. Bingo en ik keken zwijgend toe.

      -“Met deze man kunnen we niks.” zei ik plots geërgerd. Bingo schrok van mijn luide stem. Ik begon Gregorz wakker te schudden, maar deze bleef hardnekkig snurken.

      -“Het is natuurlijk niet verkeerd om een band op te richten met een aantal gastarbeiders erin.” zei Bingo, nu weer op fluistertoon. Ik hield op aan Gregorz te trekken. Bingo staarde naar de grond en beet op zijn onderlip. “Mensen willen graag muziek horen van gefaalde mensen, en gastarbeiders zijn gefaald.” Hij keek mij doordringend aan. Gregorz begon te zuchten.

      -“Ik denk dat we Gregorz naar buiten moeten gooien.” zei ik. “Dat deze man ons vooruit kan helpen, op wat voor manier dan ook, daar geloof ik allang niets meer van. Ik had vandaag eigenlijk helemaal niets moeten geloven!” Ik was opeens boos geworden, zonder dat ik het zelf door had.

      “Je had meer slechte koffie moeten drinken, dan was je nu niet zo’n watje geweest.” zei Bingo. “Kom, we tillen hem per direct naar buiten.” Hij begon zijn armen onder de oksels van de logge Pool te wringen. Ik greep de dikke benen in de vieze trainingsbroek beet, en we tilden hem op. Hij was verschrikkelijk zwaar.

      -“Wij zoeken een doodgewone drummer, en komen thuis met een walrus. Heldhaftig.” pufte Bingo.
 We droegen Gregorz naar de voordeur.

      “We moeten hem even neerleggen, dan kan ik de deur opendoen.” zei ik. Rustig lieten we hem neer op de vloer van de gang.

      -“Zullen we hem eten?” grinnikte Bingo. Ik opende de voordeur. Buiten schemerde het al. We pakten onze drummer weer op, en tilden hem het laatste stukje.

      “Wacht,” zei Bingo, “we leggen hem in een andere straat, dan kan hij zich niets meer herinneren van ons als hij wakker is. Ik wil niet dat hij ons morgen weer komt storen als we met belangrijke zaken bezig zijn.”

      We liepen de Karperstraat uit, de Visserijstraat over, en legde Gregorz op de Baarshof in een portiekje neer. Bingo rende terug om het Adidas jack te halen dat nog op het orgel lag. Even stond ik daar alleen, met een dikke slapende Pool onder de donkerblauwe avondlucht. Ik kon het niet helpen te denken dat het niets zou worden met mijn leven. Toen Bingo terugkwam kon ik aan zijn gezicht aflezen dat hij hetzelfde dacht. We lieten Gregorz achter en gingen sigaretten halen.

      “Als we thuis zijn gaan we bebopdrummers googlen.” zei Bingo. Ik had daar helemaal geen zin, maar zei daar niets over. In plaats daarvan stompte ik hem zo hard als ik maar kon op zijn schouder. Hij liep door alsof hij niets voelde.

 

Ko te Let bouwt een raket


De grote schrijver Ko te Let zat in zijn grote schrijversstoel. Hij plukte aan een draadje op zijn wollen trui. Terwijl hij het tussen duim en wijsvinger tot een sliertje draaide, keek hij naar de vensterbank en mompelde tegen de sanseveria: ‘als dit zo doorgaat, hou ik geen trui meer over’. Ko werd onrustig bij het idee dat zijn trui vezel voor vezel aan het desintegreren was. Alleen al de suggestie gaf hem een beetje een unheimisch gevoel.

Toen voelde Ko aandrang. Plotseling de druk van een drol tegen zijn sluitspier. De grote schrijver zuchtte diep en moedeloos. Maar hij bleef zitten. Ko voelde de drol groter en groter worden in zijn darmkanaal. De druk nam enorm toe in zijn onderlichaam. Hij zuchtte met een pijnlijk gezicht en stond op uit zijn grote schrijversstoel. ‘Vooruit met de geit’, zei hij vermoeid.

Dit was zo’n dag dat alles tegelijk kwam. Zo gebeurde er een tijd niets en zo kwam alles tegelijkertijd, mijmerde Ko. Op zijn pantoffels liep hij naar het toilet. De drol gleed ondertussen door als een boomstam van een skischans. Ko dacht het kopje al te kunnen voelen. Hij werd een beetje zenuwachtig en begon te zweten. Bij de toiletpot draaide hij zich om en liet zijn broek zakken. De drol schoot hard uit zijn boze oog.

Zitten op de toiletpot deed de grote schrijver nooit. Dat vond hij maar niets. Het liefst had hij dan ook een Frans sta-toilet aan laten leggen in zijn flat. Maar de financiering voor die ingrijpende verbouwing aan de natte ruimte had hij nooit rond gekregen. Een gepeperd bezwaar bij de woningbouwstichting had niets uitgehaald. Terwijl hij met zijn handen op zijn knieën steunde, maakte de irritatie zich van hem meester. De woningbouwstichting had hem een sta-toilet door de neus geboord. De poep gleed er ondertussen moeiteloos uit. Hij keek tussen zijn benen door hoe de fecaliën in de pot vielen.

De grote schrijver voelde nog wat zitten, maar zo soepel als eerst kwam de drol niet meer uit het kontgat. Hij perste met zachte druk, maar de drol gaf geen sjoege. Dus deed Ko er een schepje bovenop. Hij drukte zich een rode mist voor de ogen. Het begon hem te duizelen. TRRRIIIING TRRRRIIIING. De grote schrijverstelefoon. ‘Ook dat nog!’, kreunde Ko. Met de broek op zijn knieën slofte hij naar de telefoon. De drol was door de beweging losgekomen en liep langs zijn dij in zijn broekspijp. ‘Getverderrie’, mompelde Ko ontdaan. Hij nam de hoorn op en hoorde de kiestoon.

 

© 2022 KutBinnenlanders.nl

Theme by Anders NorenUp ↑