Bovenop de kast en daar stond hij prima. De koektrommel. Ik was geen strebertje dat per se de trommel wou kunnen pakken. Stiekem snoep uit de voorraadkast gappen kwam pas in de late puberteit, toen mijn lijf onophoudelijke behoefte eraan leek te hebben. Het was gappen of maagzeur. Maar als kleine drol had ik nul ambitie om bij de trommel te kunnen. Met goed vol te houden regelmaat kreeg ik toch al wat uit de trommel en dat vond ik prima.
Dus niet zoals al die ploeterende en klimmende kinderen uit de films en verhalen, die lijf en leden riskeren om iets meer uit die trommel te plukken. Wanneer mama even niet oplet. Het was me ook onduidelijk waarom volwassenen ons deze beelden voorschotelden. Het leek me niet slim. Het bracht maar op ideeën.
Soms staarde ik wel eens in de keuken. Naar die kast. Naar de trommel. Even overwegend hoe ingewikkeld het zou zijn. Het leek wel te doen. Niet zo moeilijk. Zeker geen keukentrap-op-keukenstoel-balanceer toestanden. Wat een aanstellers, die andere kinderen, besloot ik. En dan liep ik weer weg.
Niet zelden kreeg ik kort daarop weer iets uit de trommel.


Geef een reactie