Twee kannibalen
Zaten twee kannibalen
in een ouwe vegetariër
te smullen van liefde
gesplitst in de maag
vechtend over die
eeuwoude vraag:
God, smaakt dat lekker
oud vegetatief
lief en het liefst
nog bekkentrekkend
in het hart nog een dief.
Die vroeger bij de slager
geen worst dorst te vragen
tot ze doorkreeg waar de
haken en ogen voor dienden.
En nu zijn we vrienden
ik vlees en zij geest
en driftig zijn we samen
nog nimmer geweest.
Timmerend aan wegen
en kliekjes gekregen
en zwervend door weiden
om het gras te bevrijden
God, smaakt zij lekker
toe nog even naar kont
het water loopt anders
alweer in haar mond
Want ze denkt vegetarisch
en dus weer aan jou
heeft je het liefst
vol groente en trouw.
Maar, liefste, oh ariër
Adolfus, vergeef me
ik hou het niet meer
en zeker bekeken
tot de volgende keer
helaas niet van strijd
en ook niet van rauw
En, als je het mag hebben
nog steeds niet van jou.
Twee kannibalen
riepen
in koortsige dromen
tevergeefs vele malen:
Laat de slager nu maar komen!


Geef een reactie