KutBinnenlanders.nl

Auteur: Stefan Pietersen (Page 1 of 6)

Stefan Pietersen: werd ooit gèboren en daarna steeds wedergeboren en worstelt zich middels liedjes, gedichten, toneelteksten, verhalen en wat niet nog meer; is er eigenlijk nòg meer tussen hemel en diepe depressie?, tot elke dag weer herboren wordt in schoonheid.

In mijn hart

In mijn hart

Er was ruimte in mijn hele hoofd
Maar met de jaren werd ik helaas mezelf
Jaren eisen tol
En van eerst lief en een tikkeltje naïef
Raakte mijn hoofd en mijn hart minder
Want te vaak ‘nee’ tegen gezegd
Steeds gevulder
Wat geen woord is, maar…
Ach, genoeg geluld!

Er was ruimte in mijn hart voor de hele mensheid
Er was hart genoeg voor de hele mensheid
Het geluk, zegt men, is met de dommen
Maar met de verkeerde – en ik ben dom – zal het verkommeren
Mijn hart werd plat, door teveel van dezelfden
Die er met lange tenen op gingen staan.

Er was ruimte in mijn hele hart
Maar met ‘het spijt me’s’ werd het ingeperkt
Dames willen tol
En van eerst gretig en met behoorlijk passie
Werd het vuur steeds minder
Door een twaalf dozijn aan vlinders
In hun gekrioel
Wat te veel is, maar
Ach, gewoon teveel gevoeld.

(refr.)

Het is een rare gewaarwording om te merken
Dat ik nu minder van de mensen hou
En bij iedere vorm van jou
Een stuk gereserveerder, terughoudender
Een stukje banger ben om mijn deel aan hart te delen met een ander…

 

Bankje onderweg II

Bankje onderweg II (Riders on the storm)


De nacht trekt in mijn botten
De dag druipt op de grond
vloeit weg in de staart
op de weg die ik gegaan ben
Soms naar achteren, soms ook in het rond.

Bankje onderweg
Waar blijft het bankje onderweg?
Mijn spieren missen voedsel
gaan hangen naar de grond
Zwaartekracht laat zich gelden, trekt me naar benee.

De schaduw wordt steeds langer
maar ik kan morgenochtend zien
met de ogen van de nacht
en de dag die ik verwacht
Ik duw de grond naar achteren met steeds minder kracht.

Het einde van de rit
Metgezellen onderweg
Hun bestemming ergens anders
op de loper uitgelegd
De nacht die in kan slaan voordat we verdergaan.

Bankje onderweg
Daar was het bankje onderweg
Zie het verdwijnen in het donker
Kijk dan weer vooruit
Moet nog door de nacht naar de morgenstond die lacht.

Op een bankje onderweg
een bankje onderweg
Bankje onderweg…

 

Keepers

Keeper

Hij pakt de bal met beide handen vast
Hij speelt zijn voet langszij de bal
Hij passeert de tegenstander met weinig omslag
Over het hoofd en koppend naar waar het ertoe doet
Go gooal!

Zijn wij keepers, ja, keepers
Ja, want keepers scoren nooit
We willen diep en steeds dieper
De stoelen zijn hoe dan ook onze kooi.

Ik sta te schreeuwen uit volle onmacht
Ik sta te kritiseren wat voor mij mij vierkant uitlacht
Die eikels met hun glanzend haar, hun meisjes en hun succes
Die mazzelaars die niet te klagen hebben
En van alles wat ik wil het best.

(refr.)

Ik wil wat jij hebt, je hebt zoveel om voor te leven
Klaag maar in je eigen tijd en onderga mijn kritiek
Je kreeg wat wij jou tot vreugd benijden
En het zijn altijd zware tijden
Hoe goed het met ons allen ook gaat
Jij speelt en bent die geschopte bal zelf
En omdat jij dit wilde
Vergeet niet, loser, omdat jij dit wilde….

(refr.)

 

Rubriek: Hoe is het toch met …. Geert Wilders

Wilders: Wil iemand van ons hem nog hebben?

“Wat mijn moeder zei…”

Door Moordkuil

Waar zijn de bodyguards?
Geert Wilders schudt het hoofd droef. Met matte stem: “Krijg ik niet meer betaald van Vadertje Staat…”

Waarom niet?
“Elke dàg één of twéé in het ziekenhuis geslagen! Dan krijg je dat, zeggen ze. Mijn ziekenfonds dekte dat op den duur niet meer. Ook wel een beetje eigen schuld, zeggen ze! Ja, ik heb dat voorstel zèlf weg laten stemmen, is hun verweer  Ik kan bodyguards toch ook niet zelf financieren?! Zeker niet sinds de huidige premier mijn toelage heeft bevroren. Schànde!
En in deze tijd….
Nou ja, u begrijpt dat ik dat niet kan betalen.”

Hoe komt u dan nu naar uw werk?
Schudt het hoofd. “Links en rechts kwìnkslagen uitdelen. Kun je dat geloven?! Vriendelijk glimlachen naar mijn vijanden. Leuke dìngen zeggen! Mooi weer spelen en aardige dingen over mijn medemensen zeggen. Ik mõèt tegenwoordig wel.”

Wilders zucht diep en vervolgt:
“En ondertussen slinkt de partij maar verder en verder. (verheft zijn stem) Zelfs mijn grootste fans, de arbeiders met islamieten als buren stemmen niet eens meer op mij! Zijn gaan nádenken voor ze iets roepen! Soms zelfs aan het denken gezet over vluchtelingen. Linksdraaiend tuig! Zien ineens het relatieve ervan in. Denken dus ook niet meer aan léúke dingetjes,  zoals de atoombom op Syrië gooien en vergaande martelingen van de links-draaienden.
Echt,dat zou zou zó’n hoop schélen tegen de Tsunami!
Watjes!”

Waarom schreeuwt u?
“Kun je mij die watjes even aangeven? Wátjes! Mijn neus begint weer te bloeden. Ook zo’n issue…”

Issue of tissue? Oh, u gaat weer hete hangijzers opgooien. Spannend! Vertel.
“Nee, doe ik niet meer. Ik doelde natuurlijk op het feit dat niemand meer doet alsof zijn neus bloedt. Zelfs ìk krijg het niet meer voor elkaar. ( zucht) Ik mis…”

U mist? Oh wacht, ik vul u even aan. U hoeft echt niet alles te duiden, hoor. Wij van de Telegraaf vullen de rest wel in voor u. U mist iets, dingen… Die nooit gebeurde tijden van weleer, toch? Tijden waarin er geen problemen waren. Waarin alles eenvoudiger was en iedereen netjes deed wat goed was voor de gemeenschap. Ja. Waarin een dorpse mentaliteit gold, zelfs in grote steden. En waarin iedereen nog gewoon blank en conservatief was en stemde. Waarin de armen niet in opstand kwamen tegen de uitzuigers. Tegen afzetterij door winkels en multinationals. Waarin de kerk en de werkgevers de wet bepaalden zonder tegensputteren van werknemers en gelovigen. Waarin het basisinkomen geen schijn van kans had, zelfs nog niet bestond. Waarin auto’s nog op benzine reden en waarin ouderen, zieken, psychiatrisch patiënten en gehandicapten nog gewoon stierven als dat van ze verlangd werd. Waarin je als rechtgeaarde klootzak nog gewoon ….
“Ho ho ho. Houdt u alstublieft op! Dat is hélemáál niet wat ik wilde zeggen! Wel LUISTEREN, hè?!”

Hé hé, rustig aan. Ik vul alleen maar aan wat u denkt. Wat u altijd heeft willen bereiken, maar nooit heeft kunnen zeggen. Sprookjes weliswaar, maar wel de kern van wat u altijd tussen neus en lippen door bedoelde.
Ja, toch? Zeg niet dat het niet zo is!
“Sprookjes…  (zucht diep)
Zelfs dáár ben ik nìet meer welkom…”

U bedoelt?
“Àfgewezen. Zelfs dáár…”

Ik begrijp niet precies waar u heen wilt…
“Het sprookjesbos. Ik bedoel… Mijn asíélaanvraag.”

U heeft geprobeerd asiel aan te vragen? Waar, als ik vragen mag?
“Overàl. Argentinië, Brazilië, Paraguay, Zwitserland, Duitsland, Oostenrijk. Zelfs Ìsraël heb ik geprobeerd. Alleen in de islamitische landen willen ze me hebben, maar u begrijpt dat ik dat niet vertrouw. Àlle landen heb ik geprobeerd. De héle wèreld. Probleem is natuurlijk dat ook dáár overal buitenlanders zitten. Dus…”

Echt? Overal zitten buitenlanders? Ook in Frankrijk en Spanje? Goh. Was me nooit opgevallen, maar nu u het zegt…
“Frànkrijk… Zelfs op St. Helène willen ze me niet herbergen.”

St. Helène?
“U weet wel: waar Napoleon zat. Voor of na Waterloo… Als u me niet kwalijk neemt, ik moet even naar de wc …”

(vanuit het toilet: )  “… Waterloo, waar Napoleon voor of na… Nee, ik bedoel: St. Helène, waar Napoleon, voor of na Waterloo – ik weet even niet welke – was gehuisvest.”

Ik weet het ook niet, helaas.
(komt de kamer weer binnenlopen)
“U bent ook van de verkeerde krànt om dat soort dingetjes te weten. De Telegraaf heeft dergelijke còrrecte kennis van zaken nooit nodig gehad. Toch? Ik heb toch gelijk?”

Feitenkennis speelt bij onze krant inderdaad geen grote rol. Ja, dat zal het zijn. Dank u, ik schaamde me al haast. Wie heeft er ook feitenkennis nodig als je de Telegraaf hebt? Daar hebben we sowieso al niet de ruimte voor. Onze koppen zijn te groot en de foto’s leiden af van de spaarzame tekst. Dit artikel zal ook niet echt gelezen worden. Hoor je anders ooit: ‘Hé, heb je dat stuk in de Telegraaf gelezen?’
Nee, hoogstens vraagt men of je het bewuste artikel gezien hebt. Ach…
“Ach ja, lèzen. Daar ben ik nòòit zo’n grote fan van geweest. Wie heeft het ooit nodig gehad? Mensen lùìsteren toch liever. Of nee, béter: mensen, mijn mensen pràten, spùien liever. Maar luisteren, tegenwoordig vooral naar hèn. Naar hèn! Ongelófelijk”

‘Hen’?
“’Hèn’, ja. U weet wel: hèn, de ànder, de àn-de-ren. ‘THEM’.”

Niet meer naar u?
Wilders zucht en begint te ijsberen.
“Nee. En ik snàp het niet. Ik begrijp er niets van! Rèchts, ultra-rechts, fascìsme, nátionaal-socialisme, zèlfs een ouderwètse boekverbranding is er niet meer bij! Het dòèt de mensen niets meer. Niet meer om  over naar huis te schrijven, in elk geval.  Je zòù ze toch…
Mènsen!”

U hebt het niet op mensen, hoor ik?
“Niet op die van tegenwòòrdig. Ze staan niet meer tegen elkaar òp, ze gaan met elkaar òm!
Òòk met negers en moslims. Nou vráág ik u!
Ongelofelijk, ongelofelijk…”

“Als de dag van toen, hou ik van jou…” Wat? Nee, sorry, zat even ergens anders… Maar wat zei u nu over die sprookjes? Dat vond ik boeiend.
Sprookjes zijn sowieso alleen al…
“Ja, dat was toch wel het tòppunt! Het spròòkjesbos in de Èfteling!”

Ja, wat is daarmee? U dwaalt af…?  Daar kwam u graag, niet waar? Om te ontstressen, toch?
“Ja. “ (kijkt naar de grond)

Komt u daar nog weleens?
“Ik …”

Ja?
“Ik mag niet meer in het sprookjesbos komen…”

Niet?
“En ik WIL er ook niet meer komen! Weet u wat ze nu in het sprookjesbos dòèn?!“

Nou?
“Sneeuwwitje kijkt me aan met een donkere blik die je werkelijk doet… De Grote Boze Wolf speelt tikkie met de geitjes en de dwergen en Holle Bolle Gijs vraagt me elke keer om mijn papieren. Nou vráág ik je!”

En de Schone Slaapster?
“… lig ik echt wakker van, echt, ik kan er niet van…”

Maar hoe komt dat nu allemaal dan?
(in de keuken mompelt een stem iets.)

Wie was dat?
“Mijn moeder. Ze herinnerde me aan iets wat ze altijd zei.”

Interessant! Wat was dat dan?
“Geen idee, ik luisterde nooit…”

 

Die dag in Mij

Bedankt, lieve ouders, grootouders

voor al dat drama op uw schouders

toen.

Ik heb met u te doen

maar door u

filmisch, poëtisch, roman-technisch

lekker toch weer iets te doen.

Want wat had ik nou zelf

in mijn leven?

In Jaren zeven, tig van tachtig

op te groeien, totaal onmachtig…

En niets om over naar huis te schrijven

even interessant

als Lieve Anne en de Volkskrant

nu beiden nog gelezen, want

Bikkelharde cijfers…

op hetzelfde strand

waar wij liggen naast vakantie-Duitsers

graven onze kinderen de mijnen

en uw verleden op

Bouwen lucht- en zandkastelen

boven, op de kop van velen

wiens verbranding ik

nog kan horen ruisen

in schelpen die ik herverzamel

in mijn picknickmand.

Stille getuigen van

Heil-land en nationaal-belhamels

Die van u, opa en papa

ergerlijk grote sokken-helden

maakten dat ik dat zelf dus

nooit heb mogen zijn

en navertellen

maar goed

Ik zal ze weer eens bellen

want hoe was dat nou toen

grootooms Siegfried, enHeinrich-Helmut

in de zonneschijn verschenen

negentien lentes jong in veertig

op die mooie dag in Mei?

Want de lucht is nu vrij en grijs

en ik

ach, ik verveel mij…

 

Mag ik u voorstellen: dit is mijn lichaam…

Wilde vanavond naar Breda om op te treden op VOLZIN, maar de stress van de afgelopen week heeft me nu ingehaald. Het is allemaal een beetje te veel.
Daarover gisteravond dit gedicht geschreven, dat zich toespitst op mijn rampzalige gesprek met meneer Klootzak Zielenknijper (Wil je me alsjeblieft even laten uitpraten!!? ‘Hoezo, ik zei toch (bijna) niets?’) Was nog van plan het vanavond voor te lezen…

Soms, in het diepst van mijn gedachten
terwijl de psychiater maanden later
en de rede wel kan wachten
dat moet omdat mijn bloed mij net
kokend, nagel bijtend naar bed verlangen doet

om mijn geest, zo vaak onwillig
want nu door zijn pillen kruisbestoven
in mijn eigen wanhoop doet geloven
door de grond heen worstelend naar boven
waar zich

mijn ziedend onderbuikgevoel met verbleekte stalen smoel vermengd
hem fysiek het Goede Nieuws van, mij dan toch ontmondigd, brengt

niet in staat zelfs nog ruggengraat
omhoog gekotst, muurvast en zeker
in brok in huig en plastic beker
te tonen dat ik hersens pijnig
op zoek naar de nu een weinig
vermoorde, want ertoe doende woorden

tot ik in mijn naam en in mijn geboortedatum onbekwaam
me wendt tot haar die geduldig koe-inblikkend naar me staart
me vergeeft dat ik ook een sterfdag noem
mijn stof tot stofdoem wijselijk afklopt
met een zo onschuldig: schikt het u om half elf?

In dit soort nooit gedachte nachten moet ik mezelf
met dit warrig hoofd gebogen
aan u voorstellen, droog weloverwogen:

Dit is mijn lichaam
regel het nu maar met hem
en oh… ahem!

Geen zonnebloemen, wel J.C. Bloem
op die fiets, op weg naar Hem, de datum…

28 augustus 2014, half elf

Láge Witsiebaan,
met klem!

 

Gent

 Gent

Zachte G’s in mijn mond vol tanden

rottend in dit vlakke land

Dichter bij goot, op losse handen

springend uit een lekke band

Want ik raak beschonken, nimmer dronken

werk me armer op dit loon

Erin gestonken, noodlot beklonken

als ik nooit meer in die hemel woon.

Want op die afdeling genoeg verveling

stegen stinkend naar ambrozijn

Nectar koopt men daar van de heling

van fietsen die daar gestolen zijn

De mensen slecht, de misdaad echt

en door de Roomse kliek snel schoon

Ik raak nog in moeilijkheid terecht

als ik nooit meer in die hemel woon.

Oh Gent!

U bent de Brinta-krent

uit alle papjes in dit vals heelal

Gekend door Ford en Arthur Dent

vervloekt in zangerig gelal, oh Gent!

Ik ben gestrand in ’t paradijs

sinds lang bevriend met een aardig heden

Maar ik smacht naar grijs en ’t romig ijs

van een voor mij zo levend verleden

Mijn jeugd die deugt, me nog steeds heugt

en slechts daar meugt en werd beloond

Zelf kon ik dit lied niet schrijven

omdat ik niet meer in die hemel woon

Ik zal een vreemde in dit leven blijven

tot ik weer in die hemel woon.

.

 
« Older posts

© 2021 KutBinnenlanders.nl

Theme by Anders NorenUp ↑