KutBinnenlanders.nl

Tag: Proza (Page 2 of 13)

De toeriste

De toeriste

 Terwijl ik de MP3-speler van mijn oren lostrok en inspecteerde waarom ik Cheb Khaled niet meer kon verstaan, midden in zijn verhaal over een Arabisch meisje waarmee hij sliep op een duizend-en-een nacht der nachten, stilstaand voor een stoplicht, hoorde ik een prachtige jonge meisjesstem aan mijn linkerkant in het Engels vragen waar het postkantoor was. Gelukkig wist ik dat haar te vertellen.

‘If joe go rait at de nekst lait… The Jumbo, the postoffices are all in supermarkets in Holland these days.’ Wat een

 taalbeheersing had ik. Wat een zuiver, vloeiend accent. Ik was trots op mij. En terwijl ik dat zei en het inderdaad schitterend mooie meisje (ik schatte een jaar of twintig, blank en melkboeren-hondenhaar in een half-lange staart) aankeek, nonchalant, maar aimabel genoeg, was ik terstond verliefd op een mogelijke relatie tussen haar en moi. Ja, moi. Ik zag haar en mij op zijn Frans vrijend onder de Eiffeltoren en mezelf Frans stokbrood met Camember aan haar voerend in een Frans bootje over de Seine, terwijl zij het Franse eten tongde en zichtbaar genoot van mijn Frans-Nederlandse touch over haar naakte borsten en dwalend naar haar Amerikaanse cunt.

‘And can you send boxes from there, sir? Hé, easy on the sir, hè, zo oud ben ik nou ook weer niet. Wacht, dat maar niet zeggen, mmmmmm, gelukkig, en nou terug duwen, ga terug waar je vandaan kwam! Jes, joe ken cent bokses vrom tair, milady. Are you from the United States of America? Ach, nee, daar zal ze vast geen tijd voor hebben. Zo veel te zien, zelfs in Tilburg en terug in Amerika moest ze het zeker niet hebben over die irritante, haar brutaal half-verkrachtende, opdringerige Nederlandse jongen. En al helemaal niet over die Hollanders, die je  al meesleurden naar hun grotten als je ze vriendelijk naar de weg vroeg. We moeten per slot van rekening een goede indruk maken. Zodat zij nog een keer terugkomt en wel de tijd heeft. En die hele afstand is gekomen met louter als doel om jou eens goed te leren kennen.

Maar wat als dat nou niet gebeurt? Wat als zij zo meteen afslaat en je haar nooit meer ziet en zij jou al vergeten is als zij haar doos afrekent en opstuurt (Wat zou daar in zitten? Zou dat iets voor mij zijn? Zou ik dat leuk vinden om dat te ontvangen en daarvoor mijn handtekening op zo’n beeldschermpje wil zetten?). Wat nou regels? Wat nou ongeschreven regels? Schrijf het dan op als je ongeveer alles afgeraden wordt te doen om indruk te maken op dat leuke meisje dat je anders nooit meer ziet, maar dat wel een onuitwisbare indruk op jou heeft achtergelaten. Wat nou? Dat zal ze toch wel begrijpen/ Zeker als je haar ook nog eens in de gelegenheid stelt om jou te leren kennen. En wat nou als dat niet haar plan was, om leuke Hollanders te ontmoeten? Het was ook niet mijn plan om een leuke Amerikaanse te ontmoeten, zeker niet nu ik in mijn hoofd nog steeds bij de vioolles van net zit. Bij dat grietje rechtsvoor me, die zo verleidelijk haar mooie rug laat zien en de centimeters naakte huid van haar nek. Het is nog maar een kwestie van tijd voor Griet zich een keer omdraait en onze relatie begint. Maar dan moet ik wel doorgaan met aan haar denken. Dan moet ik haar beeld vasthouden, dan mag ik geen moment mijn aandacht van de bal laten verslappen. Zodat ik er compleet klaar voor ben, als zij mij volgende week op haar vaste plek in de klas ziet zitten en resoluut en vol verlangens op me toe snelt….

Maar die Amerikaanse heeft dat nu verpest. Wacht, ze is nog niet weg, ze staat daar maar voor dat rode licht, met haar heerlijke kontje op dat herenzadel.. mmmm, weet dat wijf dan niet… Wacht maar.

‘You see that blue board there? It says that joe ken go right any moment, even do ze lait is ret.’ Een glimlach. Nu komen we ergens. Hé, waar gaat ze nou heen? Stom! Stomkop! Eikel, je hebt haar zelf laten ontkomen. Nu kunnen we niet praten. Nu kom ik er nooit achter in welke staat ze woont en waar precies. Of het daar warm is of dat ze het juist in Holland warm heeft en of die Amerikanen werkelijk allemaal zo als zij zijn.

Nou ja, naar huis dan maar, ik krijg toch al een beetje honger.

Doet me toch denken aan… Waarom vragen wij ons allemaal (oh jij niet dan? Goh, mazzelaar!) af hoe Amerikanen dit doen of dat bedenken en wat ze doen of denken of allebei als dingen als dit gebeuren en of ze inderdaad allemaal? En of ze, net als wij… Wie is wij? Wie zijn zij? Kom je daar ooit achter? Waarom vraag je je zelf zo zelden af hoe jij en hoe ik? Waarom hebben wij – daar heb je het weer – waarom hebben ‘wij’ het nooit over onszelf en blijven we daarbij? Waarom moet die Amerikaanse zo nodig naar ons toe komen. Naar ons land, naar onze cultuur, naar ons eten, onze gewoonten, onze taal (ja, waarom spreekt zij mij eigenlijk aan in het Engels, nogal arrogant als je bedenkt dat ik dat andersom in Amerika niet hoef te proberen met Nederlands, of Fries of Limburgs). Is er een wij? Is er een zij? Maar vooral, waarom houden ze het niet bij onszelf. Bij jou, bij mezelf. Die ik sowieso ook nog maar voor een deel ken en misschien in mijn leven nooit volledig en echt zal leren kennen. Of leren wij elkaar vooral kennen door de ander? Doordat anderen onze spiegels zijn en dat we zonder de ander blind als baby’s en kittens in de wereld rond blijven dwalen tot de grote blinde ons vanuit een blinde hoek verblindt en het licht uitdoet?

Ik was inmiddels weer thuisgekomen en dacht door tijdens het uitkleden, het douchen, het lunchen en de eerste vijf sigaretjes. Tot ik het lichtknopje had gevonden en ik wist wat me te doen stond.

Ik pakte mijn jas en fiets en fietste de stad Tilburg in, op zoek naar de volksaard, op zoek naar mooie plaatsen, mooie plaatjes, toeristische attracties, geuren, kleuren en gebeurtenissen waarmee een echte toerist thuis kan komen. Daarna spoedde ik me naar de dichtstbijzijnde Jumbo en meldde me bij de balie met de brievenbus.

‘Goedemiddag, meneer (hé, rustig aan met dat gemeneer stomme Hollandse domme doos!), wat kan ik voor u doen?

‘Ik wil graag de grootste doos die u heeft en die wil ik naar Amerika sturen.’

‘Hoe groot moet die doos zijn, zo groot of groter?’

‘Groter, heb je ooit gehoord op school van de boekenkist waarin die geschiedenis-meneer, eh, nou ja, Brugman, zich het kasteel uit liet smokkelen? Nee, er gaan geen belletjes rinkelen? (Nee, natuurlijk niet, je bent gewoon een domme doos die de hele schooltijd lang haar nagels zat te lakken en naar domme knappe scooter-jochies zal te loeren terwijl ik er wat van maakte, mijn schooltijd) Nou ja, de grootst doos die je hebt.’

‘Deze? Okee, dat is dan twintig euro, vijfenveertig, contant of met de pin? En waar moet ie naar toe? Heeft u de inhoud bij u, het kan nog tot vijf uur vandaag op de post. Anders wordt het morgen.’

‘En wanneer ben ik, ik bedoel, wanneer komt ie dan aan?’

‘Met Fed-ex is ie er morgenochtend om 10.00 uur, maar dat kost wel iets meer. Met TNT doet ie er drie dagen over. Ligt ie lekker? Zal ik er nog wat broodjes bij doen. Okee, ik doe em dicht. Veel plezier in Amerika, meneer.’

Eindelijk komen we ergens.

Op een zondagochtend kwam het Amerikaanse meisje Alice Stromboli terug van haar reis door West-Europa en vond een natgeregende grote kartonnen doos met haar naam erop (‘die Amerikaanse toeriste voor het stoplicht bij de Korvel die een doos wilde versturen en waar ik nu smoor op ben’, om precies te zijn). Ze sleepte hem – hij was behoorlijk zwaar – naar het halletje en opende de bovenste bladen.

Ze keek er even in en pakte haar mobieltje.

‘Hello, Fed-ex? Can you come get a package to return to sender?

Why?

I haven’t asked for it.

What? I did? Okay, thank you. I’ll take it inside.

En zo werden een Hollandse jongen en een Amerikaanse toeriste heel gelukkig samen. En leefden nog toen Fed-Ex de volgende morgen het pakketje kwam halen.

10 uur.  10 O’Clock

Universal time.

Dode dichter

Dode dichter

“…..”

Mmm… Hè?! Wat?

“tuut tut tuut tut tut tuut tuut”

Hè?

“zwaai, vinger, vuist, zwaai, zwaai, vuist, middelvinger, vuist, vuist, pink, twee handen, stop.”

What the fuck?

“heupwieg, knipoog, aanvallende beweging, keelgeschraap, borst-naar-voren-en-een-buiging-zodat-je-de-vormen-goed-kan-zien, pruillip.

Ja, nou moet je ophouden. Ik zie je dan niet, want ik ben blind, maar ik voel je wel bewegen. Wat moet je van me? Wie ben je? Waarom stoor je me als ik slaap. Ik was net zo lekker mijn droom aan het lezen. Ze stond net op het punt om haar bh van haar slanke schouders te laten glijden, toen jij in beeld verscheen. Wie ben jij nou weer?”

“ssspssrrrr.”

Ja, niet zo fluisteren, ik ben niet doof! Alleen maar…

“Sssppprrr!”

Klinkt als een hoop geslis voor mij. Je moet echt wat beter articuleren. En schiet op, mijn droom is aan het vervliegen.

“S…j…eee…kspr”

Wie?

U kunt het wel raden, William Shakespeare stond op een nacht bij mijn bed en fluisterde mijn naam. Waarom fluister ik jouw naam nog? Hoor ik steeds je stem? Ja, Benny Neyman, waarvan ik overigens ook al dacht dat ie allang dood was. Dacht ik. Maar zijn liedje werd door William weer tot leven gewekt en ik hoorde hem weer. En ik zag hem weer (ik ben niet altijd blind geweest) en ik rook hem weer (geen idee hoe ik daar op kom, ik ben nooit in zijn nabijheid geweest), ik voelde hem weer (???) en plots was het alsof ik weer een jaar of twaalf was en voor het eerst bij Op volle toeren een hitje van Benny opgevoerd zag worden, Vrijgezel waarschijnlijk, wat ik op het moment ook nog steeds ben. Al gedraag ik me totaal niet als die flierefluiter, die zuipschuit, die kroegvervoeger, die lastige vlieg die nu rondzoemt in mijn bewuste gedeelte en me wakkerzoemt en huidloopt. Ja, jongens, zo kan ik dus echt niet slapen. Laat me nog even. Het is zelfs nog donker buiten. En het is hoogzomer! Zie je? Het is pas half vijf! Laat me slapen, het is pas… Ja, even rekenen, ik ging gisteren om 21.30 uur slapen; ik was gewoon moe en het is nou niet dat ik nog iemand gezelschap moet houden tot het echt tijd is om naar bed… Wanneer is het eigenlijk tijd om naar bed te gaan? Ik ken mensen die er nog vroeger dan mij in liggen en mensen die gerust op blijven tot een uur of één, twee, zelfs drie. En dat zijn dan vaak ook nog es ochtendmensen, zoals ik. Ja, sorry hoor, maar deze jongen heeft toch echt wel een uurtje of zeven, acht slaap nodig.

Nou ja, ik ben nou eenmaal wakker en ik weet gewoon dat er voorlopig niks van slapen komt. Opstaan dan maar en naar de wc en koffie-apparaat. Mmmm, die eerste slok koffie is eigenlijk het lekkerst. Juist omdat je haar pas opmerkt als ze al halverwege je maag is. Je smaakpapillen, je hersenen, zelfs je maag slaapt nog half terwijl de hete bliksem al door je lichaam scheurt. Mmmm, lekker, nog maar een slok. En deze keer echt proeven. Slik. Was ik maar een koe, dan kon ik die slok nog zeven keer terug laten komen. En elke keer waarschijnlijk met een nieuwe smaak, een nieuw melange, een nieuwe blend.  Maar ja, koeien drinken geen koffie en zeker geen Euroshopper. Stomme beesten, weten niet beter dan dat er melk in hoort, terwijl koffie zelfs bedoeld is om louter, puur, alleen, exclusief solo te drinken. Net zoals solo-seks waarschijnlijk, genotsgewijs, ver te prefereren valt boven seks met een ander erbij, waarbij je toch altijd op die persoon en zijn gevoelens moet letten. Ja, ik zeg ‘zijn’ gevoelens, maar ls u soms dacht dat ik een flikker was, dan heeft u het toch echt… Flikkers houden van hun vader, flikkers zitten in gedachten altijd aan zijn kont, flikkers draaien Benny Neyman, die overigens zelf een flikker was, is. Leeft ie dan nog? Ik dacht toch echt dat ie… Hoe? Nee, daar heb ik nooit zo over nagedacht. Aids? Zal toch niet? Ja, ‘een vrijgezel, die gaat pas slapen als ie alle flikkers heeft gekust…’ Nee, ik weet niks van Benny Neyman, maar daar ging Vrijgezel toch niet over? En als dat wel zo was, wat niet zo is, volgens mij, dan meende Benny dat, denk ik, ook weer niet. Hij had zijn hits toch niet zelf….? Ja, nou ga ik weer twijfelen. Terwijl ik net zo lekker overtuigd was van mijn eigen… Ja, kan best wezen, maar heb je weleens gedacht aan dat Benny Neyman, ja, ik neem van je aan dat ie nog leeft, dat ie voor mij… voor mij snap je?  Dat ie voor mij allang dood was. En nee, ik weet niet waar ik was toen ik aan begon te nemen dat ie overleden was. Ik heb hem ook niet zien gaan. Nou ja, moeilijk ook, want tegen die tijd had ik dat ongeluk al … Jaha, dat was mijn eigen schuld. Weet ik toch. Hoef je me echt niet aan te herinneren. Maar ik bedoel dus, was aan het vertellen dat Benny Neyman voor mij…. Oh, gaat het inmiddels weer over Obama? Ja, sorry, the times they are a-changing, maar ik hou het niet bij, hoor. Het gaat me allemaal veel te snel. Bovendien, the times, die veranderen helemaal niet, slechts de aankleding, de scenery verandert. Ze slopen vast ook nog eens de Empire State Building en het Vrijheidsbeeld en zetten er een standbeeld van Bill Gates voor in de plaats. Maar de mensen, die veranderen niet. Nee, maak je mij niet wijs, die passen zich aan! Passen zich aan aan veranderde ideeën over gebruiken die in essentie ook alleen maar van vorm zijn veranderd. Waarom denk je dat op Koninginnedag al die Oudhollandse spelletjes nog steeds zo populair zijn? Zaklopen, spijkerpoepen, stoelendans, het zijn allemaal gewoon metaforen over hoe het allemaal werkt in het leven. En daarom zijn ze nog allemaal populair en redden nieuwe spelletjes het uiteindelijk niet. Playstation, ha! Ga toch ganzenborden, komt op hetzelfde neer en bovendien kom je dan nog es in contact met je medemens. Waarom is de huidige mens zo eenzaam. Omdat die spelletjes en alle nieuwe dingen in het leven allemaal zonder uitzondering de lone-wolf in ons stimuleren, de solo-zeiler, de leider van de roedel. En terwijl we allemaal op ons eigen eilandje Friedrich Nietzsche zitten te wezen, kunnen we het toch niet laten om onze medemens aan te stoten en in jouw spelletje te betrekken. Net zoals ik nu jou ook uit je slaap, uit je soloziel, uit je éénheidsworst aan het trekken ben, omdat ik wil dat ik belangrijk ben voor jou, niet jij zelf, niet ….

Ja, je hebt gelijk, waar was ik? Oh ja, ik zat op de rand van mijn bed en William Shakespeare legde zijn knokige koude middelvinger op mijn knie. En fluisterde… Nee, niet mijn naam, en ook niet de zijne… Hij fluisterde… Ja, om de buren niet wakker te maken,denk ik, fluisterde…

‘Shall I compare thee to a ?” Ja, wat? “To be or not to be, that is…” Ja, klinkt al bekend, tweede woord, eerste letter graag…” Nee, sorry, William.. William, best wel een tongwriemelaar, maar is Willem zeggen? Ja? Willem, ik heb nooit iets van je gelezen. Nee, laat me even iets uitleggen. Nee! Ja, nee, ik heb nooit, stil nou effe.. Ik heb nooit iets van je gelezen omdat ik dacht dat je dood was. Ja, ik heb toch ook geen platen van Benny Neyman in mijn kast staan? En die leeft nog, hoor ik net. Nee… Nee Willem. Willem!  Nee, je hebt gelijk, van de doden niets dan goeds, maar die moeten dan wel dood blijven. Snap je? Ik hoef niks van je te lezen, want… Jij bent dood, jij ligt in je graf, je botten zijn vergaan en je ziel, als die al bestond, of bestaat, die is allang naar Nirvana, Walhalla, de hemel of naar een volgend leven overgegaan. Nee, ik geloof voor geen moment dat jij de ziel van Shakespeare bent. Nee, jij bent de herinnering aan Shakespeare, de meester en de hoogleraar en de pedante boekenliefhebber en de homoliefhebbende hetero-toneelliefhebber. En de literatuurgeschiedenis-hoogleraar en de … Zelfs Marianne die schoonmaakster is, maar zo trots is op het feit dat ze jou leest. Of gelezen heeft, want Shakespeare lees  je toch niet voor je plezier?! Toch niet meer?! Dat archaïsche taalgebruik, die vergeten, nooit meer hergebruikte woorden. Ja, dat onderwerp en het feit dat jij een van de pioniers en besten op dat gebied was. Maar zeg nou es eerlijk, jij bent toch ook Robert Johnson, jij bent toch ook maar Beethoven, Bach en wie er ook voor die dooie componisten kwamen. Dode-dichtersalmanak, dat is toch alleen maar een leuke vorm. Ga je me nou echt vertellen dat jij denkt dat de volgende dag iedereen het dan weer over je heeft, dat je dan ook en als nieuw, als pas ontdekt als zaadcel, als Eerste en Enige, als de Ware. De weg, de waarheid en het leven?

Nee, Willem, ik vind het leuk als je me komt bezoeken, maar niet ’s ochtends, en niet als jou. Maar in de vorm van, ingebed in het verhaal van een ander. Jouw solo is voorbij, het wordt tijd dat je je in de scenery gaat voegen. Dat je bestaat omdat je bestaan hebt, maar niet je aan me opdringt als een afgewezen jongetje die zijn liefdesobject gaat stalken na zijn dood, nadat zij al getrouwd, zwanger, en verder is gegaan. Jij bent die jongen van het verleden. Je zit er wel, je zit er nog, maar je moet wachten op je beurt. Ga maar even buiten spelen. Ga maar, het is veilig, nee, het is goed donker, je kunt best nog even…

Ooooooh…

Mag ik nou maffen?

Signalement

Signalement


– ‘Middag heermevrouw.’

  • Middag. Wat kan ik voor u betekenen?’
  • Eens kijken. Ja, dat stuk van u, daar, nee, daar… heel diep binnen, uitstralend op uw gehele presentatie. Dat wil ik.’
  • ‘Welk stuk? Ik heb het allemaal. Ik kan het u helemaal maken. Maar wat?’
  • ‘Toe, maak me gek. Gelijkenis Geluk. Met een strikje, graag. En om mee te nemen,als het effe kan.’
  • ‘Wat verstaat u onder gek? Gekmakend, gekstaand, horendol, hondsdol, jeuktalseengek, ruiktgek, denkjesomsdatikgekben? Ik heb het allemaal en helemaal compleet.’
  • ‘Mmm, doe maar een leuk mixje. En maak me oud en wijs met een toefje Hollandse nuchterheid. Niet teveel! Ho! Er mag wel weer wat uit, hoor. Zo ja.’
  • ‘Anders nog iets, mevrouwmeneer?’
  • Effetjes piekeren: doe nog maar een onsje oud-bruin, een halve liter met een bodempje en een hansworst.’
  • ‘We hebben wel eenheids, geen hans, mag dat ook?’
  • ‘Als het dan zo nodig moet. Maar laat het niet meer voorkomen. Anders kom ik niet meer.’
  • ‘Welke verzekering mag ik trouwens noteren? CZ, VGZ, een alternatieve?
  • ‘Neem maar contact op met mijn woordvoerder. Die heeft alle details op een rij. Beetje saaie vent. Maar ach. Heb je met Scheppers. Moet je ze gunnen.  Hier heeft zijn nummer: 7777777777. Wel geheim houden, hoor Niet op Facebook zetten dus.’
  • ‘Wilt u nog een tasje? Of een rugzakje.’
  • ‘Ach, toe maar, doe maar een rugzakje. Je kunt nooit genoeg rugzakken hebben in het leven. Doe die linker maar, daar op uw eigen rug. Met die rechte streep en dat lijntje overdwars. En dat boer-met-kiespijn-masker. Tegen wispelturigheid, is het niet? Mooi masker voor deze keer.’
  • ‘Anders nog iets?’
  • ‘Nee, volgens mij ben ik nu wel klaar. Maak mijn moeder nu maar wakker. Het is wel tijd, zo langzamerhand.’
  • ‘Klant is koning. En daar hebben we de eerste wee… En de tweede. En de derde. En daar gaan we! Oh, zag je die? Wat een mooie!’  (…) Goal!’

Geld

Een worsteling

– ‘Je geld of je leven.’

– ‘Ik heb geen geld.’

  • ‘Je leven dan.’
  • ‘Ik wil ook niet dood.’
  • ‘Nee, je begrijpt me verkeerd. Je geld of je leven. Je dood brengt niks op.’
  • ‘Wat wil je met mijn leven? Dat is toch ook niks waard. Voor jou, bedoel ik. En zonder ga ik dood.’
  • ‘Ja, ik weet het. Het is moeilijk te begrijpen. Maar ik voel aan je protest dat je leven je wat waard is. Dus wil ik het hebben.’
  • ‘Ik zal het duur verkopen.’
  • ‘Dan doe dat geld maar.’
  • Nééééé’!

(een worsteling later)

  • ‘Je geld of je leven!’
  • ‘Mijn geld ìs mijn leven! Maar… je bent toch machteloos. Ik heb nog altijd de macht.’
  • ‘Geef die dan ook maar.’
  • Ik voorspel je, je krijgt er nog spijt van!’
  • ‘Laat dat dan maar. Voorspel de koersen maar. Geef! En neem de kuierlatten.’
  • ‘Mag ik die hebben? Oh, dank je! Dank je wel!’

De katers van vroeger

De katers van vroeger

En de volgende ochtend werd hij wakker, terwijl de vorige avond pijnlijk zijn weer slapend verstand binnendrong.

Hij had gedronken. Gedronken en niets gegeten, terwijl hij onmachtig zich te verzetten het ene na het andere flesje Gulpener voor zich liet zetten en uit pure vriendelijkheid en een lichte angst zijn vrienden teleur te stellen ook dat flesje maar weer achterover sloeg. Gedronken, dronken geworden. Niets gegeten en hoe hij thuis gekomen, mocht Joost weten. Die hem had ingestopt en toen weer terug naar de vrienden in de bruine kroeg was gegaan. Om verder te vieren dat de stadsdichter in het ambt was gezet en hen een (goeie!) reden had gegeven om het weer op een zuipen te zetten.

Natuurlijk, het was enorm gezellig geweest en hij had er ook zeker iets aan gehad. Het opperhoofd had op een gegeven moment zijn kop bij de zijne gestoken en hem een belangrijke levensles gegeven, waar hij zelf gedurende jaren van wanhoop en eenzaamheid in het nachtleven van Tilburg het nodige aan had gehad. En waarvan hij nu verder mocht genieten, tot het tijd zou zijn geworden dat hij die op zijn beurt in een van zijn eigen verhalen zou verwerken. Of, bij gebrek aan een staketsel voor die wijsheid of een verhaalstructuur, gewoon de kop bij een eigen protegé zou steken en hem in diens kop stampte.

Wat de levensles was geweest? Of, beter, wat ie ook weer precies was, kon hij niet meer exact achterhalen. En ach, misschien had die levensles ook wel de nodige slijtage en overdrijving gekregen voor ze in zijn oor werd gefluisterd. Want, gelijk een bijbelverhaal, was die waarschijnlijk van generatie op generatie, of beter: van oor tot oor, door gebrabbeld, misverstaan, mis geïnterpreteerd en overdreven en gekleineerd en met een oog op het verkeerde detail doorverteld. Zoals die toneeltruc bewees, waarbij je in een kring stond en een zinnetje in je rechter-partners oor fluisterde, die hem dan weer doorgaf en zo door. Waarna die, als die weer bij je terugkwam nauwelijks meer klonk als de zin waarmee het begon.

Don’t worry and be happy. Daar kwam het volgens hem op neer. Of niet?

Maar goed, de feedback van de boodschap werd ook verstoord door de diepe slaap en wilde dromen die hij onderweg naar die ochtend had gekregen. En door de dubbele bodem. En natuurlijk de dubbele tong die ze gaandeweg allebei hadden gekregen, waardoor het moeilijk was feit van fictie te scheiden. Wat sowieso al moeilijk was, omdat het barstte in zijn vriendenkring en in hun hoofden van de fictie-schrijverij; in zijn eigen hoofd niet minder. Lieg de waarheid, zoals hij Jeroen Krabbé ooit had horen zeggen als Gerard Réve in de Vierde Man. De film, niet het boek. Dat had hij nooit gelezen, net zo min als de andere romans van die Grote-Drieschrijver. Die zei katholiek te zijn, maar waarvan, deels omdat ie dood was, niet viel na te gaan of ie dat werkelijk was geweest of dat hij dat zei om boeken te verkopen.

Moest hij toch eens doen, al die schrijvers lezen. De grote èn op de kleine gaan letten. Maar dat waren er zo veel, waar moest hij beginnen en hij was eigenlijk allang niet meer zo’n lezer. Nee, dat had u goed gelezen; geen lezer. Hij wás een schrijver, maar zelf kon hij zich nauwelijks meer op een boek concentreren. Vreemde paradox. Moest hij maar eens een verhaal over schrijven.

Lezen, ach. Zoals een andere grote schrijver in een, zeker best leuke, film ooit zei: ‘Schrijvers schrijven, opdat lezers kunnen lezen. En andersom natuurlijk. ‘ Best handig, zo’n uitspraak, hoefde hij in principe ook nooit meer iets te lezen. Kon hij gewoon lekker doorgaan met alleen maar schrijven.

Iets anders. Hij was eigenlijk ook niet meer zo’n drinker. En hij had zich tegenwoordig best goed in de hand. Nam meestal pas om 22.00 uur een biertje. Eén pijpje pils. En daar kon hij zich dan meestal uitstekend bij in zijn bed neerleggen. En dan sliep hij als een prins.

Gisteravond was echter een avond geweest waarvan hij hoopte dat er  nog velen zou volgen. Niet dat hij het zo leuk vond dat Joost hem naakt had gezien, ingestopt in bed. Of dat hij zich het naar huis gebracht worden eigenlijk niet meer herinnerde. Maar die vriendschap, die vertrouwelijkheid, die broederschap, gelijkheid, die samensmelting, begeleid door een niet beperkte hoeveelheid lekkere pilssmaak. Nee, dat smaakte op zich naar meer. Het leek alsof hij wakker was geworden na een hele tijd te hebben geslaapwandeld in zijn leven.

Maar dit was andere koek.

Hij werd dus wakker. Niet zozeer van dat beeld dat zich zo scherp stelde in zijn brein. Hij werd wakker van een geluid. Hij werd wakker van gemiauw.

Niet het gejank van zijn poes, die genoeg had van de eenzame nacht en al een tijdje ongeduldig had gewacht tot zijn ademhaling sneller werd en hij dus wakker. Nee, het klonk meerstemmig. En waar kwam het vandaan? Niet uit de kamer. Niet uit de keuken. Niet van buiten en verder zou hij het ook niet meer weten.

Het kwam van binnen moest hij constateren toen hij iets te snel opstond en wankelend op zijn benen in de slaapkamer stond. Zijn Maagkater gaf al meteen over en draaide woest in zijn lijf. Vervolgens begon de Zeurkater in zijn achterhoofd en wekte de Hoofdkater die luid piepte alsof iemand hem op de staart trapte. Maar hij vluchtte niet ver, want onmiddellijk begon hij de kamer te schommelen en werd het zwart en dan weer flikkerend voor zijn ogen.

En de katers jankten.

En ze bonkten.

En ze maakten een hels kabaal, dat nochtans niet leidde tot het wakker worden van de hele straat, van heel Tilburg. Slechts van hem. Hij kreunde. Niet slechts van pijn, maar vooral van het besef dat dit zijn eigen schuld was. Dat hij ze zelf had binnengelaten. Maar waar kwamen ze vandaan? Hij kende ze niet. Had ze nooit zien lopen in zijn straat, in zijn buurt en hij kon zich ook niet herinneren dat hij de afgelopen tijd een nieuw nest had aangeschaft.

Waar was de poes eigenlijk? Hij wankelde naar de keuken en moest onmiddellijk zijn darmen legen op de wc, die hij maar ternauwernood haalde. En de geur deed zijn Maagkater weer de kont draaien voor zijn ogen. De Hoofdkater zat op zijn hoofd, waardoor hij voortdurend de neiging had om zijn kop omlaag te neigen, wat de Maagkater nogal aanjoeg.

Hij zette koffie en draaide het elektrische fornuis op aan. Hij bakte, op aanwijzingen van het opperhoofd, die hij zich ongeveer herinnerde, een ei en verorberde dat al staande in zijn keukentje. Daarna voelde hij de katers een voor een van zich afglijden en liep hij met zijn koffie terug naar de woonkamer. Een hels gekrijs op het plaatsje kon hem daar niet vanaf brengen. Tot hij vijf minuten na de laatste slok koffie toch maar eens op zoek wilde gaan naar zijn poes. Die op dat moment binnen strompelde. De staart en het achterlijfje vervolgens omhoog stak, terwijl hij haar aaide en alles weer normaal leek te zijn. En sprak. Spràk, goed gearticuleerde, goed van de tongriem, snedig Nederlands tot hem:

‘Wil je dat nooit meer doen?’

‘Wat?’

‘Wil je dat nooit meer doen?’

Ja, nee, ik bedoel, wát nooit meer doen?’

‘Zo veel zuipen en zo laat thuiskomen met al je vroegere katers in ons huis.’

‘Waren dat…? Waren dat mijn vròegere katers dan?  Ik dacht toch echt dat ik ze net nog…’

‘Ja, omdat jij ze wakker hebt gezopen,, gisteravond.’

‘Ik?’

‘Ja, jij, je bent verantwoordelijk, hoor. En voor je eigen katers. Echt mazzel dat je me twee jaar geleden hebt laten steriliseren, trouwens. Anders waren het er misschien over een tijdje nog wel meer.’

‘Weet je dat dan nog?’

‘Ja, en ik weet ook dat die katers eindelijk eens konden maffen, nadat jij hun scheppers eindelijk onder controle, met mate had. Dat ene biertje normaal ’s avonds, dat is normaal. Maar vijfentwintig pijpjes, zoals gisteravond?! Zulk gedrag maakt elke kater nog wakker.’

‘Maar wat moet ik nou dan? ‘

‘Dat eitje van net, daar zijn ze van gaan slapen. Maar je moet nu heel stil zijn. Anders komen ze terug. En je bent dan binnenkort, eind van de volgende maand, wel jarig, maar dat ben je nog lang niet als je je niet weer een beetje in de hand krijgt. Okee? Hand erop?

Okee, en nou mag je wel effe een uiltje knappen en mijn arme gebutste aarsje likken op het goed te maken.’

‘Zeg, ben jij nou helemaal! (…) Nou, rustig maar, hoor. Mijn katers. Kom maar hier. Met dat lekkere kontje van je….’

Het stenen tijdperk

Het Stenen Tijdperk

Lang, lang geleden, ergens in de toekomstige tijd leefde er een vreedzaam, gewetensvol volk op aarde dat, om niemand en niets te kwetsen van levenloos voedsel leefde. Men at rots, men at steen, vulde de maag met modder en leste de dorst met water uit de lucht en van wat er na een regenbui in de modder en het landschap bleef staan. En men was tevreden en zelfs soms gelukkig. Niet iedereen was even gelukkig, niet altijd tenminste. Dan waren er bijvoorbeeld weer een paar avontuurlijke types, die regenbogen afgingen met potten om de voordelen ervan te verzamelen. Er waren er ook – deze mensen aten meestal gewoon zand – die de deuren langs gingen om lood, om oud ijzer. Wolven, zo noemde men de kanniballistische figuren die de zwaartekracht testten en op jacht gingen om getrouwde Roodkapjes en De Jagers te overvallen om hun zware stenen. Maar veel geluk hadden die lui meestal niet. Een sprookje, zo werd het genoemd als je dacht van verzinsels en unhappy endings te kunnen leven.

Maar zij waren, helaas niet alleen op de planeet. Er waren ook andere wezens, die andere dingen dachten en dachten te kunnen eten. De ergsten waren de vegetariërs, waaronder sommige judassen en overlopers van de kant van de mensen. Die vraten, je hield het niet voor mogelijk, groenten, kruiden en fruit! Wezens die zich niet konden verweren, die niet konden schreeuwen van pijn, die niet konden gebaren dat ze dit gedrag niet leuk vonden, die niet de straat op konden om te demonstreren of petities met handtekeningen verzamelen. Ze konden zelfs niet debatteren met de planten-eters, want daar had je een tong voor nodig.

Daarnaast was er de domme rest, die vlees at, elkaar opat en daardoor al snel zorgde dat er bijna geen levende wezens meer overbleven op de planeet. Maar daar kon je niet lang boos op blijven, die wisten gewoon niet beter. Nee, dan de mensen, ik bedoel de übermenschen waar ik dit verhaal mee begon.

Ach, wat is het Stenen Tijdperk toch een interessante tijd.

Maar al dat aanmodderen had ook een wrede kant. Tenminste, dat zou je nu zeggen, nu we beter weten. U weet het misschien niet, maar deze planeet is zelf ook een levend wezen. En dat wezen, ze heette Aarde in de volksmond, was op zich niet zo heel blij met alle drie de levensvormen. Een beetje vergelijkbaar als de hond of de kat, die meestal ook niet zo blij is met de vlooien in haar huid en de vliegen om haar hoofd. Dat sommige van die vlooien elkaar opaten, dat was tot daar aan toe, maar dat ze hun bord niet wilden leegeten dat de Aarde haar vlooien voortzette, dat kon niet langer zo.

Op een dag besloot ze dat ze haar dak dan maar openzette, hopend op een goede bui die de bewoners wakker zou schudden en tegelijk zou doen beseffen wat ze misten. En ach, als ze het dan toch niet in de kop wilden krijgen, ja, dan ging ze maar gewoon voor altijd op reis door het heelal, om nooit meer ergens aan te komen, of zelfs een tijdje te blijven. Ze was, in diepste zin, eigenlijk best wel een rusteloos wezen, dat zichzelf ook nodig weer eens uit moest laten.

Het duurde dan ook niet lang, met dat dak open en het lot op de loer tot er een grote steen het dakraam binnen kwam vliegen en het stof deed op warrelen. Lucht was het eerste wat er verdween. De mensen hapten naar adem, maar vonden die niet. Daarna de vleeseters en toen tenslotte ook de planten-eters met het groen uitstierf, was het gedaan met de onnodige domheid en wreedheid.

En zo, vijfenzestig miljoen jaar later, mochten wij hun plaats innemen, die we voorlopig niet af hoeven te staan van Mama. Want wij, u hoort het elke dag, lieve kinderen, wij flierefluiters leven van de wind. En zo was het ook bedoeld. Toen al en nu nog.

Ach, geluk, je hoeft er echt niet veel voor te doen.

Knoop dat in uw oren en adem maar eens uit.

Aaaaah!

Huiswerk: zoek uit of er aliens zijn, jeweetwel, de wezens die wèl onzin en bullshit eten, en schrijf uit op één A-viertje waarom ze nooit de aarde zullen bereiken. Morgen inleveren èn een overhoring.

Uitgeput

Uitgeput

En toen, na een lange reis door parallelle universa van zichzelf: Vooroordeel, door Verzet, door Angst door Depressie door Acceptatie en Polarisatie en andere poorten naar het opvolgend eerste stapje, kwam Moordkuil, met een VIP-pasje van het podium, gitaar om de nek en met een lichtgeraakte stemming naar de deur naar Backstage. Er stond een zacht, vriendelijk, oud, breek- en kwetsbaar manwijfje voor en versperde hem de toegang:

  • ‘Ho! Wat is het wachtwoord?’
  • ‘God, nee, niet alweer. Welke wil je hebben: Konijnehol, Hollebollegijs, Balkend-endeëzel, Lecterleer, Froidvrieskast, Ikgeefmeover, Maaraandeanderekantishetookweerzodat. Ik word er zo moe van. Ik wil gewoon door en meteen naar bed. Veertig jaar spelen gaat je niet in de kouwe kleren zitten, weet je?’
  • ‘Ik weet het. Vermoeiend.’
  • ‘Je hebt echt geen idee.’
  • ‘Heb ik ook niet. Laat ik aan mensen als jullie over. Ik ben slechts Liefde.’
  • Okee, liefde, wat moet ik doen?
  • ‘Het wachtwoord.’
  • ‘Ik weet het echt niet! Niemand heeft me gebrieft! Laat nou maar zitten dat wachtwoord. Ik doe alles wat je wilt, maar ik moet naar bed!’
  • ‘Wat zou je er voor over hebben dan?’
  • ‘Moet ik je pijpen, je beffen, je voeten kussen, je reet uitlikken, snoep voor je kopen, de marathon in een minuut tien lopen, zeg het maar, ik kan alles. Maar schiet wel effe op. Zucht, ik word er weer depressief van en autistisch voor gevorderden.’
  • ‘Da’s niet genoeg. Nee wacht, niet beginnen, ik zal je even een hint geven.’
  • ‘Ik neem nooit iets aan van vreemden. Van mijn moeder geleerd en je moet ergens bij blijven, anders blijf je nergens. ‘
  • ‘Zit misschien een liedje in. Nee, niet beginnen! Luister eerst maar es naar mij!
  • ‘Goed, ik luister, maar niet vals zingen, he. Anders ben ik weg.’
  • ‘Wat zou dat? Je kunt niet meer terug.’
  • ‘Wie houdt me tegen? He?! Wie? Kom maar op!’
  • ‘Zie je wel, ben je weer terug in Verzet en weet je dat wachtwoord nog. Ik geef je een hint. Het is precies hetzelfde woord als het woord dat ik van je wil horen nu. Nou? Weet je het nog?
  • ‘Nee. En al zou ik het weten…’
  • ‘Nou, wat dan?’
  • ‘Niet zo schreeuwen, ik word nog bang van je. Jaaaha! Jij noemde jezelf Liefde. Ik noem dat geen liefde…’
  • ‘Zeg es, wie zegt dat ik dat zelf liefde noem? Maar soms moet ik me gewoon anders voordoen. En als jij niet door de deur gaat, heb ik mijn werk niet gedaan. Zeg eens, wat wil je later worden?’
  • ‘Dat ben ik al. Zie je toch? Ja, dat publiek. Ja, dat loopt weg. Ja, maar dat is een kwestie van een betere sound.’
  • ‘Dan haal je er toch een?’
  • ‘Dat kost geld en dat heb ik niet.’
  • ‘Dan haal je je geld ergens anders vandaan.’
  • ‘Een baan zeker, in een fabriek, want ik ben overgeschoold of op een atletiekbaan bij het GGZ? Maakt niet uit hoor, want ik kom er beiden terecht, gek gemaakt en ingeblikt. En dan heb ik nog geen nieuwe sound.’
  • ‘Hoor je mij dat zeggen? Er zijn toch alternatieven? Wat nou als ik dat gewoon in de groep gooi en dan kopen wij daarvoor een nieuwe sound. Maar dan wil ik daarna wel iets anders van je horen. Geen klaagzangen meer, geen gedreun op een melodie dat je het zo slecht getroffen hebt en zeker geen levensmuziek.’
  • ‘Echt niet? Nou, nee, echt niet. Nee, sorry, maar dat kan ik niet aannemen. Dat heb ik niet verdiend.’
  • ‘Dan sta je hier nog heel lang. Echt jammer hoor, je was zo dichtbij. Nee, die poort blijft gesloten. Je moet hem zèlf openmaken. Kom, nog een kansje, zeg het wachtwoord.’
  • ‘Sesam?’
  • ‘Had gekund. Maar nee. Nee, denk aan wat ik zei en wat je zelf zei. Nou? Hoe spreekt ie dan?’
  • ‘(onverstaanbaar, maar goed).
  • ‘Wat zei je?’
  • (onleesbaar, maar goed)
  • ‘Bijna goed. Nog een beetje.”
  • ‘(onbeschrijfelijk, maar goed)
  • ‘Eèèènnnn …. nog een klein beetje meer open:…’
  • ‘Man, ik ben het zat, ik wil wel, maar ik kan niet. Sorry, nee, dank je maar…’
  • ‘Dat laatste was fout. Maar dat middenstuk, ja dat?’
  • ‘Wat zei ik dan?’
  • Weet je dat niet dan?’
  • ‘Weet ik veel, zeker weer vergeten, zoals zoveel in het leven. Oh, mag ik echt geen klein stukje levensmuziek? Aaah!’
  • ‘Nee, geen cliché’s, alles moet als nieuw klinken. Jij wou toch een nieuwe sound?’
  • ‘Ja, maar als niks herkenbaar is, kom je ook niet door de deur. ‘
  • ‘Dus moet je iets hebben wat voor de hand ligt en wat de mensen tegelijk niet verwachten. Wat ze raakt, wat ze omver gooit en tegelijk rechtop doet zitten. Toe dan, je zegt het al bijna na elk liedje…’
  • ‘Nee, sorry, ik geef het op. Ik ben zo moe. Uitgeput.’
  • ‘Mooi zo. ‘
  • ‘Was dat het wachtwoord? Eindelijk! Mag ik door.’
  • ‘Nee, nog niet. Dat was het niet, maar je kwam in de buurt. Heel dichtbij. Nee, uitgeput, ontleed dat woord eens en zet het dan weer in elkaar. Ik help je: je zat er in en bent er nu uit.’
  • ‘Uit-ge-put. Ja, je hebt gelijk. Maar hoe brengt me dat nu verder?’
  • ‘Doet het niet, maar het is een mooie woordspeling.’
  • ‘Jij wordt hartelijk bedankt!’
  • ‘En nu zonder het sarcasme…’
  • ‘Bedankt..?’
  • ‘Eèènnnnn, ja hoor, daar is ie, dames en heren! En wat heeft Moordkuil precies gewonnen?! Hij mag door! Hij mag naar bed! En slapen en uitslapen en nog eens uitslapen! Het is af! Het is klaar! En morgen gezond, maar niet meer op! Jezus, is dat niet heerlijk, nooit meer Opstaan?!’
  • ‘Dank u, heer.’
  • ‘Zeg maar liefde, hoor en….. niets te danken.’
  • Hou die gedachte vast…en laat het los…!’

Wil tot ontplooiing

Ik had het ’n beetje gehad met het daten van Hollandse dames, ik zocht een vluchtroute. Een stok tussen de wielen van mijn maandelijkse date-routine. Duitsland zou het worden: verandering van spijs doet verorberen. Ik besloot me aan te melden bij de grootste gratis datingsite van onze oosterburen, onder de naam ‘Hans Theodoor’, mijn doopnamen.

Uit financieel en praktisch oogpunt besloot ik als woonplaats ‘Mönchengladbach’ op te geven. Mocht het tot een lijfelijke ontmoeting komen, dan zou ik daar kunnen afspreken, wat aangaande het vervoer minder ribben uit mijn lijf zou kosten dan rendez-vous in pakweg Frankfurt an der Oder, Stralsund of Görlitz. Een tochtje vanuit mijn woonplaats – de ‘metropool’ Weert – richting Mönchengladbach, was uitstekend te doen.

Reeds na drie dagen meldde zich een serieuze kandidate in mijn inbox. Het bleek ene Claudia uit Wickrath, een gehucht onder de rook van de Duitse stad waar ik zogenaamd domicilie hield. Ze bleek drie jaar ouder dan ik (achtendertig om vijfendertig jaar), wat op zich geen probleem was voor mij, jonge meiden van een jaar of twintig zijn wellicht makkelijker te krijgen, maar ook moeilijker te houden. Ik vond het best, haar relatief rijpe leeftijd.

Het Hauptbahnhof van Mönchengladbach gaf een aardige aanblik in het zachte voorjaarslicht. De zon kleurde mijn gemoed en gaf het bosje bloemen dat ik uit Holland had meegenomen, een nóg fraaiere glans. Om klokslag 13.00 uur ontwaarde ik haar in de krioelende menigte. Ze herkende mij direct. Een nog wat onwennige kusprocedure volgde, waarbij ik haar mijn boeketje overhandigde en zij een (gemeende of gemaakte) glimlach op haar gezicht toverde.

Ze zag er alleraardigst uit. Een strakke, zwarte maillot toonde twee gespierde damesbenen. Daarboven een blauwe spijkerrok en een dun, beige truitje. Haar voeten zag ik niet, die waren gestoken in bruine, suède laarzen tot net onder de knie. Al bij al een tamelijk vlot voorkomen.

We besloten een romantische wandeling te gaan maken in haar woonoord Wickrath. Dat wil zeggen, we besloten een wandeling te gaan maken, of hij romantisch zou zijn, dat moest nog blijken natuurlijk. Ze had enkele dagen voorafgaand aan onze afspraak, aan mij voorgesteld het park van het plaatselijke slot te bezoeken, blijkbaar de trots en glorie van ’t petieterige plaatsje. Ik vond het best. Hoewel ik bij kastelen dikwijls zoiets heb van: heb je er één gezien, heb je ze gelijk allemaal aanschouwd.

Dat bleek reuze mee te vallen. Het barokke gebouwencomplex, uitgevoerd in een warme zalmtint, lag er schilderachtig bij tussen het ontluikende voorjaarslommer. Zoiets had ik nog niet eerder mogen aanschouwen, een chateau, uitgevoerd in zalm. Snel nam ik wat foto’s met mijn uit Holland meegesjouwde spiegelreflexcamera. Mocht mijn date op niets uitlopen, dan had ik in ieder geval een fraaie serie prenten om later te bewerken. U moet weten, ik ben een succesvol hobbyfotograaf, mijn opnamen stonden reeds in verscheidene magazines.

Claudia stak een sigaret op. Dat was nieuw voor mij, het feit dat ze rookte, op de website had ze duidelijk aangegeven een ‘Nichtraucher’ te zijn. Het is een niet onbelangrijke kwestie voor mij, aangezien ik sinds jaar en dag geplaagd word door een behoorlijk hardnekkige vorm van astma, geen kattepis, kan ik u verzekeren. Derhalve vroeg ik haar (op een uiterst beschaafde manier, met een volledig neutrale intonatie) waarom ze mij verzwegen had dat ze rookte. De felheid van haar respons verbaasde mij. Ze reageerde als door een wesp gestoken. Ik kreeg een uitgebreid betoog voor mijn kiezen. Dat het mijn zaak niet was of ze rookte of niet. Wat het mij kon schelen dat ze haar longen zo zwart als teer pafte. Dat ik me beter met mijn eigen gewoontes kon bezighouden, en dat het volgens haar uiterst ongepast was op date numero uno, over een futiliteit als het roken van een onschuldig sigaretje te beginnen.

Een kort moment was ik met stomheid geslagen. Ik bespeurde echter veel verdriet achter haar boosheid, zodat ik mijn aanvankelijke gepikeerdheid, nobel aan de kant schoof. Ik stelde haar de vraag of ze weleens geprobeerd had te stoppen met roken, en hoe haar dat was afgegaan. Toen kwam de aap uit de mouw. Een opmerkelijke junglebewoner: ze vertelde me dat ze ruim twee jaar nicotinevrij was geweest, totdat ze één dag voor ons afspraakje er weer drie had opgestoken, vanwege de spanning om onze ontmoeting. Ze vreesde dat het hek nu van de dam was. Een terechte angst, wist ik als ex-alcoholverslaafde.

Ik sloeg een arm om haar heen. Wellicht net iets teveel affectie voor de gelegenheid, immers, ik was de oorzaak van het feit dat ze weer haar vermaledijde ‘softdrugs’ tot zich had genomen. ‘Liebling, ich bin da für dich.’ Reeds terwijl ik ze sprak, walgde ik van mijn eigen hypocriete woorden, die slechts één ding tot doel hadden: haar die nacht in bed krijgen. Van een serieuze relatie, wist ik toen reeds, zou nooit ofte nimmer sprake kunnen zijn.

Een donker wolkenveld van melancholie trok over mijn zielsconstructie, pardoes verworden tot een uiterst labiel bouwwerk, niet de stevige vesting waarvoor ik haar hield. Ik voelde een depressie, waartegen ik nochtans medicijnen slikte, opkomen. Daar had ik niet op gerekend, deze op het oog onschuldige voorjaarsdag. Intuïtief nam ik mijn camera ter hand en besloot het schoeisel van Claudia te fotograferen. Haar verfijnde, suède laarsjes met de kittige bontkraagjes. Leuke stillevens om later, tijdens het nabewerken, artistieke kunstwerkjes van te maken. Ze vroeg mij met een doorbrekende lach op haar gezicht, waarom ik zo stupide was uitgerekend haar laarzen op de gevoelige plaat te zetten. In plaats van haar te antwoorden, zoemde ik in op haar groene irissen, die mij dromerig onzeker aanstaarden. Plots voelde ik de onweerstaanbare drang, mijn camera neer te leggen en haar te kussen. Dit deed ik, ongeacht de gevolgen. Die waren draaglijk: ik versmolt met haar. De nicotinelucht die uit haar mond kwam probeerde ik te negeren, iets wat mij wonderwel lukte. Haar tong bezat kwaliteiten die de negatieve aspecten naar de achtergrond wisten te verdrijven. Toch slonk mijn penis in mijn broek. Ik zat middenin een persoonlijke crisis, zoveel was mij duidelijk…

Wat sta ik hier te tongen, in een vreemde stad in het buitenland, met een vrouw die ik nauwelijks ken en waarvan ik nooit houden zal, schoot er door me heen. Verwerd ik plots tot een kleinburgerlijk moraalmannetje? Nee, dat was het niet. Au fond had ik niets tegen de routine van mijn losse sekscontacten, die met lelijke hanenpoten in mijn agenda stonden genoteerd. Het was niet het morele aspect dat mij dwars zat. Het ging om het mistroostige karakter van mijn seksondernemingen: ik liet ergens in een vreemd huis in een vreemde stad, een kwakje achter bij een vrouw die beter verdiende. Namelijk een vent die wezenlijk om haar gaf. Die haar oprecht liefhad om haar plus- én minpunten: om haar sores, haar verdriet, haar schijnbaar onbetekenende, maar dierbaar gekoesterde, kleine gelukzaligheidjes… haar make-up-loze zondagochtendgezicht. Niet een zakkenwasser zoals ik, die slechts zijn balzak achterna loopt, ten bate van zijn spermaproductie.

Wat voelde ik mij plots een schlemiel. De depressie die zich eerder reeds had aangekondigd, was nu totaal. Ik excuseerde mij bij mijn afspraakje, haar achterlatend in totale verbouwereerdheid, en sprintte linea recta naar het stationnetje van Wickrath, om mij van daaruit naar het tien kilometer noordelijker gelegen CS van Mönchengladbach te laten vervoeren. Ik had geluk met de aansluiting, de trein naar Venlo liet niet lang op zich wachten. Als ik mazzel had was ik voor etenstijd thuis. Ik had nog wat rode kool in de diepvries zitten; lekker, met appeltjes en hachee.

De opluchting had zich van mij meester gemaakt, dat ik op z’n minst in mijn hoofd de beslissing had genomen, een streep te zetten onder een levenspatroon dat een kerel wiens leeftijd langzaam maar gestaag richting de veertig jaar kruipt, niet meer past. Een existentie vol ‘geluksbelevingen van enkele seconden’. Nu moest de inhoud van mijn broek nog gaan uitvoeren wat mijn hersenen zich hadden voorgenomen: geen eenvoudige klus.

In de trein nam ik plaats tegenover een dame die ik schatte, ergens diep in de tachtig. Ze las een boek van een Duitse auteur van wie de naam geen belletje bij mij deed rinkelen: Wolfram Gutenstein, Wille zur Entfaltung. De wil tot ontplooiing: wat een geniale titel! En een op een van toepassing op mijn leven. Dat boek moest ik hebben, koste wat kost! Het zou weleens het geheim, de sleutel, tot het leiden van een harmonieuzer bestaan kunnen bevatten.

‘Ein gutes Buch?’ De vrouw liet haar leesvoer enkele centimeters zakken, nam mij vanachter een strenge leesbril geringschattend op, en antwoordde: ‘Sehr. Übrigens, Sie stören mich’, waarna ze stoïcijns verder las alsof ik niet bestond.

Misschien was dat wel zo. Mogelijkerwijs bestond ik niet, moest mijn leven als een futiliteit beschouwd worden; als een ‘rakelings scheren langs een afgrond’, zonder uitgesproken doel of plan.

Aan mij de taak mijn bestaan substantie te gaan geven, in de toekomst.

Weerzien

Onverwachts en ongeduldig klopte hij vanochtend aan mijn deur. Terwijl ik de slaap uit mijn ogen wreef, haalde ik de deur van het slot. Ik liet hem binnen en bood hem een plaats op de sofa. Zelf pakte ik een stoel.
Hij was weinig veranderd. Het kleine aandoenlijke groene monstertje sprong op de bank. Hij had grote ogen, alsof hij continue van alles schrok wat hij zag. Als je goed keek las je ontzetting in zijn ogen. Pijn, verdriet, frustratie lagen allemaal vrijwel aan de oppervlakte. Door zijn ronde lijfje leek hij net een balletje en daar onder 2 voetjes met hele lange tenen.

“Wil je koffie, Pablo?” Zonder op zijn antwoord te wachten, liep ik al naar de keuken. Pablo stak ondertussen zijn verhaal af. Verontwaardigd en vol zelfmedelijden. Ik luisterde naar hem, knikte af en toe. Maakte instemmende geluiden: “hmm-mm!” Ik schonk hem mijn meest begripvolle glimlach. Niet te overdreven natuurlijk. Hij moest niet het idee krijgen dat ie uitgelachen werd. Dat zou zijn wanhoop en gevoel voor drama alleen maar erger maken.

De behoefte hem uit te lachen voelde ik ook bij lange na niet. Hoe lang was het geweest? Een jaar of 8? Of waren er intussen al 10 jaar verstreken? Een lichte blijdschap maakte zich van mij meester. Alsof je een goede vriend terugziet, waarvan je dacht dat het contact nooit meer hersteld zou worden. Had ik hem werkelijk gemist? Dat was een bizarre ontdekking.

Pablo was nooit een vriend geweest in mijn beleving. Hij was me tot last geweest. Hij had een mooie relatie verziekt met zijn wantrouwen en controledwang. Toch heette ik hem na al die tijd welkom in mijn huis. Liet ik hem honderduit vertellen. Liet ik hem met zijn lange, ietwat smerige tenen op mijn salontafel rusten. Toen ik hem een voetenbadje voorzette, een oude ovenschaal, slaakte hij een diepe zucht.

“Ik heb je gemist, Pablo.” Hij keek me verbaasd aan. “Ik meen het, Pablo. Het werd me duidelijk op het moment dat je aanklopte.” Zijn ogen werden nog groter, het normale theekopjes-formaat, leek nu wel de grote van soepkommetjes te worden. “Ik heb je 10 jaar geleden, gehaat, vervloekt, glashard afgewezen. In volle overtuiging dat dat de enige manier was om met je om te gaan. Daarna was je weg en dat was zo gek.”
Pablo trok één van zijn donkergroene wenkbrauwen op. Hij leek moeite te hebben me te geloven. “Jouw afwezigheid maakte dat ik besefte hoe hard ik je nodig heb. Titus en Nero komen hier langs met hun boosheid en verdriet. Door hen voel ik me kwetsbaar, klein en onbelangrijk. Maar er heerst ook een gevoel van onverschilligheid. Het interesseert me niet genoeg.”

“Wat bedoel je dan?” Wilde Pablo weten, terwijl hij zijn schone tenen op een handdoekje zette. “Ik bedoel dat nu ik jou zie, dat ik weet dat het me weer interesseert. Dat ik een sprankje hoop voel. Een uitweg zie uit de allesoverheersende onverschilligheid. Ik heb je nodig om te weten dat ik om iemand geef, misschien wel van iemand kan houden. Ik heb je nodig om te weten dat iemand me voldoende interesseert, dat ik bang kan zijn die persoon aan een ander kwijt te raken.”
Pablo kreeg een voorzichtige glimlach op zijn gezicht. Het zag er griezelig, bijna krankzinnig uit. Een glimlachend groen monstertje, met grote ogen. De glimlach kwam echter uit een goed hart. “De vuiligheid en drama, daar kan ik wel zonder,” zeg ik met een knipoog. “Maar weet dat je welkom ben om terug te komen. Bedankt voor je bezoek, Pablo!” Het groene monstertje zwaaide met zijn knokige handjes toen hij langs het raam liep, de straat uit. Het leek zelfs even of hij een beetje begon te huppelen, voordat hij de hoek om ging.

Destiny

Nee, de colleges volgde ik eigenlijk maar zelden. Ze gingen me te vaak precies over wat we al als huiswerk moesten lezen en wat ik eigenlijk prima begreep. Soms, als ik worstelde met de leesopdrachten, dan ging ik. Om te proberen de leesstof te begrijpen. Maar de meeste colleges kwamen over als zinloze tijdverspilling. Niet verbazingwekkend begonnen mijn cijfers eronder te lijden en verliet ik een tijdje later de universiteit, om eigenlijk nooit meer het studeren op te pakken. Maar ondertussen had ik wel mooi het internet ontdekt.

Het internet, dat was inloggen op een reusachtige netwerkpc met een gepersonaliseerde floppy disk. Die je niet mocht verliezen. Je kreeg er aan het begin van het jaar een hele floppy disk draagmap bij om ‘m veilig te houden. Er pasten, met wat proppen, tot wel negen floppy disks in. Elk á een punt vier megabyte. Je kon daarop je documenten en een bescheiden aantal webpagina’s opslaan. Die je op je studentenkamer pc dan weer kon openen. Internet was niet vanzelfsprekend. En Internet ging, vanwege de netwerkbeheerder, via Netscape. Netscape vier punt zeven. Op Windows NT.

Het internet, dat was HTML en javascript en geanimeerde GIFjes leren maken. Websites op Geocities. En, heel voorzichtig want de beheerder logde alles en door je vermalijde gepersonaliseerde floppy disk, op jouw studentenaccount, spieden naar porno. Want je had wel het vermoeden dat het er was. Porno op het internet. Moest haast wel. Er was zo véél al te vinden, dat toch vast ook wel.

Er was geen Google. Er was een vroege versie van Yahoo en je had Altavista. Ilse was nog in ontwikkeling. Yahoo gaf je best gebruikersvriendelijke resultaten maar veel te weinig. Altavista was een puinhoop maar vond álles. Altavista werd het dus. En jawel, al snel vond ik mijn eerste porno.

Ze heette Destiny. Dat weet ik nog. De naam is al die jaren blijven hangen. Veel meer niet. Vraag me niet naar haar haarkleur. Vraag me niet hoe ze er precies uit zag. Een beetje girl next door-ig, geloof ik. Korrelige beeldkwaliteit, amateur fotografie. Vraag me niet wat ze allemaal op de foto’s deed. Het zal lichtjes pikant zijn geweest. Lievig. Toen al was ik eigenlijk, onder alle branie, gewoon een lieve jongen.

Ik rechtermuisklikte-opslaanalsde haar foto’s op de gepersonaliseerde diskette. Thuis had ik er dan plezier van. Ik had binnen mijn studentenkamer relatieve privacy: keuken, douche en toilet deelde ik maar met één ander, en die was vaak oprecht diep in de boeken verzonken op zijn eigen kamer.

Heel af en toe bekruipt me een nostalgisch gevoel. Dan probeer ik op Google of ik Destiny terug kan vinden. Ik zie glossy HD foto’s van allerlei topmodellen, in latex of lingerie. Met dikke lagen makeup en professionele belichting. En dan sluit ik vaak de laptopklep met een zucht. En ga ik een wandeling maken, buiten.

« Older posts Newer posts »

© 2026 KutBinnenlanders.nl

Theme by Anders Noren — Up ↑