Uit: Een broekzak vol rijst, ongewone verhalen uit Indonesië
Auteur: Theo Wilton van Reede

Norbert had iets met nootmuskaat. Als kind al, in Holland. Als zijn moeder kookte, wilde hij er bij zijn als het grote moment daar was. Het moment waarom zijn moeder het potje met de magische bolletjes pakte en haar rasp. Het moment waarop zij nootmuskaat verdeelde over haar sudderlapjes, haar bloemkool of haar tomatensoep. Die geur… oh, die geur….
Hij kreeg er een welhaast mystieke binding mee, met die geur. Op zijn kleine houten zolderkamertje, op de plank naast zijn bed, had hij altijd wat van die noten liggen. Hij liet ze door zijn handen rollen, knikkerde er mee, speelde winkeltje en droomde van verre reizen. Dat hij op een schip mee voer als nootmuskaatkoopman, met een zwaard en een pistool aan zijn gordel, zo’n oud pistool waar maar één kogel in ging.

Hij moest immers zijn belangen verdedigen op zo’n eiland van palmen en witte stranden met ruige branding. Dat eiland van beschilderde inboorlingen die blij waren dat ze hun magische bolletjes konden ruilen tegen de rasp en de houten pollepels die hij had meegenomen uit de keuken van zijn moeder.
De Scheepsjongen van Bontekoe had hij verslonden en de Muiterij op de Bounty en Toontje Poland. De bladzijden sloeg hij om met een noot in zijn van spanning vochtige hand. De noot begon dan steeds sterker te geuren en de scheepsjongen, de muiters en Toontje raakten doorwasemd van de nootmuskaat.

Het was zijn leven gaan bepalen. Op de middelbare school hadden zijn klasgenoten hem vreemd gevonden. Dat was niet alleen omdat hij naar nootmuskaat rook, met een noot in zijn zak en nootmuskaat als broodbeleg, het kwam meer omdat hij in een andere wereld leek te leven.
Bij scheikunde had hij meer interesse in de organische verbinding van nootmuskaat dan in H2O. Bij biologie deden baarmoeders hem weinig maar kon hij lyrisch worden over de voortplanting van de nootmuskaat. Bij aardrijkskunde wist hij niet waar Granada lag maar wel dat Indonesië er mee moest concurrereen waar het nootmuskaat betrof. En bij geschiedenis leken de koloniale oorlogen meer om de noten te draaien dan om de knikkers.
Kortom, hij werd fanaat.

Even had hij het met een studie in Wageningen geprobeerd doch hij merkte alras dat het wel en wee van de nootmuskaatboom niet hoog scoorde in het totale onderwijspakket. Hij hield het er voor gezien.
Hij keek nog wat rond ind e wereld van im- en export, ontwierp achter zijn bureau nootmuskaatreizen waarmee hij in de reiswereld weinig waardering oogstte, schreef een boekje over nootmuskaat dat geen uitgever wilde publiceren en maakte zelfs een soort ganzebord waarin het wemelde van schimmels en andere rampen maar waarbij de winnaar het monopolie van de nootmuskaathandel kon verwerven.

Norbert besloot het anders aan te pakken. Hij leefde zuinig, legde van zijn uitkering het nodige opzij, kluste zwart bij in een Indische toko op de markt, waarbij hij iedereen meer nootmuskaat aansmeerde dan men bestelde, en vroeg aan zijn familie geld voor zijn eenentwintigste verjaardag.
Norbert ging naar Indonesië.
Oorspronkelijk had het plan bij hem postgevat daar een nootmuskaatplantage te beginnen. Later had hij zichzelf meer gezien als adviserend deskundige, rondstappend in een mooi wit pak-met-tropenhelm temidden van arme nootmuskaatboeren die erg gelukkig waren dat hij er was om hen te helpen.

Toen het vliegtuig Jakarta naderde en hij uit het raampje keek, zag hij, niet meer zo diep onder zich, sawah’s en bosjes. Groen, veel groen, met kleine rode daken er tussen. Hij was er van overtuigd dat dat de huisjes waren van de nootmuskaatboeren.

Jakarta viel hem daarom wat tegen; veel verkeer en weinig bomen, laat staan nootmuskaatbomen. Hij begreep echter wel dat nootmuskaatbomen, gevoelig als die zijn, in een drukke stad niet echt welig konden tieren. Hoewel een tikje ontdaan, liet hij zich dus niet uit het veld slaan.

Hij besprak zijn verlangen een nootmuskaatboom te zien met een taxichauffeur bij zijn hotel, een vrije jongen met halflang haar, die al snel geld rook alsmede statusverhoging in de desa van herkomst. Hij kwam uit de buurt van Tretes, een toeristenoord in de bergen, en wist dat toeristen soms eigenaardige wensen hebben ter vervulling waarvan ze goed betalen. Robby zou wel regelen dat Norbert snel zijn eerste nootmuskaatboom te zien kreeg. Op Java. En daarna, daarna zouden ze samen naar Banda gaan, in de Molukken, dat alleen maar uit nootmuskaat bestond …..

Norbert sliep heerlijk die nacht en droomde van noten die zo groot waren dat hij ze nauwelijks kon dragen en die een geur verspreidden, zo zwaar en zo heerlijk, dat Norbert nooit meer wakker wilde worden.

Veel geld en twee dagen later ontmoette Norbert zijn eerste nootmuskaatboom, ’s middags om half vier in een afgelegen hoek van een stille tuin.
Zijn handen streelden licht trillend de stam en de bladeren. Zijn mond bracht vreemde geluiden voort alsof hij de boom niet wilde laten schrikken van zijn van ontroering overstromende gemoed.
Vervolgens omarmde hij de boom langdurig en vooral intensief.
Tenslotte zette hij zich in lotuszit aan de voet van de boom, hem niet loslatend uit zijn blik.

Langzaam werd het donker en krekels begonnen te zingen. Robby had er genoeg van en probeerde hem mee te krijgen.
Maar Norbert wilde niet.
Op de vraag van Robby wat hij dan wel wilde, antwoordde Norbert slechts: “Food with nutmeg, much nutmeg, very much nutmeg.” En hij haalde een noot uit zijn zak waarop hij zacht begon te knabbelen.
Hoe men ook probeerde Norbert weg te krijgen van zijn boom, het mocht niet baten. Als men poogde hem aan te raken, sloeg Norbert, de goede, zachtmoedige en dromierige Norbert, wild om zich heen. Eten wilde hij nog wel, maar alleen dingen die van nootmuskaat of foelie waren gemaakt. Drinken wilde hij ook wel, maar alleen thee.
Als die thee werd gebracht, haalde Norbert langzaam en ritueel de rasp van zijn moeder tevoorschijn en raspte er veel nootmuskaat in.

De mensen begonnen hem te zien als een heilige of een geest, de vleesgeworden geest van de nootmuskaatboom. Ze begonnen hem offergaven te brengen die ze plaatsten tussen hem en de boom in.

Norbert vermagerde snel, kreeg grote, starende ogen en sprak in orakelen die niemand begreep. Maar ja, ze verstonden dan ook geen Nederlands, daar in die desa in de buurt van Tretes. Hallucinaties deden hem zweven ver, ver boven de nootmuskaatboom uit. Werelden van nootmuskaat zag hij, in allerlei vormen en kleuren: groen van de bladeren, rood van de foelie, bruin van de stam en de noot, blauw van de hemel, goud van de zon en zilver van de maan.
Zelf kleurde Norbert ook: zijn gelaat werd rood als foelie, zijn inmiddels blote bovenlijf bruin als nootmuskaat boven de rond zijn lendenen gewikkelde sarong.

En de geur die hij verspreidde; zo doordringend naar nootmuskaat had het in de desa nog nooit geroken.
Soms, zo beweerden de mensen, zweefde hij even boven de grond, vooral als het donker werd. Ze spraken er over met een diep, diep ontzag – Norbert was hun eigen nootmuskaatgeest geworden, een beschermer.

Niet lang daarna legde Norbert zijn lichaam definitief af, het lichaam dat er uit was gaan zien en rook als perkament dat van nootmuskaat was gemaakt.
De dorpelingen begroeven het aan de voet van de boom, eerbiedig en ritueel, en hielden op de daartoe vastgestelde dagen selamatans.

De boom liet eenmaal per jaar, op de dag dat Norbert een met hem was geworden, al zijn eenslachtige, tweehuizige bloemetjes tegelijk vallen op het graf en de desa geurde die dagen doordringend naar nootmuskaat. De dorpelingen aten dan zoete vruchtvleeslekkernij en dronken er thee bij die met behulp van Norberts rasp verrijkt werd met nootmuskaat.

De boom werd de grootste, de sterkste en de mooiste nootmuskaatboom van Indonesië en zo vruchtbaar dat de hele desa er voor altijd van kon leven.

toko: winkeltje
sawah: rijstveld
desa: plattelandsgehucht
food with nutmeg etc: eten met nootmuskaat, veel nootmuskaat
selamatan: gebedsdienst, besloten met gezamenlijke maaltijd; ceremoniële rijsttafel