Er zit niet veel anders op. De deur wijst de uitweg aan. Het raam niet. Dat biedt uitzicht. Zowel op de tuin als op de straat.

We vergeten wat het is een stoel te zijn zonder leuning. We onthouden vooral het gat in de muur: deur, raam.

Het gat boven ons hoofd is gedicht. Dat heet plafond. Of dak. We zijn het zo gewoon, we wonen in onze gewoonten, noemen het huis of nog sterker: thuis.

Voorbij de stoeprand ligt languit de straat. Vele straten en wegen doorkruisen de ruimte. We vragen een boom wat hij ervan vindt. ‘Verstikkend. Ver strekkend.’

Zoveel wordt alsnog duidelijk. In de fles huist de geest, zonder ramen noch deuren. Hij moet daar binnen blijven om het ergste te vermijden.