KutBinnenlanders.nl

Maand: januari 2010 (Page 3 of 5)

Pluggerdeplug lustrumfeestje in Gent

Van de week was ik voor het eerst op een redactievergadering van GentBlogt – u weet wel, dat ‘andere’ weblog waar ik schrijftechnisch de laatste tijd wekelijks op vreemdga. ’t Was een vermakelijk avondje – een gezellige chaos met een pintje erbij, al moest ik dan wel buiten roken maar enfin. GentBlogt heeft niet echt een Grote Baas maar de ‘man achter de knoppen’ van de betreffende avond had er een hard hoofd in toen het onderwerp van ‘het lustrumfeestje’ ter sprake kwam. GentBlogt bestaat namelijk binnenkort vijf jaar en de man in kwestie had eigenlijk eerder zin in een feestje vanachter de PC. Enfin, een felle discussie later stelden enkele vrouwelijke medewerkers zich als feestcommissie op en inmiddels steekt in mijn mailbox een aankondiging van de plek en datum.
Wilt u mee vieren dat GentBlogt de heuglijke leeftijd van VIJF JAAR heeft bereikt, in een stijlvol keldercafé in het prachtige Gent, de avond vóór Valentijnsdag (dus een mooi excuus om met uw geliefde samen een tripje Gent te ‘doen’) of daar ter plekke mij luidruchtig van repliek te dienen op mijn botte stukjes over Nederland, dan bent u van harte welkom op:

Zaterdag 13 Februari 2010 GentBlogt FEEST !
Locatie: The White Cat
Drongenhof 40 (Patershol)
Vanaf: 20.00u (tot ……)
Entree gratis!

Artikel voor GentBlogt.be (6)

Het spijt me bij vlagen, KutBinnenlandië. Maar ik moet u toch echt afschilderen in mijn collumns bij uw zuiderburen voor wat u bent. Dus ook dit keer weer een artikeltje doorgeplaatst zoals het op GentBlogt aan de Gentenaren voorgeschoteld is. Bovendien is het toch ‘mensenvlees’ themaweek op KutBinnenlanders, dus ik voel me niet geroepen om me in te houden. Beloof mij beterschap en ik beloof u hetzelfde, maar voor het moment schrijf ik wat voor het oog valt. Een Nederbelg burgert in: De Zorg Mijn vorige onderwerp maakte bijna honderd reacties los, hoogste tijd voor een onderwerp dat wellicht wat minder los gaat maken. Ironisch genoeg beiden om dezelfde reden: dat het hier nog niet zover is. Vandaag wil ik het hebben over De Zorg. U weet wel, die dames en heren die er voor u zijn wanneer u ziek of anderszins beschadigd bent, en waarvan de bedoeling is dat ze u weer oplappen tot een volwaardig en menswaardig lid van de menslievende maatschappij. Neem maar vast van mij aan dat dit bij uw noorderburen een ver, vér gepasseerd station is. Geen mens is een eiland. En ieder op zijn tijd, no matter hoe trots, zelfstandig of welbedeeld, heeft de hulp van anderen nodig. Eendracht maakt macht is uw wapenspreuk hier, maar uw Noorderburen zitten opgescheept met het Oranje-Nassauistische Ik zal handhaven, en dat reikt ver. Ik heb reeds bij het rookverbod (en bij het vuurwerk) een tipje van de sluier gelicht, en protestcultuur, censuur, regeltjes en watalnietmeer zullen nog de revue gaan passeren. Maar laten we ‘klein’ beginnen: hoe bent u eraan toe als u in Nederland ongewillig slachtoffer wordt van ziekteverschijnselen ? Simpel gezegd: you are fucked, pardon my French. Allereerst kennen we al jaren amper meer het verschijnsel van een huisdokter die ook daadwerkelijk aan huis komt. Neen, wacht u maar liever gedurende het wachtuur (soms letterlijk slechts één uur) met god-mag-weten-wat-u-mankeert tussen ieder ander die het zo ver laat komen dat opgeleidde ogen er toch beter maar eens naar kijken. Uit meerdere persoonlijke ervaringen – eigenlijk bijna alles wat ooit met me mis is geweest – weet ik dat deze stop een nodeloos verspillen van tijd is in Nederland; in het onderwijs geldt de spreuk those who can’t, teach en in de zorg lijkt dat de qualificatie van de huisarts te zijn. Desalniettemin: u bent in Nederland aangewezen op deze man/vrouw als uw allereerste stap voor alles wat niet dermate levensgevaarlijk is dat er een directe ambulance bij te pas hoort te komen.
Ik heb hier in België al mogen proeven (helaas ging 2009 niet zonder ernstige gebreken) hoe makkelijk er door de red tape gesneden kan worden mocht dat menselijk nodig zijn. Toen ik met een zenuwinfectie in mijn ruggegraat bij mijn dokter ’thuis’ in Tilburg meldde dat ik rechtstreeks een scan kon regelen via de huisarts die ik geraadpleegd had hier in Gent, meldde hij enkel droog en weemoedig: Ja, in België kan dat. Voor een eenvoudige scan ben ik, en u denkt wellicht dat ik overdrijf maar geloof me dat doe ik niet, máánden bezig geweest.
Ook eenvoudigweg de keuze voor een specifieke huisarts is niet zo eenvoudig als het klinkt. U moet in het postcodegebied van de arts vallen, en enkel als die geen enkele ruimte meer in zijn patiëntenbestand kan maken moogt u een beetje verder kijken. Maar niet te ver, want wettelijk is beslist dat uw huisarts binnen reisbare afstand ligt. Enerzijds is dat een goede zaak, maar dat heeft wel over de jaren heen simpelweg geleid tot regiogespecialiseerde huisartsenposten en daar hebt u het maar mee te doen, ongeacht dat misschien acht kilometer verder een huisarts woont die u liever met uw leven vertrouwt. Nederland – alsmede de beroepsgenezers zelf – heeft ook over de jaren heen flink het mes gezet in de voorzieningen. Wordt u ziek in het weekend ? Wacht maar lekker tot maandag. Een arts van de wacht, dat hebben we bijna nergens meer bij mijn weten. Een apotheek van de wacht ken ik in Nederland al helemáál niet. 24/7 zorg, stel je voor, in een land gerund door calvinisten kán dat toch niet ? Moeten immers ook verzorgers niet de zevende rustdag respecteren enzovoorts ? Dat is dan nog tot daaraantoe. En ieder medisch circuit is op een bepaalde maatschappelijk verantwoordde manier ingericht, de huisarts is het verplichte aanmeldloket bij de meeste aandoeningen in Nederland en soît, dat is dan zo. Maar het allerergst bij uw Noorderburen is wel de wetgeving over wat voorheen nog het ziekenfonds heette.
Vergeet alles wat de historie achter die link vertelt, in recente decennia is alles daarvan vervangen door een mengeling tussen Amerikaanse toestanden en het ‘poldermodel’. Met bovendien nog recenter het verschijnsel van privatisering. Iets waarvan de Nederlandse overheid maar niet genoeg kan krijgen – openbaar vervoer, telefonie, postdiensten, energie, álles moet maar geprivatiseerd worden, uit onze handen, wég, wég ! Op vrijwel ieder geprivatiseerd gebied heeft de schade zich ongegêneerd getoond, maar desalniettemin zal er altijd weer ergens een rapport geschreven zijn dat aantoont dat op dit nieuwe privatiseergebied de resultaten wél voor alle betrokken partijen – de burger nemen we altijd in de voetnoten mee – beter en wenselijker zijn dan de huidige situatie. Ik kom er op een aantal anderen later wel weer terug, maar de Zorg is wel het machtigste voorbeeld dat we momenteel kennen in Nederland. Het kind met het badwater buitensmijten, dat doet onze Overheid niet zomaar, maar dan wel vanuit hun optiek. Het hele idee van de burgers die gezamenlijk de ‘pot’ betalen voor eenieder die ziek wordt, dat ‘mochten’ we dan ook koste wat kost behouden. Het ‘potje’ werd zelfs een beetje groter: iedere burger is verplicht de premie voor een Basisverzekering te betalen. Niks mis mee, maar met die verzekering heb je nog niets. Waar een verzekerde vroeger uit zijn premie, al dan niet aanvullend verzekerd (‘Ollanders houden van verzekeren, ook een onderwerp voor later wellicht), in ieder geval wat basismedicijnen, de tandarts en bijvoorbeeld een jaarlijkse nieuwe bril vergoed kregen, krijg je nu nada, zilch, zip, noppes, nitsch. Iedereen is verplicht tot een ‘eigen bijdrage’ van 255 euro. Dat betekent dat als je medische kosten in een bepaald jaar niet boven de 255 euro uitstijgen, je de hele mik zelf mag betalen. Bóvenóp de premie van de basisverzekering, die bij de laagste verzekeraars van het land nog altijd minimaal 80 euro per maand inhouden. Als nog altijd geregistreerd Nederlands burger betaal ik dus per maand méér dan wat ik hier aan de premie voor de mutualiteit per jaar betaal. Wrijf even in uw ogen en lees dat nog een keer. Per maand, per jaar, ja u las het goed. En ja, tot pakweg vijfentwintig joetjes krijg je daar dus nog niets voor ook. De vraag die zich opdient is, á zestien miljoen mensen, zijn de kosten dan ook navenant ? Nee, natuurlijk niet, want de hele zorgmarkt is overspoeld door private verzekeraars met lobbyisten op de payroll en die zorgen zelf wel dat zij en hun werknemers de toekomst fluitend in kunnen. Lang leve de privatisering. Leve de vrije markt en het Amerikaanse voorbeeld. Natuurlijk heeft iedere weldenkende Nederlander Sicko gezien, maar dat herkennen als langzaamaan onze eigen situatie, laat staan er iets tegen proberen te doen, dat riekt naar gevaarlijke geluiden en laten we die vooral niet maken. Ik ben een tijdje geleden begonnen met een liedie gebaseerd op de openingstune van de bekende Nederlandse dokterscomedy ‘Zeg eens Aaa’. Het heet ‘Zeg eens Bee’. Als de bevriende maar veel te drukbezette muzikanten wiens hulp ik ingeroepen heb om dit liedje inclusief clip af te krijgen en online te schoppen, zover zijn, zal ik het tezijnertijd u wel eens voorschotelen. Maar voor die tijd weet u alvast waar die protestroep vandaan komt. U bent vandaag vrijgesteld van huiswerk wegens ziekte van uw instructeur bij het denken aan zijn eigen thuisland. De Nederlandse cursisten mogen Koning van Katoren eens herlezen, en met name het hoofdstuk over de stad Afzette-Rije.

OOOOOOO! AAAAAAA! OEOEOEOE! AAAAAAA!

Achter de computer op school. Ik wil rustig mijn koffie drinken en Bukowski lezen, omdat ik mij de tering verveel, en dat liever samen met The Buk doe dan alleen. Plotseling beginnen verderop in de gang twee chicks allerlei vreemde klanken uit te kramen. OOOOOOO!
AAAAAAA!
OEOEOEOE!
AAAAAAA! Ze gebaren er met hun handen bij. Eerst denk ik dat ze gewoon krankzinnig zijn geworden. Dat gebeurt heel de dag door met mensen, dus het zou mij niet eens verbazen. Dan vraag ik mij af of ze misschien geil zijn, of dat ze eten willen. Alles is mogelijk. Maar opeens begrijp ik het: wat ik hoor zijn zangoefeningen. Bukowski schrijft dat kunstenaars naar de dood streven. Welke vorm van zelfvernietiging dan ook is altijd welkom. Daarom maken ze kunst, om henzelf in die kunst te kunnen verpulveren. Ik denk aan Mahler, van Gogh, en Bukowski zelf, en zie dat hij gelijk heeft. (Vraag hier niet om argumenten, want die zijn er niet.) Goede zangeressen willen dus dood, en gaan niet in het openbaar zangoefeningen staan uitwisselen. Iemand die naar eeuwige verlossing zoekt doet dat niet. (Vraag ook hier niet om argumenten, want die zijn er wederom niet. Het is geen mening, het is een wetenschappelijk feit. Hogere psychologie, vraag maar aan de zielenknijper.) Ik stop mijn vingers in mijn oren, en kijk om mij heen. De Fontys Hogescholen van de Kunsten. Wat een leegte. Er lopen hier dagelijks honderden studenten naar binnen, en ze zijn allemaal ?kunstzinnig?. Toch heeft geen van hen mij ooit iets werkelijk interessants laten zien. Waarschijnlijk ben ik niet ?kunstzinnig? genoeg.
Sterker nog, het is gedurende de vier jaar dat ik hier studeerde alleen maar moeilijker geworden om al dat gespuis serieus te nemen. Met hun baretten, muziekinstrumenten, zijden sjaaltjes, partituren, balletschoentjes, maillots, verfhanden, filmcamera?s, om maar niet te beginnen over die eindeloze gesprekken over wie wel geniaal was en wie niet. Op Youtube staan wat filmpjes van Bukowski. Ik draai het volume open, haal mijn vingers uit mijn oren, maar die wijfies staan nog steeds ?kunstzinnig? te kermen. IIIIIIIIIIIIIIIII!
AAAAAAA!
OEOEOEOE!
LALALALALA! Ik zucht en kijk naar buiten. De Muzetuin is wit van de sneeuw, en ik voel mij verloren. Ik moet godverdomme wijn hebben, en een donkere huiskamer, en de vijfde van Mahler.

Schaatsen (4)


De grote schrijver Ko te Let stond beteuterd voor de deur van Greutzenbad. Hij had de kunstrijschaatsen bij hun veters vast. De schaatsen waren een beetje vies wit. Er zaten krassen op het leer. Ko was helemaal niet blij met zijn geleende schaatsen. ‘Kop op jong, wie weet wat deze dag gaat brengen’, sprak hij tegen deur.

Hij liep de flat uit, op weg naar de stadsvijver. Ko voelde zijn rechtervoet wegslippen. De stoep was spekglad. ‘Wat is dit hier,’ riep hij uit. Hij keek verwijtend naar de tegels onder zijn voeten. Er was helemaal niet gepekeld! Ko was woedend. Het labbekakkerige pekelgedrag van de buurtbewoners irriteerde hem. Zoveel oude mensen en werklozen en niemand die er aan denkt afdoende te pekelen. En hardwerkende buurtbewoners als de grote schrijver Ko te Let maar onderuit gaan. Ko besloot er werk van te maken. Met de schaatsen schuifelde hij richting het stadskantoor. Hij ging zijn beklag doen. ‘De ambtenaren van stadskantoor 3 zullen dit varkentje wel even wassen’, lispelde hij verbeten.
Aan de gifgroene balie van stadskantoor 3 stond een vrouw. Ze droeg een bril met een dik roodmontuur. Ze loenste. ‘Kan ik u helpen, meneer?’ Ko zei dat hij melding wilde maken van ontverantwoord pekelgedrag. De vrouw keek hem nadenkend aan en schreef daarna wat op een papiertje. ‘Onverantwoord pekelgedrag. Nou we zullen ernaar kijken hoor, meneer Te Let.’ ‘Kunt u wel zorg dragen dat mijn klacht anoniem blijft?’ Ko was ontdaan dat er geen bedankje vanaf kon. Met een warm gevoel van burgerzin, stapte Ko naar buiten. Alweer een goede daad verricht. Als bekende stadsbewoner diende hij het goede voorbeeld te geven. Misstanden moest hij aan de kaak stellen. Als hij het niet deed, wie wel? Hij stond op een podium. Hij kreeg de medaille van goede burgerzin uit handen van een glunderende burgemeester met rode konen. ‘Voor de heer Te Let. De grote schrijver die al jaren het goede voorbeeld geeft van hoe het hoort in onze stad. Graag de handen op elkaar voor de heer de Let. De grote schrijver!’ (Wordt vervolgd, want een lage drukgebied met sneeuwmomenten nadert onze stad.)

Schaatsen (3)


De grote schrijver Ko te Let sloop de trap af. Het was gehorig in het trapportaal, maar van hém zouden ze geen last hebben. Ko was altijd muisstil. Want hij had veel burgerzin. De andere bewoners van zijn flat hadden aan hem een fijne buur. Er kon altijd een groet vanaf. En soms een praatje. Mooi vond de grote schrijver dat, converseren met de mensen in zijn flat. Hij schoot ze dan aan bij de brievenbussen en vertelde hoe het met hem ging. Wat hij aan het schrijven was en op welke literaire avonden hij acte de présence had gegeven.

Hij wist niet of ze allemaal begrepen wat hij zei, want het waren natuurlijk geen grote schrijvers. Of lezers. Terwijl hij toch buitengewoon toegankelijk proza maakte! Hij wond zich er over op toen hij bij Greutzenbad voor de deur stond. Nu even rustig, fluisterde hij tegen de deur. De grote schrijver Ko te Let stelde zich op voor de deur van Greutzenbad. Hij keek door het spionnetje. Was daar wel iemand thuis? Het had weinig zin aan te bellen bij Greutzenbad als die niet thuis was. Voor zover hij het zag, kon hij het inderdaad beter laten. Greutzenbad leek er niet te zijn. De gang was leeg. Er zat niemand in de stoel. Wel stond de toiletdeur op een kier. Misschien toch een kans dat Greutzenbad thuis is, deduceerde Ko.

Klongelongtongtong. Het was een aanstellerig deurbeldeuntje vond de grote schrijver. Dan zijn eigen deurbel. Een beschaafd, ingetogen maar toch duidelijk fwwwwrrriiit. Maar dat geluid van Greutzenbad, dat kon niet. En dat voor een intellectueel. Greudtzenbad las alle grote schrijvers. De grote schrijver Ko te Let vond Greutzenbad ‘interessant en Vergaay-achtig.’ Ko kende Vergaay niet, maar had Vergaay wel hoog zitten. ‘Ja, Greutzenbad wist immers van de hoed en de rand in schrijversland.’

De deur ging open. Greutzenbad wreef met zijn linkerhand door zijn intellectuelenbaard. ‘Meneer Te Let, wat verschaft mij de eer.’ Ko legde uit dat zijn schaatsen zoek waren. Dat de noren waarschijnlijk onder vijftien moltondekens in zijn inbouwkast lagen, vertelde hij er niet bij. Greutzenbad zou wel denken. ‘Natuurlijk kunt u mijn schaatsen lenen! Ik pak ze even!’

Ko kreeg witte kunstrijschaatsen in zijn handen geduwd. Maat 42. De grote schrijver had op een paar stoere noren gerekend. Of anders ijshockeyschaatsen. Hield Greutzenbad hem hier voor het lapje? ‘Veel plezier!’. Greutzenbad gooide de deur dicht. Daar stond Ko mooi mee te kijken.

(Wordt vervolgd zolang de vorst nog aan de grond zit.)

Schaatsen (2)

De grote schrijver Ko te Let wachtte niet op antwoord. Hij vermande zich en vatte de koe bij horens. Hier moest het vet ergens staan, peinsde hij. Tussen de molton dekens. Waarom was hij in het bezit van vijftien molton dekens? Was hij vergeten hoezeer die zijn huid irriteerden? De grote schrijver wachtte niet op een antwoord. Het vet moest gevonden worden. Waar was de cementkuip met het vet en de schaatsen? Tussen de moltondekens, zoveel was zeker. Schaatsen in het vet bij de moltondekens, hij herinnerde het zich nog van de verhuizing.

Zo. Genoegd gelanterfant. Met één kordate armbeweging pakte hij een rood witte moltondeken tussen rechterduim en wijsvinger. Hij tilde de stof op. Ah jakkie molton. Die vieze stof. Ko gruwde van molton en zijn dekens. Hij had vroeger een molton rompertje gehad en dat was hem niet goed bevallen. En toch was hij in het bezig van vijftien exemplaren van het prikkende textiel. Het was een raadsel dat zich niet liet oplossen in een namiddag. Dat moest wachten. ‘Ik parkeer dit raadsel even.’ Hij tilde met een pijnlijk gezicht een andere deken op. Het viel hem zwaar. Het molton was stoffig en leek dwars door zijn huid te prikken. Hij liet de deken los en zuchtte. Zuchtte nog eens en draaide zich om. Hij liep naar het raam. De grote schrijver duwde de gordijnen opzij en keek naar buiten. Hij tuurde naar de glimmende straat onder hem. Het leek nog altijd niet te dooien. ‘Vadertje dooi geeft mooi niet thuis’, mompelde hij. Het lag dus in de lijn der verwachtingen dat het ijs op de stadsvijver er nog lag. Erger nog: dat mensen er nog op konden schaatsen. Zonder er doorheen te zakken. Zo volledig moest hij wel zijn, vond de grote schrijver. Hij had helemaal geen zin om te schaatsen. Dat gekras op het ijs. Hij kotste ervan. Het idee alleen al om met die ijzers in het ijs te gaan lopen steken, benauwde hem. De grote schrijver moest even gaan zitten. Een paniekaanval. Ook dat nog. Ko voelde met zijn rechterhand aan zijn voorhoofd en stond op. Voor de badkamerspiegel zag hij de rode vlekken op zijn langwerpige schrijvershoofd. Hij had zich teveel ingespannen. Ook dat nog. Zo is het geen doen, stelde hij vast. Hij wachtte tot zijn hoge hoofd weer zijn normale schrijverskleur had en schoot zijn jas aan. (Wordt vervolgd. Helaas geen illustraties van de erven Linda deze week. Die zijn met zwangerschapsverlof.)

« Older posts Newer posts »

© 2026 KutBinnenlanders.nl

Theme by Anders NorenUp ↑