KutBinnenlanders.nl

Dag: 27 augustus 2012

Hofnar van de ondergang (38)

Stil luisterend boven zijn glas whisky werd het Diederik snel opnieuw duidelijk dat mensen in uitgaansgelegenheden doorgaans bijna niks interessants te vertellen hebben. Hoe het ging ‘op het werk’, of ze ‘het voetballen’ gisteren gezien hadden. Met wat pech ging het over ‘de politiek’ of over het nieuwste wetvoorstel. Iets met kansspelbelasting. Hij spitste zijn oren maar stuk voor stuk leken de meesten dit peil onder hun gesprekken angstvallig te bewaken. Natuurlijk ging men dieper in op de materie dan bij de koffieautomaat overdag, maar het niveau van nietszeggendheid was stuitend. En dat op vol volume. In geen enkel café was het wat je stil zou mogen noemen. Hij zuchtte en staarde naar het lege notitieblokje voor zijn neus. Horror vaccui krijg je niet weggebruld, schoot het door zijn hoofd. Hij schreef het maar op.

Iedereen wil zo graag gehoord en gezien worden dat men, schreeuwerig, het zwijgen over het hoofd ziet en alles inhoudsloos, een loze stille dood sterft in de kakafonie van de ellendige mensheid.

Hij keek naar de zin en streepte hem weer door. De avond is jong, dacht hij, en wie weet trekt ze haar dikke trui nog uit om een strak topje met veelbelovend gehintte geheimen in het décolleté te tonen.

Stan kustte zachtjes haar voorhoofd. “Dag lieverd,” zei hij. “Hoe heb je het gesteld vandaag ?” Een paar lede ogen staarde hem aan. “Het was een kutdag,” mompelde haar morsige lippen. Zoals ze elke dag mompelden. Routineus veegde Stan haar lippen af. Depte het doekje in de teil met water. Veegde nogmaals. Haar gezicht verkrampte.

Tingeling, tingeling gaat de bel, zongen de speakers. Achterin de kroeg zat een oud koppeltje arm in arm heen en weer te zwaaien op de nederlandstalige schlager. De rest van de kroeg keek niet op of om en oreerde druk voort over de politiek en de voetballeritis. Diederik beet op zijn pen. Hij was verdomme helemaal geen schrijver. Wat deed hij hier ? Hij had zich ergens voorgesteld dat als hij een schrijver zou zijn, hij gewoon maar aan een bar hoefde te gaan zitten en dan vloeide alles wel uit zijn pen. Of was dat zijn eigen beeld wel geweest – had Nathalie dit idee niet ergens in de afgelopen paar dagen in zijn hoofd geplant ? Hij twijfelde. En kauwde. De pen kraakte onder zijn kiezen.

Diederik kreeg ernstige twijfels bij het muze gehalte van de avond uit. Morgen op een podium. Wat moest hij zich erbij voorstellen ? Wat voor publiek zou het zijn ? Zouden ze hem uitjoelen als de teksten eigenlijk, zoals hij verwachtte, ronduit slecht zouden zijn ?

Het natte doekje werd uitgewrongen en in een dikke, roodbruine straal liep de inhoud de teil in. Stan keek zwijgend naar de prut die zich dwarrelig uitstrekte binnen het heldere water als een trage explosie. Het was meer dan gisteren. Hij fronste. Het werd alsmaar erger met haar. Hij draaide zijn hoofd en staarde naar haar gezicht. Het stond apathisch. Het gezicht van iemand die dag in, dag uit, elke dag er van langs krijgt en gelaten op de bank ligt en incasseert. Hij waste stil zijn handen en stak een sigaret aan. Zwijgend keek hij uit het keukenraam – roken in dezelfde ruimte als zij durfde hij al niet meer, al had de dokter niet gezegd dat het niet mocht. Het risico was onacceptabel.

In de woonkamer hoestte ze een gorgelende hoest. Hij vertrok zijn gezicht. En staarde naar het brandende puntje van zijn sigaret.

Diederik draaide lichtjes. Ergens na de vijfde whisky had hij de tel verloren. En die was minstens alweer drie whisky’s geleden. Dus dat maakte… hij twijfelde. En nu stond hij hier. Voor haar flatdeur. Met de sleutel in de hand. En hij bedacht zich dat hij zelfs zijn aantekeningenboekje vergeten was.

Hij haalde even zijn schouders op en stak, met moeite, de sleutel in het slot. Een schrijver zou hij waarschijnlijk nooit worden, besloot hij. Deed er niet toe. En dat hele krankzinnige zelfmoord gedoe met internet en alles, dat deed er ook even niet meer toe. Hij stommelde het appartement binnen, deed al hoppend zijn schoenen uit waarbij hij een vaas omstootte. De vaas viel wonderwel op een tapijt en bleef intact. Hij zette de vaas terug op de vensterbank, niet meer in staat te zien dat het water en de bloemen die de vaas bevatte nog over de vloer uitgestrooid waren. Hij kroop naast haar in bed en onderdrukte een zurig smakende boer. Toen viel hij in een diepe slaap. Net voor hij sliep vroeg hij zich af of alles ooit nog in orde zou komen.

 

© 2022 KutBinnenlanders.nl

Theme by Anders NorenUp ↑