KutBinnenlanders.nl

Maand: juni 2011 (Page 2 of 7)

Hoe ik Wereldwonder hielp

De maan kiert tussen de wolken. Maar verder is het donker. De nacht is op z’n holst en ik zit in de bosjes. In Groningen, godbetert. Het is te verdragen want het is voor een goed doel. Een varkentje te wassen heb ik deze nacht.  Mijn ogen zijn gefixeerd op een huis.  In Groningen of all places dus. (Ik kan haast niet geloven dat ik Groningen ben aanbeland). De verf op de deur is afgebladderd. De vettige ruiten zijn afgeplakt met posters van feesten. Er staan roestige fietsen voor de deur; een studentenhok.

In de bosjes zit je niet voor je lol. Dit is één van zeldzame keren dat ik een ander ga proberen te helpen. Wijnand Bruggink heet de gelukkige. Hij schrijft. Een wereldwonder. Hoogbegaafd en toch woonachtige in Groningen. Die Wijnand. Hij schrijft verhaaltjes waarin vrouwen verkracht worden. Kinderen ook, geloof ik. Maar niet heus. Ik schrik een beetje van zijn teksten. Het is helemaal niets. Niet geloofwaardig en ook niet opwindend.

Zijn verkrachtingscènes doorlezend, besef ik: deze jongen heeft een probleem. Een groot probleem op seksueel gebied. Hoe meer ik van hem las, hoe groter mijn medelijden groeide. Arme, arme jongen. Ik lees het af aan zijn stijl, zijn woordkeus. Zijn seksscènes komen uit slechte films. Zijn grappen van Kluun. Het is helemaal niet goed. Het is verkeerd. Hoe er in zijn verhalen geneukt wordt, dat is om te huilen. Wijnand had eerder een reeks, genaamd ‘Maagd’ die zich uitstrekte over 3201 hoofdstukken. Maagd, in 3201 hoofdstukken. Dat zegt genoeg.

Wijnand Bruggink is nog nooit echt goed geneukt.

Je merkt het aan alles. Niet alleen kan hij niet schrijven over seks, meneer is extreem prikkelbaar, heeft geen incasseringsvermogen en een verkeerd zelfbeeld. Alles duidt op een overvolle zak. Dat tast je hersenen aan. Mijn empathisch vermogen is begrensd, zeer begrensd. Maar met dit geval kan ik niet anders dan intens medelijden hebben. Ik heb zijn foto erbij gepakt. Met kunstgrepen is het te doen. Ik kocht een retourtje Groningen.

De deur gaat open. Wijnand stapt naar buiten voor zijn nachtelijke portie kipknotsen. Het is een gewoontedier hoor. Snel trek ik de bivakmuts over mijn hoofd, pak mijn spullen en schiet uit de bosjes. Een eitje. Het wereldwonder verstijft van angst. Duidelijk iemand die te veel films ziet. Ik grijp hem bij de riem van zijn broek, ontgesp hem en trek in één vloeiende beweging de broek omlaag. Mooie batman boxer W., maar ook die moet uit. Even deins ik terug. Allemaal puistjes. Ik verman me en pak de voorbinddildo. Je denkt toch niet dat ik mijn eigen pik tussen mannenbillen stop? Zoals ik zei: mijn empathisch vermogen is begrensd. Vanochtend heb ik de hele ochtend geoefend om het apparaat snel en goed vast om mijn middel vast te maken. Het is een kanjer van veertig centimeter. Je doet het goed of je doet niet, zeg ik altijd maar.

Wijnand staat er nog altijd als verlamd bij. Over zijn lippen komt een zacht, nauwelijks hoorbaar gekreun. ‘Wat zeg je, Wijnand?’ vraag ik. Niets. Hij valt stil. Snel vet ik de staaf in. Het ding schiet verrassend gemakkelijk tussen zijn billen. Hij zal toch niet eerder? Nee, dat kan niet. Hij heeft geluk met zijn sluitspier. Het wereldwonder heeft een starre blik in zijn ogen. Kijk je wel eens natuurfilms? Een beetje zoals zo’n vogeltje kijkt vlak voordat het wordt opgeslokt wordt door een slang. Kijk, ik doe dit ook niet voor mijn lol. Maar ik heb nu eenmaal aandacht voor mensen. Als ik merk dat een medemens problemen heeft, probeer ik die te verhelpen. Of niet, natuurlijk.

Ondertussen blijf ik de staaf er maar insteken en er uit halen. Het sopt een beetje. Niet onplezierig, maar liever zat ik thuis een film te kijken. Dit voelt als werk. Ik tuur op mijn telefoon. De laatste trein is nog te halen. Anders moet ik vragen of ik bij Wijnand kan slapen. Als wederdienst zal dat vast wel mogen. Maar liever dan in een studentenhok, slaap ik thuis. Aan W’s pukkelige, bruine billetjes te zien is hij niet zo van de persoonlijke hygiëne.  Ik blijf doorpompen. Iemand moet het doen. Het begint me te vervelen en het uitzicht is nu ook niet bepaald tof. Die Wijnand. Voor een eerste keer doet hij het voorbeeldig. Veel meisjes kunnen hier wat van leren.  Geen kik geeft hij, hoewel wat aanmoedigingen voor mijn gezwoeg er wel vanaf zouden kunnen.

Het soppend geluid groeit. Ik voel zijn lichaam verstrakken, zijn spieren spannen zich.

OOOOOOOOOOEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEWAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAWWWWWWWWWWWWWWOOOOOOOOOOOOEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEHHHHHHHHHHHAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAGGGGGGGGGGGGGGGGGGGGGGGGGGGGGGGGGGGGHHHHHHHHHH

Beter kan ik het niet omschrijven in onze taal. Een kreet uit lang vervlogen tijden. Een enorm grote plas, zo groot als een tractorwiel ligt aan zijn voeten. Groengelig, ik heb nog nooit zoiets gezien. Vies. Zijn blik staat waterig, verbaasd.  Ik fluister hem in zijn oor: ‘Ja Wijnand, dat is wel even andere koek dan in die verhaaltjes van jou hè?’. Fluitend loop ik door de nacht. Dat zal die jongen goed doen.

Dat is het leven (17)

Samen met de Koksmaat deelde ik een hut.

En er waren 2 mooie ronde koperen ramen ,waardoor je naar buiten kon kijken.

De chef zei me je mag kiezen welke kooi je neemt boven of onder.Ik zei geef mij de bovenste maar dan kan ik door het raam naar buiten kijken.
Toen zei de chef we hebben aan boord geen ramen dat noemen we een patrijspoort.
En ik wil dat je die koperen patrijspoort elke week keurig met koperpoets laat glimmen.Ook zei in de onderste kooi komt dan de koksmaat te slapen.Ik vertelde hem dat ik die al had gezien in de keuken.Neen zei de chef dat noemen we aan boord de kombuis.En koffietijd of thee tijd noemen we pickheet tijd.Ik had al snel in de gaten dat zeemannen er een eigen benaming voor sommige dingen gebruikten.De hofmeester vertrok en zei ik verwacht je over een half uurtje in de eetsalon dan zal ik je uitleggen wat je werkzaamheden hier aan boord bevatten.Ik zei is goed en begon mijn spullen in een kast op te bergen.

Ik sliep in de bovenste kooi en onder sliep de koksmaat Andre.
Daarna sloot ik de hut af en ging opzoek naar de eetsalon.Ik liep door allerlei gangetjes zag waslokalen en echte douches .
Toen kwam ik voor bij de kombuis en stelde me netjes aan de chef kok en de bakker en de koksmaat voor.De chef kok was een grote man met een enorme buik
Ik dacht dat zal wel van het eten proeven zijn,maar later bleek dat de koks op schepen erg veel bier dronken omdat ze altijd achter dat warme fornuis stonden te werken.

Zum kotsen, zum smullen.

Soms verwonderen woorden mij wonderveel.
Het zijn eigenlijk maar rare dingen.
Een zooi takjes en streepjes en bochtjes en zo.
En een paar verdwaalde ronde ringen.

Iedereen kan een woord hanteren,
Ieder mag formuleren wat hij wil.
Door te luisteren naar iemands woorden,
Zien we eens door een andere bril.

Mensen kunnen woorden hebben,
Dat is geen bezit maar een verlies.
Woorden raken, schaven, schuren,
Woorden smaken soms zelfs vies.

Ja, woorden zijn voor de een zum kotsen,
Het zelfde woord oogt een ander zum smullen zo fijn.
In volledige stilstand kunnen woorden botsen.
Een woord zién bezorgt soms hele scheuten van pijn.

Een woord pal voor uw neus kan veel te ver gaan.
Een half woord is sommige verstaanders al te veel.
Zo machtig als het woord zijn, ga er maar aan staan.
Zo’n macht viel nog nooit één sterveling ten deel.

Woorden ogen soms ritmisch stil,
EN DAN WEER OGEN ZE KNETTERLUID.
Het is zo raar, want het zijn maar letters.
Wat maken die nu helemaal uit ?

Woorden zijn wonderbaar,
Woorden hebben zoveel ziel.
Van woorden kun je houden,
Net zo makkelijk maken ze ons allen debiel.

Woorden wissel je zonder wisselgeld.
Woorden neem je soms terug.
Als je woorden in de weegschaal stelt,
Breken woorden zomaar iemands rug.

Waarom spreken wij toch niet zonder woorden ?
Waarom zeggen we het niet zonder vocabulaire ?
Woorden lijken soms erger dan moorden,
En toch is een ongelijke woordenschat niet unfair.

Woorden kunnen we háten, willen we niet horen,
Soms hebben we het liefst hun spreker stil.
Sommigen menen dat zelfs, en leidt zo’n simpel woord,
Tot een laatste snerpende gil.

Ik denk dat wij gek zijn, ik kan er niet bij.
Waarom maken we ons om onbenullige woordjes gek ?
Om een abstracte stapel letterbrij,
Slaan we soms iemand zo op hun bek.

Worden kogels geschoten, staan de mensen op straat,
Stromen soms hele straten rood van het bloed.
Worden botten gebroken, worden massa’s kwaad.
Doen woorden onze samenleving eigenlijk wel goed ?

Woorden moet je misschien maar niet willen leren,
Woorden zijn van nul betekenis.
Wie denkt dat woorden ons helpen communiceren,
Is nog gekker dan de schrijver dezes is.

Bananarama Consultancy // Uitkafferen

Eén van de belangrijkste taken van een president directeur grootaandeelhouder is het uitkafferen van het personeel vond Otto, president directeur grootaandeelhouder van Bananarama Consultancy Groep.
Personeel dat niet op gezette tijden een uitbrander krijgt, wordt zacht. Zoals je een plant regelmatig water moet geven, zo moeten werknemers regelmatig uitgekafferd worden. Ze moeten bij de knieën afgezaagd, tot op de bodem toe worden afgebrand om tenslotte in de grond gestampt te worden. Anders wordt het personeel week als spekkoek. Bah. Men gaat fluitend naar zijn werk. Men eet braaf zijn bammetjes. Men maakt praatjes bij de waterkoker. Men loopt doodgemoedereerd door de werkruimte.
Men gaat lodderig uit de ogen kijken. Kortom, algehele verslapping. Een onwenselijk, schadelijk fenomeen waar al vele consultancy firma’s aan onderdoor zijn gegaan. Voor je het weet gaat personeel op rolschaatsen over de werkvloer! Bij Shalom consultancy hingen ze op een gegeven moment in de gordijnen. ‘Dan weet je het wel!’, bromde de directeur zuur voor zich uit.

AANPAK DUBBELBELEGGERS!

(nog even intern houden)

Onlangs werd TROTS erop geattendeerd dat er op het gemeentehuis, het Zwart Gat, wel heel vrijelijk wordt omgesprongen met het geld van de burgers! Er BESTAAT een sfeer van ‘laat maar waaien’! Die UIT zich in een ongeoorloofde verspilling van middelen! En dat terwijl er voor miljoenen bezuinigd moet worden! Na EEN stille tocht voor een crimineel, 100(!) vrijkaarten voor de Efteling, illegale zeepjes op het PvdA-toilet, de STEL klucht, ‘Patsy-gate’, wethouder Jan, falende aanpak van de kleine boerderijdieren, de exorbitant GROTE gehandicaptenzitjes, dubieuze gang van zaken rondom Baklava en de illegale opvang van DEBIELEN, gaat de coalitie wéér in de fout!

TROTS heeft signalen ontvangen dat er zich rondom het lunchen dubieuze zaken voordoen! We voelen ons genoodzaakt om voor onze burgers de volgende vragen te stellen:

1. Klopt het dat er zich dubieuze zaken voordoen rondom het lunchen in het Zwarte Gat?

2. Bent U zich bewust van het feit dat er regelmatig (klemtoon Joost)
sprake is van dubbel beleggen door met name de partijen aan linkerzijde?

3. Klopt het dat kantinepersoneel is geïnstrueerd (klemtoon Joost) genoemde partijen dubbelbeleggers geen strobreed in de weg te leggen bij het extra luxueus dubbelbeleggen van hun toch al sjieke (zaden, noten, pitten et cetera) boterhammen/broodjes/crackers en/of zelfs wraps?

4. Klopt het (stilte) dat met name PvdA wethouder Jan (extra zware stem opzetten hier Joost) zichzelf wel héél (klemtoon Joost)
rijkelijk bedeelt als we het hebben over slasaus (Calvé!) en plakjes 30+ dieet kaas (Unikaas!)?

5. Is U bekend dat mw. Van De Weyer regelmatig frambozenjamcups (Héro!) in haar kleding laat ‘verdwijnen’ (indrukwekkende stilte laten vallen) ten einde dit in te zetten voor rode mierenpopulaties op het ‘Bels Lijntje’ en (klemtoon Joost) eigen gebruik?

6. Weet U hoe laat het is?

7. Is U bekend dat het exorbitante (klemtoon Joost) lunchgedrag op het Zwarte Gat door de heren en dames politici onze gemeente veel geld (extrazware klemtoon Joost) kost? (indrukwekkende stilte) Geld (korte, strenge stilte) dat van onze (klemtoon) burgers is!? (WOEDE!)

God’s ballen.

Twitter is niet voor mensen van de lange adem, wordt gezegd. Twitter is in een hoest en een kuch een momentopname het internet op braken. Dit kortverhaal is speciaal voor de heer Soul Food.

 
Zijn hoestje werd regelmatig. Het leek eerst een kuch van niets.

Bijna niemand sloeg er enige acht op. Enkel zijn maat Robert trok na een tijdje zijn wenkbrauw op. Pas toen het echt heel erg begon te worden, viel het Debby op dat het niet lekker ging met Kristof.

Op een middag zakte Kristof ineens in elkaar tijdens een potje squash. Robert rende meteen naar hem en schreeuwde dat iemand een ambulance moest bellen.
Ondanks de gillende sirene en het brandend bandenrubber leek de rit eeuwig te duren, terwijl Kristof daar lag, wanhopig naar adem happend. De klok in de wachtkamer leek niet te bewegen. Als verdoofd staarde Debby naar een waterflessenbezorger die zorgvuldig het aquarium inspecteerde. Woorden die in loze verdwazing verdwaalden rolden van de korstige lippen van de dokter. Hij merkte het. En hij haatte het om zulk nieuws te moeten brengen.

Weken en maanden vervlogen als stop-motion animatie seconden. De puinzooi aan lege flessen op de grond was zo’n ontzettend cliché, bedacht ze terwijl ze er nog een leeg dronk. Clichés, dwaze malle clichés – ze rolde één fles heen en weer met haar voet.
De nachtlucht in de tuin rook naar zeewier toen ze voor het eerst Kristof terug zag komen.

Het eerste dat ze merkte was zijn muskusgeur, zoemend door de vreemde zeewierlucht. De buitenlucht werd koud. Ze voelde het koele gras tussen haar tenen. Debby rilde. Nachtelijke wandelingen hadden haar al van kinds af aan troost gebracht, maar nu voelde ze plots angst. Ze struikelde een paar keer terwijl ze zich naar binnen haastte. Stil vervloekte ze de alcohol in haar bloed.
Vanachter het gordijn gluurde ze de tuin in.
In het licht van het raam, pal naast haar silhouet, staarde een grote rat naar haar.

Debby haatte ratten.
Ze grapte altijd dat ratten eruit zagen zoals God’s ballen eruit moesten zien – schurftig, harig, schimmelig, lelijk. Er is immers te weinig water voor een oneindig wezen om eens fatsoenlijk zijn ballen mee te kunnen wassen.

De kraaloogjes van de rat staarden en staarden.
Debby probeerde zich koortsachtig het nummer van de ongediertebestrijding te herinneren. Maar toch… die vreemde blik in de ogen van de rat. Misschien beeldde ze zich het maar in, maar
Er was maar één ander levend wezen ooit geweest dat haar op die manier had aangekeken.

En toen hoestte de rat. Haar hart maakte een sprong. Nee, het kon niet, het kon niet verdomme. Het knaagdier draaide zich snel om en spoedde de nacht in voor ze wist wat ze ervan moest denken.

De volgende nacht was Debby nuchter, voor het eerst sinds het ziekenhuis. Ze keek de hele nacht uit het raam maar het wou enkel regenen en regenen. Uiteindelijk viel ze in slaap en droomde van God’s ballen.

Robert was ferm verrast toen hij Debby zo ongelofelijk opgewekt zag. Lange, pijnlijke maanden waren verstreken waarin hij niet meer op bezoek had gedurfd. Debby was vrolijk, bijna gelukkig zelfs. Dit mocht een wonder heten als je je bedacht hoe ze er de laatste keer aan toe was. Alleen het stille en lichtjes afwezige neuriën van stukjes van liedjes dat ze tussen haar zinnen in deed kwam een beetje raar over.
Maar het ging prima met haar, vertelde ze. Alles ging prima. Hij vertrok met een gemengd gevoel van geloof en ongeloof.

Kristof kwam vaker en vaker op bezoek en Debby was elke keer nog blijer om hem te zien. Ze praatte uren met hem, en hoewel ze wel eens dacht dat ze knettergek geworden leek te zijn, liet hij haar telkens met een leeg en alleen gevoel achter als hij weer wegging. Maar ook een warmte vervulde haar, dat ze hem immers toch ook wel weer gezien had.
Ze was allang opgehouden met grapjes over de ballen van God. Ze was verliefd, ze verlangde, ze kon telkens niet wachten tot dit prachtige dier haar weer op zocht. Het enige dat ze wou was dat hij niet telkens weer weg ging. Ze kon aan niets anders meer denken dan aan opnieuw met haar Kristof samen te zijn.

Haar telefoon werd niet beantwoord, dus maakte Robert zich nu echt ongerust. Hij vertrekte vroeger van zijn werk en repte zich langs haar huis. De deur stond open.
Al wat hij terug vond van haar was haar badjas op de grond. Hij sloeg geen acht op de piepkleine pootafdrukjes die naar buiten leidden.

Dat is het leven (16)

De chef hofmeester was mijn baas.

De Haagse bemanningsleden noemden de hofmeester Hofjood!Maar dat zei men alleen als hij niet in de buurt was .
Ik zei tegen de Hofmeester ik ben Lowy Cremers uit Eindhoven en ga mee als Pantryboy.Dan kom je met mij mee naar de pantry zei de man wand ik ben je chef en ik ben de chef hofmeester.

De Hofmeester hete iedereen welkom aan boord.
Ik liep achter de hofmeester aan die vroeg me toen waar is je bagage heb je die wel bij je?
Ik zei ja meneer die heb ik al in mijn kamertje gezet wand dat heeft die grote meneer me al aangewezen.Hoe zag die man er uit vroeg de chef aan mij?Ik zei hem dat het een grote man was met een schipperspet op.

De bootsman. Een erg stoere man die de matrozen onder zijn hoede had .

Ja zei de hofmeester toen dat was de bootsman die noemen we Boots aan boord van een schip.De man Hofmeester barste in lachen uit en zei me goed dan wijs jij me maar eens jouw kamertje aan jongen.
We gingen gezamenlijk op weg naar de kamer waar ik mijn bagage had uitgestald.Hier is het zei ik.De hofmeester keek me aan en zei Lowy luister goed jongen op een schip heb je geen kamers maar slaap je in een hut.Die bootsman heeft je in de maling genomen dat doen ze wel meer als je pas nieuw bent en ook nog uit Brabant komt.Dit is het washok,pak je spullen maar weer in en kom met me mee dan wijs ik je de slaaphut aan.
Na dat ik alles snel in de koffer had gedaan liep ik achter de chef aan op weg naar mijn slaaphut.We bleven bij een deur staan de chef gaf me de sleutel en zei open de deur maar.Wat ik toen zag was geweldig.Een hut met 2 bedden boven elkaar een soort stapelbed met leuke gordijntjes er omheen.En een echt schrijf buro en kleerkast stonden er in.Mij werd verteld dat ik eventueel foto.s tegen de wand mocht hangen echter alleen vast maken met cellotape ivb met het verwijderen later zo dat het geen lijm sporen op die mooie houten wanden achter zou laten.Ik moest samen met de koksmaat de hut schoon houden en elke dag zelf het bed netjes opmaken en zorgen dat alles er piekfijn uitbleef zien zei de hofmeester tegen me.

Het Dolen

(Eerder op Zaradi Tebe voorgedragen)

Dolen dwalen zoeken dralen
Weet er iemand echt de weg
Komt er iemand ons ophalen
Dolen dwalen zoeken dralen

Midden in een winternacht
Stond daar dan het sneeuwstormmeisje
Dwalend aan mijn deur beland
Zij schuilde, wij sliepen, wij liepen
Even samen een eindje op
En toen scheidden onze wegen
Dolen dwalen zoeken dralen

Het verdwaalmeisje kon me dan weer niet vinden
Zelfs haar GPS gaf het op
Dolen dwalen zoeken dralen

Het grotestadmeisje wist wel waar ze was
Maar ik raakte in de stad verdwaald
Dolen dwalen zoeken dralen

Het kinderwensmeisje wil dat zaadjes hun weg vinden
Het mitellameisje wacht tot haar bot weer heelt
Het glazen meisje drinkt haar koffie en wacht tot de volgende klant haar vindt
Dolen dwalen zoeken dralen

Het water weet haar weg te vinden
Het stroomt omlaag en dampt omhoog
Bij iedere cyclus verbaast het zich over die dwaze mensen
Die heel hun leven maar lopen te
Dolen dwalen zoeken en dralen.

« Older posts Newer posts »

© 2026 KutBinnenlanders.nl

Theme by Anders NorenUp ↑