Er zit niet veel anders op. De deur wijst de uitweg aan. Het raam niet. Dat biedt uitzicht. Zowel op de tuin als op de straat.

We vergeten wat het is een stoel te zijn zonder leuning. We onthouden vooral het gat in de muur: deur, raam.

Het gat boven ons hoofd is gedicht. Dat heet plafond. Of dak. We zijn het zo gewoon, we wonen in onze gewoonten, noemen het huis of nog sterker: thuis.

Voorbij de stoeprand ligt languit de straat. Vele straten en wegen doorkruisen de ruimte. We vragen een boom wat hij ervan vindt. ‘Verstikkend. Ver strekkend.’

Zoveel wordt alsnog duidelijk. In de fles huist de geest, zonder ramen noch deuren. Hij moet daar binnen blijven om het ergste te vermijden.

 
Marc Tiefenthal
Marc Tiefenthal
In tijden van toenemende verdomming en groeiend nationalisme is het gepast, ha, erop te wijzen dat Marc Tiefenthal gemakkelijkheidshalve kan worden gecatalogeerd als Belgisch dichter, die zowel in het Nederlands als het Frans schrijft. In diezelfde context, stijgende verdomming en toenemend nationalisme, vraagt menigeen zich af waar de dichter verblijf houdt. Daar hij op twee plaatsen in de wereld verblijf houdt, dit is bilokaal woonachtig, heeft hij op het Groot Smoelenboek van de heer Sukkelberg, voor de lol Bobigny als woonplaats opgegeven. Kom hem daar maar niet bezoeken. Evenmin als in Menen, Ieper, Leuven, Bossière, Brussel, Antwerpen noch Temse, waar hij ooit gewoond heeft.