Een geheimzinnig klinkende stem aan de andere zijde vraagt mij via krakende verbinding voor een radioprogramma. Ik vind mezelf geen radiostem hebben, dus ik twijfel. Ook heeft de stem zijn meester niet voorgesteld. Ik vraag me af of je iets kunt weigeren, als je niet weet wie de vragende partij is. Ach jawel, zeker wel. Jarenlang heb ik ervaring opgebouwd bij de jongetjes en meisjes van de ECI naast het station. Van geen van hen weet ik de naam.

De geheimzinnig klinkende stem raadt mijn twijfel en dringt aan. De verbinding kraakt nog erger. Ik hoor mijn stemgeluid echoën aan de kant van de beller. Nog altijd weet ik niet met wie ik spreek. Wat de etiquette voorschrijft als tijdstip waarop je mag vragen ‘Pardon, maar met wie spreek ik in feite ?’ is mij onbekend. Ach, ik maak weer eens wat mee. Er gaan weinig dagen voorbij dat ik niets meemaak, binnens- of buitenshuis. Die weinige dagen onthoud ik ook niet.

Als een gladgepolijst bolster rond de geheimzinnigheid van de stem zit een mij onplaatsbaar accent. De verbindingsruis maakt het accent nog moeilijker te identificeren. Om meer te weten te komen, zwijg ik geconcentreerd. Geen enkel aanknopingspunt wie de radiovraag stelt. Mag ik dit gesprek als onbeschaafd beschouwen en dito onbeschaafd afkappen nu, overweeg ik. Ach, het leven is nooit bizar genoeg. Onwillekeurig denk ik terug aan de Rus die twee nachten geleden bij een drukbezocht rockoptreden naast me kwam zitten, zijn telefoon toonde en wees op twee blokjes C4 die erop kleefden, waarmee hij naar eigen zeggen zó vier man de wereld uit zou kunnen sturen. Ik heb hem toen ook niet gevraagd naar zijn naam.