KutBinnenlanders.nl

Tag: Proza (Page 3 of 13)

Totaal verknipt

Hoe oud was ik? Een jaar of zes, zeven misschien? Een zolderkamer in Den Haag. Daar zat ik op een klein kussentje, heel stil met mijn ogen dicht. Probeer alleen maar wit licht te zien! Er werd gesproken van God, maar die heette dan anders. Baba of zoiets.

 

Flasback of flashforward? Een nummertje onder je stoel geplakt. Bingo in de kinderkerk. De zomer dat er gebeden werd aan tafel en dat we liedjes zongen, knutselden en naar bijbelse verhalen luisterden.

Ik zal een jaar of elf zijn geweest, toen mijn moeder vrijwilligerswerk ging doen bij de Regenboogboom. Terminaal zieke kinderen opvrolijken, hun hoofdjes vullen met fantastische fantasieverhalen, liedjes zingen aan hun bed, kristallen verkopen op de spirituele beurs. Waar mijn moeder ging, ging ik ook… want het dorp waar we heen waren verhuisd, Bodegraven, daar had ik nog niet al teveel vrienden gemaakt. Te midden van al die volwassenen voelde ik me geaccepteerd voor het wijze jonge meisje dat ik was.

In een kringetje van stoelen zaten we daar. Mediteren. Soms kwamen er overleden mensen op bezoek, die traden dan in het lijf van één van de aanwezigen. Dat zag je doordat alle trekken in het gezicht en de uitstraling van die persoon veranderden. Die mensen wisten niet dat zij overleden waren. Er werd met hen gepraat en ze werden naar het licht gebracht. Dan werd het gezicht weer normaal. Mooie zondagmiddagen met de vrouwen het bos in, liedjes zingen. Sieraden maken voor verkoop op de beurs. Aan het hoofd van de organisatie een Engelsman die predikte wat Spirit hem doorgaf. Kritische reacties werden afgedaan als “het ego”, wat slechts belust was op een soort zelfverheerlijking. De man leed aan kanker, had een aanslag overleefd en hij altijd maar dat ie achterna werd gezeten. Tijdens onbewaakte ogenblikken voelde hij de vrijheid zijn seksuele gevoelens te uiten. Of dit nu naar een volwassen vrouw was, of een meisje van twaalf, dat maakte voor hem niet zoveel uit. En plein public zou hij in alle toonaarden ontkennen dat iets dergelijks gebeurde. Het waren mooie verzinsels van vrouwen die de wens hadden met hem seksueel actief te zijn.

Mijn moeder verliet de sekte toen ik dertien was. Mijn vader was van haar gescheiden en had ons gezin verlaten. Mijn moeder had de liefde gevonden bij een vrouw. De ervaring van de Regenboogboom hing nog even als een donkere wolk boven ons gezin, maar verdween uiteindelijk grotendeels uit beeld.

Rustig vaarwater. “Spiritueel” interesseerde me en beangstigde me tegelijkertijd. Ik had ervaren hoe je met energieën, de kracht van gedachten, mensen kon beïnvloeden. Hoe volledige afhankelijkheid gecreeërd werd. Daarvoor hoefde je niet persé dom te zijn, eerder kwetsbaar. De juiste woorden op het juiste moment te horen. Schuldgevoelens en loyaliteit naar de vrijwilligers en de  zieke kinderen hielden mensen gevangen en ze waren het zich niet bewust. Zoals mijn moeder het zich niet bewust was geweest. Hoe kun je je tegen zoiets wapenen?
Als jong volwassene, vijfentwintig jaar, waagde ik me voorzichtig weer in spirituele richting. Onder de noemer van gesprekstherapieën, persoonlijke ontwikkeling, yoga. Mijn moeder en haar vrouw hadden iemand gevonden die hen goed hielp om het verleden te verwerken. Voor mij zou dat ook wel wat zijn! Wat volgde waren dure sessies met een therapeute die vanaf haar voetstuk vertelde hoe nederig zij was naar haar medemens. Alles wat in vertrouwen gezegd werd, bleef vertrouwelijk. Tot het moment dat zij bepaalde dat het in een yogales kon worden uitgesproken, of tijdens de therapie van een anders gezinslid tussen neus en lippen werd benoemd. Of ze maakte een grapje dat ronduit respectloos en denigrerend was naar een andere betrokkene toe.

Ik was met open ogen in de val gelopen. Hoe kon het dat ik het niet gezien had? Het voelde lange tijd zo prettig. De therapeute, de groep. Een warm bad van steun en toejuichingen was veranderd in een ijsklomp en angst dat ieder woord dat ik zou zeggen verkeerd werd opgepakt. Het duurde even, vier jaar ongeveer, voordat ik inzag dat deze behandeling mij niet hielp in mijn ontwikkeling. Vele euro’s lichter was ik vooral blij en opgelucht dat zíj besloot dat ze me niet meer verder kon behandelen.

 

Weer een sprong van vier jaar verder. Mijn vader, kaaskop in hart en nieren, is moslim geworden. Nadat ik hem eerst uit de klauwen van de Landmark-sekte wist te halen, houden, was ie nog even in de ban van “The Secret”. Nu bidt hij vijf keer per dag en is hardcore into Ramadan.

Mijn moeder, nog steeds samen met haar lieve vrouw, heeft zich laten dopen voor de Katholieke kerk.

Eerlijk gezegd weet ik niet goed wat ik deze geschiedenis moet denken. Ik heb daarom besloten dat ik als dertiger mijn eigen yellow-brick-road beter kan volgen. Gezien mijn voorbeelden ben ik wel benieuwd waar ik uiteindelijk uitkom.

Vertrekpunt van de wandeling is vastgesteld op: “Totaal verknipt” en “Van god los!”.

Overleven

Ook ik besef, achteraf, dat het dom was om te proberen met een paar kilo heroïne, de stadstaat Singapore binnen te komen.

Natuurlijk, ik wist van het fascistische beleid van het betreffende land, met betrekking tot opgepakte drugsdealers. Geen genade: een ‘legale staatsdood’ is de standaard repercussie. Geen appetijtelijk vooruitzicht. Aan de andere kant, had de Singaporese douane mij niet gepakt, ik zou nu als god op Hawaï leven, voor de rest van mijn leven financieel onafhankelijk.

De werkelijkheid was harder en gruwelijker. Toen ik vier maanden geleden op de luchthaven in mijn kraag werd gevat, wist ik meteen hoe laat het was: een uur ’s middags en het uur U. Het einde van mijn bestaan op aarde had ik zelf ingeluid, met mijn onbezonnen daad van jeugdige overmoed. Een schending van de meest basale rechten van de mens, men behoort een persoon niet de wereld uit te helpen, enkel omdat hij wat poeder vervoert. Desalniettemin had ik me neer te leggen bij het krankzinnige regime van de Aziatische dwergstaat. Een gezag dat zo blind is voor de tijdsgeest, dat ze niet eens de tegenwoordigheid van geest bezit, het onschuldige herenblaadje Playboy te gedogen.

Ondertussen zit ik in de puree. De Nederlandse ambassade heeft uiteindelijk niets voor mij kunnen betekenen. De Singaporese machthebbers waren onvermurwbaar. Over een week vindt mijn executie plaats. Ik ben er rustig onder. Mijn pleegvader – mijn biologische ouders zijn niet meer in leven – spreek ik de ochtend van mijn einde voor de laatste keer; via de telefoon. Hij kan het niet opbrengen naar Azië te vliegen, zijn kwetsbare hart zou overlopen met emoties. Begrijpelijk.

Sinds twee maanden schrijf ik via Amnesty International met een Duitse vrouw, Monika uit Heilbronn. Zij verloor ooit, alweer jaren geleden, haar eigen zoon vanwege een soortgelijk drugsvergrijp. Het lucht op met haar te corresponderen. Het geeft de laatste weken van mijn leven een bepaalde verlichting, misschien zelfs zingeving. Hoewel je je kunt afvragen wat voor zin het heeft om een tweeëntwintigjarige jongeman van het leven te beroven, in plaats van hem laten we zeggen zeven jaar in de cel te gooien, waardoor hij nog de mogelijkheid heeft zijn leven te beteren.

Gister had ik mijn beste vriend aan de telefoon. Hij zwoor dat hij nooit in zijn leven één voet zou zetten op het grondgebied van een land, waar ze de doodstraf hanteren voor het bezit van of de handel in drugs. Deze gelofte sterkte mij. Het was een emotioneel gesprek. Tranen vloeiden. Aan beide kanten.

Over zeven dagen ben ik historie. Ik probeer de dagen en de nachten – ellenlange geduldexercities – door te komen, met het denken aan wijlen mijn ouders, mijn pleegvader, mijn beste vrienden, Monika. Ik zal overleven. Misschien niet in dit leven, maar mijn free spirit zal overleven.

Ik moet denken aan de woorden van de Amerikaanse acteur Steve McQueen, in de slotscène van het meesterwerk Papillon:

Hey you bastards, I’m still here!

verhaal over crematie van mijn buurman

Het verhaal van Chefke die 2x dood ging.

Elke morgen zo rond 0800 uur liep chefke langs mijn huis.
Hij een oude man van ongeveer 82 jaar groete mij elke morgen met de woorden Sawadeeka Farlang.
Dat betekend in het Thais Hallo vreemdeling hoe gaat het met je?

Ik antwoorde altijd met Sawadeeka oke karpkhoen cap dwz .prima een fijne dag nog.

Maar op een namiddag zag ik op eens bij de buren 3 huizen verderop een en al bedrijvigheid .De fam van Chefke was bijeen gekomen want het leek er op of zijn moment gekomen was om deze wereld te verlaten.
De dochter des huizes kwam naar mij toe en vroeg me of ik nu Chefke nog leefde
Een paar mooie fotos van haar vader wilde maken.

De hele fam Broers en zussen zaten bij Chefke zijn bed en ik maakte 5 fotos.

Hun dank was enorm.

Na ongeveer 10 minuten zo rond 1900 uur kwam ze terug met de mededeling Chefke is gestorven.Mijn vrouw zou dus de volgende morgen de crematie werkzaamheden daar mee gaan voorbereiden.
Tot dat plotsklaps om 1915 uur er iemand kwam zeggen Chefke is niet dood hij heeft zijn ogen weer open gedaan en lachte.

Vervolgens heeft deze man nog een halfuur geleefd en is toen vredig ingeslapen.Hij ging dus 2x dood.

Na 3 dagen werd Chefke met muziek en in grote optocht naar de tempel gebracht alwaar hij in het openbaar werd gecremeerd.En na de crematie werd het een groot feest,want men zei me Chefke is nu in een andere betere wereld gekomen.

En 3 maanden later werd er een nog groter feest gegeven omdat hij al 3 maanden dood was.

Zo gaat dat in Thailand.Dat is wat anders dan een crematie in Nederland waar je na afloop van een crematie hoogstens een plak cake en een kop koffie krijgt.

Groetjes Lowy uit Udonthani Thailand.www.nederlandersinudonthanicity.nl

Buggy

Het kerstdiner van twee jaar terug was een groot succes. Tot op een bepaalde hoogte. Met het etentje an sich was niet veel mis. Echter, een diner is méér dan slechts voedsel tot je nemen.

Wij, mijn lief en ik, hadden een klein restaurantje geboekt dat bekend stond om zijn uitstekende kwaliteit voedsel, voor betrekkelijk redelijke prijzen.

Inderdaad, de drie gangen die wij tijdens de late zitting tot ons namen, waren niet te versmaden.

Gerookte zalm op een aardappelpannenkoek met limoencrème en bieslook, hertenbiefstuk met kastanjechampignons en gebakken schorseneren, geserveerd met peper-cognac-saus, chocoladefondant met een sorbet van bloedsinaasappel. Drie gangen om je vingers bij af te likken, wat wij dan ook deden, tijdens het nagerecht.

Na afloop koffie, vergezeld van een allerminst bescheiden bonbonselectie, en onze avond kon niet meer stuk. Bleek perfect. Was een droomavond. Een die mij nog decennia lang heugen zou, zo schatte ik in.

Toen pakte ze mijn hand vast en vertelde me dat ze een kind van me wilde.

Ik weet niet hoelang exact ik buiten westen ben geweest, misschien vijf minuten, mogelijk een half uur. Toen ik weer bijkwam keek ik in het geschrokken gezicht van de meelevende gerant, die ongetwijfeld dacht dat er iets met het eten mis was geweest. Hij bood ons een dinerbon aan, iets wat hij ons, zo verzekerde hij mij, op z’n minst verschuldigd was. Ik vond het best, ik wist dat mijn wegvallen een andere oorzaak had gehad.

Twee weken terug zag ik haar weer. Een jonge knul, haar nieuwe minnaar, aan haar zijde, niet overmatig knap maar ook niet echt lelijk, ergens tussenin. Ze duwde een buggy voort. Dat had mijn koter kunnen zijn, dacht ik vol melancholie en zelfbeklag.

Toch was ik op een bepaalde manier opgelucht.

Mijn kotmadam

Ik heb ’n tijdje in het Belgische Leuven gestudeerd. Anderhalf jaar, zo lang duurde die blue monday. ’n Alleraardigste tijd, de inheemse bieren zijn er voortreffelijk, de mosselen met frieten buitengewoon, de Vlaamse gasten sympathiek en de deernen bovenmenselijk knap.

Ik herinner me slechts één bescheiden smetje op het verder onberispelijke blazoen, van mijn Leuvense studententijd: mijn kotmadam Blanka. Wat ’n bitch! Onuitstaanbaar, vrijgezel serpent met een tong, bij voortduring gedrenkt in azijn en het gevoel voor humor en zelfrelativering, van een verroeste strijkbout uit de DDR-tijd. Daadwerkelijk had ze wel iets weg van een Stasi-medewerkster: damesbezoek op mijn slaapkamer was streng verboden, de stringente manier waarop mijn huisbazin mij controleerde, ging bijna tot in het absurde. Bij het minste geringste gestommel in de hal, koekeloerde ze met haar pezige gezicht door de deuropening, om te kijken of er onraad (lees: meisjesbezoek) te bespeuren viel.

De poets die ik haar op een dag samen met een Vlaamse studiegenoot bakte, was onbetaalbaar: Stan die in een oubollig bloemetjesjurkje het huis kwam binnengeslopen, betrapt werd door mijn kotmadam, zich vervolgens omdraaide en keihard ‘boeh!’ riep, tot het geschrokken vrouwmens. Wij kwamen niet meer bij van het lachen, en van mijn huisopzichtster mocht ik ‘n paar dagen lang niets vernemen. Nederig verschanste ze zich achter haar televisieapparaat, kijkend naar haar favoriete Vlaamse soapopera, over het wel en wee van de bewoners van een of andere Belgische boerengemeenschap, zoals ze waarschijnlijk nauwelijks nog bestaan; met een hoop relationeel geneuzel, niet eens eendimensionaal te noemen, maar ‘half-dimensionaal’. Ze besefte verdomde te goed dat ik haar een beslissende slag had toegebracht, al was de complete oorlog nog niet door mij gewonnen. Niettemin, de dagen volgend op die pots heb ik in mijn kleine studentenstulpje ongestoord neukend mijn gang kunnen gaan, samen met mijn klasgenootje Godelieve, mijn teerbeminde in die tijd. Ijzeren Blanka hield zich voor even gedeisd.

Al snel, echter, pakte ze de draad weer op van haar schrikbewind, en op een kwade avond, toen ik Godelieve na afloop van een bioscoopbezoekje in het gangpad naast het huis op een snelle beurt trakteerde, werden we op heterdaad betrapt. Terwijl ik mijn geslacht terug in mijn broek friemelde – wat niet meeviel, aangezien hij behoorlijk in grootte was toegenomen, door de enerverende activiteit van even tevoren – , stapte mijn meiske op haar rijwiel en probeerde te vluchten. Iets wat werd bemoeilijkt door het feit dat ze van alle kanten werd belaagd door de vinnige mattenklopper-uithalen van mijn keetmeesteres.

Dat deed voor mij de deur dicht: ik was er klaar mee. Ik besloot zo snel mogelijk op zoek te gaan naar een nieuw kot, om het resterende deel van mijn Belgische studententijd in uit te zingen. Deze vrieskist van een vrouw wenste ik in mijn leven nimmer meer onder ogen te komen.

Het lot was mij gunstig gezind. Reeds twee weken na het onaangename tapijtklopper-incident, wist ik via een studiegenootje nieuwe huisvesting te regelen: in de Minderbroedersstraat, ideaal gelegen op slechts een steenworp afstand van de Grote en de Oude Markt. Ik nam er mijn intrek en meed daarna het stadsdeel van mijn eerste zes maanden in ’t Leuvense: het oostelijke Kessel-Lo, thuisbasis van de ‘Zwarte Heks’, zoals ik mijn voormalige huisbazin in gedachten betitelde, daarmee doelend op haar weduwestatus en haar, staat u mij een understatement toe, ‘minder aangename karakterologische eigenschappen’.

Gezien heb ik haar sindsdien nooit meer; althans, niet van aangezicht tot aangezicht. Gehoord wel. Dit klinkt raar, dat besef ik, ik zal u een en ander expliceren. Ruim een maand nadat ik was ingetrokken in mijn nieuwe, centraal gelegen onderkomen, liep mijn relatie met Godelieve op de klippen. Zij verweet mij – koelbloedige Hollander – dat ik continu het relationele heft in handen wilde hebben, dat ik nooit eens bereid was de teugels te laten vieren, haar de beslissingen te laten nemen. Triviale besluiten over kleine pietluttigheden, waar een liaison eigenlijk niet onder zou mogen lijden. Die van ons deed dat desalniettemin. Met als gevolg dat Lieve haar koffers pakte, een afscheidszoen op mijn voorhoofd drukte en tabee zei.

De tijd was aangebroken, voorvoelde ik, om eens diep in mezelf te kijken, na te vorsen of het echt zo was dat ik voortdurend het heft in handen wilde hebben: was het zo moeilijk voor mij om de controle over te geven aan een ander? Het was duidelijk dat er iets moest gebeuren in mijn leven…

Toen ik aanbelde bij SM-studio ‘Domina Matrixxx’, enkele kilometers ten zuiden van het centrum van de mooie Belgische studentenstad, deed een in latex geklede vrouw open. Ik ging naar binnen en informeerde naar de prijzen. Voor tweehonderd euro kon ik een sessie van een uur krijgen, inclusief een flink pak voor m’n broek. Ik ging akkoord en werd naar een keldergewelf geleid. Daar nam ik plaats op een koude brits. Ik zat daar gedurende een minuut of vijf toen een andere dame – ik had begrepen dat de eerste vrouw verantwoordelijk was voor het hardere werk, beginnelingen zoals ik schoof zij af naar haar collega – binnentrad. Ze nam meteen de touwtjes in handen:

Ze snauwde mij toe dat ik mijn kleren uit moest trekken, in foetushouding tussen haar laarzen moest gaan liggen. Ik herkende direct de stem van Blanka. Een siddering schoot door mijn lichaam. Mijn gewezen hospita – de ultieme kenau – stond mij hier af te blaffen, was klaarblijkelijk in haar ‘geheime uurtjes’ werkzaam in een etablissement als dit!

Ik was te beduusd om goed tot me door te laten dringen wat er gaande was. Bedeesd trok ik mijn broek en blouse uit, en uiteindelijk ook mijn slip. Naakt, met een penis zo groot als de pink van een Lilliputter, vlijde ik mij neder op de vochtige, betonnen vloer, onder het oppermachtige kruis van mijn meesteres, die mij – een hoopje menselijke ellende, hulpeloos gevangen tussen haar gespreide benen – vol minachting observeerde. Ze moet mij herkend hebben, dat kan niet anders, ondanks de bijna volledige duisternis in het vertrek, slechts verlicht door één enkele vuistdikke, bruingele kaars. Ze liet niets blijken; ze speelde met me. Een staalborstel schuurde over mijn ranke rug, met als gevolg een haast ondraaglijke pijn, die mijn gestel bijkans castreerde. Toch onderging ik. De hele sessie, een uur lang. Het laaghartige spel van kleineren: de porren in mijn zij, urine op mijn hoofd, zweepslagen over mijn hele lichaam. En uiteindelijk, vlak voordat het uur was afgelopen, mijn klaarkomen. Ze dwong mij, mezelf te bevredigen; daarbij werd ik, op mijn knieën gezeten, geacht letterlijk en figuurlijk op te kijken naar haar gemaskerde gezicht. Ik kwam klaar, al behelsde het resultaat van mijn masturbatie niet veel meer dan een half vingerhoedje. Ik was allang blij dat ik het überhaupt voor elkaar had gekregen, liefdesvocht te verschieten. Wie weet wat me anders boven het hoofd had gehangen: een middeleeuws zwaard? de guillotine?

Nadat exact zestig minuten verstreken waren – mijn meesteres was stipt en ‘gunde’ mij geen minuut extra speeltijd – , verdween ze zoals ze was gekomen. Geruisloos: een zwijgen uit staal en beton. Ik kleedde me aan, waarna even later de andere dame weer ten tonele verscheen.

‘Was‘t plezant?’, sprak ze cynisch, met een donker, Vlaams rokersaccent. Met een hoofdknik beaamde ik. De vrouw lachte – ze las de leugen moeiteloos van mijn gezicht – , schoof de grote, metalen deur open en bevrijdde mij. Ik had het gevoel me in een volstrekt nieuwe wereld te bevinden; de schelle buitenlucht had iets bevreemdends.

Ik had me laten ‘naaien’ door mijn voormalige hospita en besefte dat ik voor ’n ongelooflijke oetlul kon doorgaan. In een vreemdsoortige staat van verwarring nam ik mijn mobiel en drukte het nummer van Godelieve. Iets in mij vertelde me dat het nu zaak was snel te handelen, voor je het wist was ze er vandoor met een of andere zonderlinge aardappelboer uit het Kempense Wijnegem. Er waren in die tijd honderden kerels die aasden op mijn knappe ex.

‘Schat, ik kom bij je terug. Ik ben bereid om wat water bij de wijn te doen. Wat zeg ik? Ik ben bereid om onze liefdeskruik zonodig vollédig te vullen met H2O! Wat is daarop uw antwoord…?’

Aan de andere kant van de lijn hoorde ik dat een bescheiden paardengehinnik ontglipte aan de zoete lippen van mijn voormalige geliefde, een geluid dat mij zo lief was geworden, de eerste maanden van mijn leven in Vlaamse contreien. Ik besefte dat ik de juiste code had ingegeven.

Ideaal

Het was een minuut voor vier in de morgen, na afloop van een vermoeiende stapavond wilde ik nog een bord vlees gaan scoren bij de Turk, toen deze mij weigerde. Hij vertelde mij dat de sluitingstijd van vier uur reeds overschreden was en toonde mij zijn horloge, waarvan de grote wijzer inderdaad de twaalf reeds was gepasseerd.

Echter, zijn klokje stond niet goed afgesteld, in tegenstelling tot mijn horloge, dat altijd bij is, ingesteld op de atoomklok: het was een minuut vóór vier, niet een minuut na vier uur. De goede man was niet voor rede vatbaar, waardoor ik mij uiterst onrechtvaardig behandeld voelde. Moest ik boeten voor het feit dat die knakker zijn uurwerk niet op de juiste tijd had staan? Ik vond van niet. Met veel misbaar droop ik uiteindelijk af. Hevig gefrustreerd, ik had een gat in mijn maag van hier tot Tasmanië, maar geen tent die nog open was.

Ik besloot een kei (een wonder dat ik er überhaupt een vond, in het keurig aangeharkte centrum van het brave provinciestadje) door de ruit van de inaccurate horeca-exploitant te flikkeren. Daarna volgde een hoop trammelant, de juten werden opgetrommeld (een forse meid met een stevige bips en een lange, magere kerel met een wat bleke snoet), waarna ik met mijn halfdronken kop in een politiebusje werd gesmeten, naar het bureau werd afgevoerd. Ook daar heb ik nog een hoop stampei lopen maken, en nadat ik een paar weken later mevrouw de rechter voor ‘vooringenomen politiehoer’ had uitgemaakt, mocht ik van haar drie maanden gaan brommen in de lik. Het deerde mij niet echt, ik beschouwde het als een interessant experiment, een welkome afwisseling op mijn behoorlijk eentonige vrijgezellen/werklozenbestaan.

Al spoedig kwam ik erachter dat er in Nederlandse gevangenissen een hoop niet pluis is. Ik merkte dat je er heel gemakkelijk aan drugs kon komen. De cipiers waren zo corrupt als de neten, het was geen enkel probleem om in het cachot een lijntje te scoren of aan je dagelijkse hoeveelheid cannabis te komen. Niet dat ik daar persoonlijk behoefte aan had, ik ben een mens die houdt van klaarheid in zijn geest, een incidentele alcoholroes daargelaten.

Ook merkte ik dat onrecht zich niet alleen bleek af te spelen buiten de gevangenismuren, evengoed erbinnen. Er was op mijn afdeling een beklagenswaardige sloeber genaamd Knillis, waarover boze tongen beweerden dat hij vastzat vanwege pedoseksuele praktijken, hoewel hij zelf beweerde onschuldig te zijn. Onschuldig of niet, bij het gros van zijn medegevangenen was hij al gebrandmerkt als ‘inferieur individu’, ik hoef u waarschijnlijk niet uit te leggen hoe laag pedofielen staan in de gevangenishiërarchie? Ze worden beschouwd als het laagste van het laagste: uitschot, honden die men gevoeglijk kapot mag slaan, stront waarop gekotst mag worden, willoze lichamen waarin men naar believen met vlijmscherpe messen, rechtse leuzen en hakenkruizen kerven mag…

Het waren twee kerels in het bijzonder, die zich bezondigden aan deze kwalijke ‘eigen-rechter-praktijken’. Gasten met achterbakse gezichten die luisterden naar de namen Kor en Stui. Iets dat ik met lede ogen aanzag. Ik houd niet van onrecht, het gebrek aan recht is de onmiddellijke verblinding voor mijn ogen. Bovendien, een pedofiel is ook maar een mens, een arme drommel die van het lot een abjecte seksuele natuur heeft meegekregen. Niet dat ik de daden van Knillis, zo hij al schuldig was, goedkeurde, vanzelfsprekend. Hij had zijn straf evenwel reeds opgelegd gekregen door de rechter, ik vond niet dat de ‘heren’ Kor en Stui daar nog iets aan behoorden toe te voegen.

Zo kwam het op een kwade dag tot een confrontatie. Nadat Knillis, die zich op geen enkele manier wist te verweren, bange kwezel als hij was, weer eens te grazen was genomen door de twee lafbekken. Met als resultaat dat hij zijn bebloede gezicht kon gaan afwassen en twee voortanden mocht gaan zoeken. De eerstvolgende keer dat ik ze zag – tijdens het gezamenlijke douchen – , confronteerde ik de twee ruziemakers met hun ploertige gedrag. Ze haalden slechts hun schouders op en vroegen of ik wellicht ook met alle plezier aan kleine leutertjes van jonge jongetjes zat, en of ik misschien ook graag met mijn blanke roede de te krappe openingen van jonge meisjes openscheurde.

‘Nee,’ antwoordde ik, ‘je behoort niettemin met je vuile poten van andere gevangenen af te blijven, óók als het poten zijn, of pedo’s’. Met die zin had ik het spel op de wagen gegooid. De twee kwamen als wildemannen op mij afgestormd. Twee tegen een, dat wordt een makkelijke strijd, zullen ze ongetwijfeld gedacht hebben. In feite was het handgemeen inderdaad ongelijk, maar dan omgekeerd. Twee uiterst primitieve knuppels die het moeten opnemen tegen een buitengewoon gespierd persoon, die de fijne kneepjes van de nobele zelfverdedigingskunst jiujitsu tot in de finesses onder de knie heeft:

Binnen één minuut had ik de twee ongelukkigen over de knie, vijf minuten later had ik in de onsmakelijke derrières van beide heren enkele stukken zeep zó diep naar binnen weten te proppen, dat het bloed – rood anussap – langs diezelfde zeep weer naar buiten kwam sijpelen. Ze smeekten als kleine kinderen, gevangen in een afhankelijkheidspositie op het speelplein van hun engste jeugddromen, om genade, ik was nochtans niet in een bui om ze clementie te verlenen. Wél schonk ik ze de genadeklap: een knietje in hun ballen, waarna ze minutenlang ineengedoken lagen te jeremiëren van de pijn. Ik spuwde nog een keer op hun kale kruinen en verliet als een fiere Caesar het strijdtoneel. Zo, die klus was geklaard.

Op dat moment had ik me moeten realiseren dat mijn tegenstanders behoorden tot het slag lafhartige sujetten, dat niet terugdeinst voor vals spel. Twee dagen later, wederom tijdens de dagelijkse douchesessie, voelde ik twee messen in mijn rug. Geen figuurlijke messen, gekleid uit de materie verbeelding: letterlijke exemplaren, van staal. Ik zeeg ineen, slap als een vaatdoek. Een gevoel dat ik nog nooit in mijn leven had gehad, overviel me, ik was bang naar ‘de andere kant’ te gaan. Dat bleek uiteindelijk mee te vallen, het resterende deel van mijn straf heb ik redelijk stressvrij kunnen uitzingen in de ziekenboeg van de petoet. Toen ik een paar weken later ontslagen werd, was ik De Heer dankbaar dat ik leefde.

Maar zelfs als ik mijn gevangenschap niet had overleefd: je kunt beter sterven voor een ideaal, dan leven zonder ideaal.

Angst

Ik zit blijmoedig in tram 10, op weg naar een afspraak in de Balie (020). Opeens blijft die steken op halte Korte ‘s-Gravesandestraat. Vijf minuten, tien minuten, een kwartier… Je blijft zitten want je verwacht dat je toch elk moment weer vertrekt. Maar nee. Alle trams die via deze route naar het Leidseplein gaan stranden achter ons of rijden om. Na een half uur komt er uitleg over de speakers: ‘We wachten op een ambulance.’

Ik denk nog: inderdaad, we staan niet ver van het OLVG én van de Achtergracht (GG&GD), een ambulance heeft waarschijnlijk de trambaan nodig om door te sjezen. Na nog een kwartier horen we eindelijk de sirene. Een team van maar liefst vier broeders en zusters stormt de coupé binnen, buigt zich over een verder perfect gezond uitziende peuter in een kinderwagen, en loopt weer weg, gevolgd door diezelfde peuter in diezelfde kinderwagen, geduwd door, vermoedelijk, zijn moeder.

 

Mijn buurvrouw en ik kijken elkaar aan. Zij ziet de vraagtekens in mijn ogen en vult aan: ‘Voor je instapte remde de tram plotsklaps en is dat kind met wagen en al achterover gekieperd. De moeder is vast bang dat ie wat opgelopen heeft.’ DE MOEDER IS VAST BANG DAT IE WAT OPGELOPEN HEEFT! Wat dan als ik vragen mag? Een hersenfraktuur? Op 1,5 jarige leeftijd? Terwijl het op die leeftijd zowat je levensinvulling is, voor-, achter- of zijwaarts vallen, de hele dag door? ‘Met vallen en opstaan’ heet het als ik me goed herinner, en niet voor niets. Bovendien heb je op die leeftijd nog niet eens hersens. De moeder was jong en onervaren, dat zag je. Maar een tramvol aanwezigen en niet één die de guts heeft gehad om haar gerust te stellen cq tot de orde te roepen? Was er niemand om haar te wijzen op het OLVG, op geen tien minuten afstand lopen? Nee, niemand durft, iedereen is bang. Dat er toch iets mankeert aan dat kind. Dat het hun schuld zou zijn als het toch fout afliep.

 

Want dát is wat ze had kunnen doen: rustig met pseudoziek kind en al naar de eerste hulp wandelen, om aldaar drie uur op de wachtstoel te zitten en horen dat de blaag niets mankeert, en als de arts bij zijn positieven was een paar stelregels mee te krijgen voor de volgende honderd keer dat zoiets haar ten dele gaat vallen mocht zij zich in de toekomst aan meer van dit soort voortplantingsexperimenten wagen. Drie vragen om zelf vast te stellen of je naar de eerste hulp moet rennen, zoals ík die kreeg, 20 jaar geleden, toen mijn oudste van de top van de glijbaan op zijn kop viel:

1) is het kind buiten bewustzijn geweest?

2) staan de pupillen gelijk?

3) is het kind misselijk?

Wat ze nog beter had kunnen doen is: helemaal niets. Iedereen met een beetje verstand (en een aantal koters) weet dat zo’n val niets voorstelt. Je laat echt niet één van de drukste trajecten van heel Nederland drie kwartier lam leggen omdat je buggy om is gekieperd.

 
 

Paranoia

 

Maar dat is buiten de paranoia rekenen die onze (voornamelijk Westerse) samenlevingen in zijn greep houdt. Angst esse die Zehle auf poneerde Fassbinder, en gelijk had hij: angst vergalt ons leven.

Kind met ambulance vervoeren: veilig

Internetdata jaren bewaren door de provider: veilig

Telefoongesprekken op grote schaal afgetapt: veilig

Slimme gas- en elektrameters: veilig

EPD: veilig

Inentingen bij borelingen van twee weken oud: veilig

Camera’s in de openbare ruimte: veilig

Overal ver doorgevoerde regels om ons een gevoel van veiligheid te geven. Let op: een gevoel. Want de veiligheid is niet te geef. Het zijn ook futiele regels. Wel een verplichte gordel in auto’s en zelfs touringcars, airbags om je heen, maar wel steeds snellere auto’s bouwen en met 130 racen op de snelwegen, die bovendien zo snel manoeuvreren dat ze in de bebouwde kom niet meer te ontwijken zijn. De inzittenden worden perfect beschermd, maar de voetganger is vogelvrij. We vreten ons lam aan vatenverstoppende troep, we snuiven/eten/smeren dagelijks aardolieproducten alsof ze niet kankerverwekkend waren, we bewegen alleen in speciale (lees: dure) ruimtes, we bouwen de openbare ruimte vol. We verdelgen wat doodsoorzaken in de marge terwijl de grootste gevaren blijmoedig worden genegeerd

 
 

Utopie

 

We hebben ook een utopisch verlangen naar veiligheid: we graven metrostations onder megapolen en zijn dan verontwaardigd dat er bij brand tientallen doden zouden kunnen vallen. Bij een treinramp, zoals in Amsterdam de dag dat het kabinet viel, walst er een golf van verbijstering over het land, gevolgd, helaas, door een golf van claims. Als de ambulance er acht minuten over doet om ter plaatse te zijn, dan klagen we de broeders aan voor moord. We arresteren cartoonisten omdat ze voor toestanden kunnen zorgen, en pubertwitteraars omdat ze dwaze dingen roepen. Op last van de rechter sluiten we per omgaande een vereniging omdat dat het volk rustig maakt, niet omdat de leden kwaad in de zin hebben, hoe handig die vereniging ook was om mogelijk gevaarlijke elementen in de gaten te houden. We bouwen torens van meer dan honderd verdiepingen hoog en zijn dan stomverbaasd dat bij een ramp er duizenden sterven. Het is ook niet zo dat na de ramp geen torens meer gebouwd worden. Ik persoonlijk vind drie hoog al hoog: bij brand kan ik er immers niet meer vanaf springen. Maar als iemand écht kwaad wil, kan hij zelfs op de 1ste verdieping dood en verderf jagen: als iemand een breivikje wil doen, gaat hij op het Leidseplein in Amsterdam een mitrailleur op de terrassen afvuren. Hoe wou je daar preventie tegen plegen? Het leven ís gevaarlijk.

Je kan niet al het onveilige weg gummen. Dat willen ze wel, onze hoeders, maar dat is een sprookje.

 
 

Ondenkbaar

 

Al die maatregelen zijn er om het volk een gevoel van veiligheid te geven, een goed gevoel dus. ‘Als het kalf verdronken is dempt men in Nederland haastig álle putten’1. Maar je creëert juist een gevoel van onveiligheid. Want als een plein vol met camera’s hangt, dan word je je bewust van de dreiging. Dat er misschien vaak iets gebeurt. Dat er iets kan gebeuren.

 

Mijn kinderen hadden het eens op school over 9-11. Ze kwamen verbijsterd terug: ‘Maar hoe konden de boeven met messen het vliegtuig in?’ Voor hen is dit ondenkbaar. Die hele vrijheid die we hadden is ondenkbaar. Kinderen van nu zijn in het tijdperk van de angst geboren. Ze weten niet beter. Ik heb met ze te doen.

 
 
 
 

1 René van Densen dixit

 
 

Onder de titel “Wat zijn we toch weer bang” op Sargasso.nl gepubliceerd.

De boevenschool

Vandaag was ik bij de bank om vijfjes te halen. Voor mijn werk heb ik veel vijfjes nodig, vandaar. Maar de bank heeft geen vijfjes meer voorradig. Ik moet ze bestellen en op een afgesproken dag ophalen. Zo niet, dan worden ze dezelfde avond teruggestuurd naar, ja, waarnaar eigenlijk? Ik vroeg de beambte naar het waarom van dit beleid: we houden liever geen cash meer in huis, zei hij. Begrijpelijk: ze zijn bang voor overvallen. Eigenlijk willen ze van het geld af. Alle transacties zouden per internet moeten gaan, want een online saldo leegroven is nog steeds minder ingrijpend dan een overval. Voor de overvallene dat spreekt.


Het is eigenlijk een wonder dat er nog overvallers bestaan, die IRL roven. In deze tijd! Dat zijn eigenlijk overblijfsels uit vervlogen tijden, sullige boeven die nog niet hebben begrepen waar het grote geld tegenwoordig voor het oprapen ligt. Misschien zijn ze wel analfabeet. Leg jij ze dan maar uit dat, en vooral hoe, ze op de computer moeten inbreken.

Dat leek me anders een aardig idee. De boevenschool nieuwe stijl. Als de boef eenmaal gepakt is met zijn IRL-buit, en hij zijn straf zit uit te zitten, dan kunnen we die tijd nuttig besteden aan het omscholen van het crimineeltje, zodat hij bij terugkeer de maatschappij nooit meer lastig valt met fysieke bedreigingen. We geven hem een cursus hacken.

De burger kan vervolgens wat van zijn geld in een online kluis doen, vijftig euro bijvoorbeeld, en een sticker op zijn voordeur plakken: “Mijn geld zit daar en daar opgeborgen” met een link naar de kluis, die natuurlijk streng beveiligd is. Aan de boef om de kluis te kraken. Is ook nog leuk voor de eigenaar van het geld, want hij kan de code telkens veranderen: die twee kunnen dan lekker strijden op het virtuele veld. Ondertussen laat de boef het leven van de burger en zijn gezin intact. Een winwinsituatie van jewelste. De bank kan het saldo telkens weer aanvullen wanneer de boef wint. De bank krijgt het geld weer van de verzekering, die niet meer hoeft uit te keren aan gedupeerden van fysieke overvallen. Zo lossen wij in een handomdraai een bijzonder hardnekkig probleem op.

Het is natuurlijk het allerleukste wanneer de gearriveerde boef zelf ook wat geld in een kluis doet met een briefje op zijn voordeur.

 [In de serie Nieuwe Beroepen die ik op Nurks heb]

The day after the night that wasn’t supposed to be like that

Ik word wakker met de smaak van een vol gier gespoten abattoir en rauwe seks in mijn mond. Het is donker, terwijl het al licht moet zijn. Om me heen het geluid van knetterende autobanden. De stank is werkelijk niet te harden. Ik gooi de afgerukte ledematen van me af, hoest nog wat bloed op en vraag de zwerver naast me om een peuk. De man, in gescheurde kledij en het hoofd half tot pulp geslagen, zegt geen zwerver te zijn, maar burgemeester Bats. ,,Met zo’n naam verdien je ook een pak slaag’’, en ik duw hem terug in de plas lichaamsvocht. De geur van kots en pis was zelfs achter het oude Noorderligt niet zo erg. De laatste keer dat ik zoveel lijken zag, was Peter Jacksons Braindead net afgelopen. Rookpluimen stijgen op tot ver boven de hoogste toren in Haren. Op de plek van Merthes huis bevindt zich nu een enorme krater. Flarden herinneringen sijpelen langzaam binnen, dwars door de gigantische kater heen. Kijk, daar joyride Matthijs van Nieuwkerk op twee banden met een politieauto de brandweerkazerne binnen. Wie was er niet? Verderop in de Stationsstraat schop ik het laatste stukje van Rick Nieman weg, waar de avond ervoor de naakte Jeroen Pauw en stomdronken Paul Witteman hun tanden nog in hadden gezet. Voorbij de brandende autowrakken en in stukken gesneden politiepaarden de onvermijdelijke ochtenddruk in de broek. ,,Wat een moment voor een natte scheet’’, brom ik, terwijl de gevonden halfvolle beker lauwe whiskey nog best goed smaakt. Het is ok, ik laat alles lopen. Maar wacht eens even, wat bevochtigt daar de witte boxer met oer-Hollandse klompen erop? Een greep naar beneden verklapt alles. Natuurlijk, een volgespoten condoom. Dat kan er ook nog wel bij. Met wie is er niet geneukt? Die bruine volbloedhengst in weide 3, achter P2, was zeker het geilst. Ik groet wat mensen bij de bushalte. Met een simpele knik begrijpen we elkaar. Wíj waren erbij, wíj kunnen hier later over vertellen, wíj wisten vroeger echt wat feesten was. Gelukkig bleef de ME lang op gepaste afstand. Het ging pas mis toen Gordon de microfoon greep. Arie Slob vroeg om de bazooka en het was gebeurd. In de trein terug naar Winschoten vind ik in mijn kontzak een vuil en gescheurd blanco velletje. Ik vraag Marcel van Roosmalen naast me om een pennetje. God, wat ziet die gozer eruit. En hij was er niet eens bij. Ik noteer: volgende week viert Randy zijn 15e verjaardag in Goirle, beweren de posts. Als dat geen ketsen wordt…

« Older posts Newer posts »

© 2026 KutBinnenlanders.nl

Theme by Anders Noren — Up ↑