KutBinnenlanders.nl

Tag: Proza (Page 4 of 13)

"Ik zou niet afkomen. Echt."

Ik was bijtijds vertrokken, maar als ik die sprint door Antwerpen Centraal niet had getrokken (het hele station van boven naar onder door in 2 minuten, met een vrij lompe grote zware tas, niet dat ik loop op te scheppen hoor) had zich vermoedelijk een kettingreactie van vertragingen voorgedaan, achteraf naar mijn schema kijkend. Zo belandde ik, met vooral meer geluk dan wijsheid, tegen openingstijd op het kampvuurfestivalletje Botrange Base Camp. U weet wel, waar ik vrijdag op deze site ook al even over sprak.

Had ik deze vertragingen wél gehad, dan weet ik niet of ik het nog zou zien zitten. Al met al ben ik een bescheiden werkdag onderweg geweest in het openbaar vervoer, en dat heb ik de laatste tijd te vaak gedaan. Maar het is België. Ik ben graag in België. Ik voel me fijn in België – rustig, dromerig, zodra ik op het grondgebied van de zuiderburen ben valt alle opgefokte Nederlandse woede van me af en maakt plaats voor een geduldige romantische inborst.

Nochtans stuurde een vriend die reeds op locatie was me een smsje. “We hebben het zojuist gevonden, maar ik zou niet afkomen. Echt.” Verbaasd sms ik terug: “Is het zo erg ?”
Ik kreeg enkel een “Yep” terug. Een mens zou zich door minder laten ontmoedigen.

Ik vroeg vervolgens maar of er nog wat te poepen viel aldaar, waar hij op antwoordde: “Poepen op 694 meter hoogte, zijde gij niet goed bij uw hoofd?” Ik schatte dus maar in dat het wel mee zou vallen.

Door mee te kunnen rijden met enkele andere gestrandden op station Verviers-centraal (Botrange is écht niet te doen met het OV, organisatie. Zet dat de volgende keer duidelijker op de flyer, dat mensen moeten rekenen op een bus die eens in de twee uur rijdt, en dat liften eigenlijk je enige optie is in dat deel van het land. Of een dag eerder komen en er gewoon een ruim kampeerweekend van maken of iets dergelijks.) belandde ik er dan toch, en ik moet zeggen, ik heb me opperbest vermaakt. Leuke jonge mensen met tentjes, kampvuurtje, drank, muziek, ambiance, meer moet dat niet zijn. Veenmugjes, ecologisch pissen in een diep gat, en bier halen met zuipkaarten. Natuurlijk, de organisatie was veel improvisatie, want het programma moest zo ongeveer doorlopend op de schop (ik benijd de stage manager niet) en ook een aantal acts kwamen geloof ik niet opdagen. Waaronder… de twee andere dichters die zouden komen.

Aldus was ik ineens de enige dichter op het programma, maar ja, het publiek had zelfs bij mijn relatief korte act maar nét genoeg geduld. Het hielp ook veel dat Gentse maat (en lid van de Wolven van la Mancha) Marlon Van Steelant bijsprong en me muzikaal begeleidde. Wat best ok klonk (misschien moeten we dat nog eens een keer doen. Maar dan eerst wat repeteren denk ik.) Wel zie je duidelijk op het filmpje dat ik enkel de aandacht net voor de toren wist te vangen, aan de andere kant van het vuur interesseerde het eigenlijk niemand. En dat was bij méér dichters waarschijnlijk nog erger geweest. Dus het was waarschijnlijk beter zo. Ik vond het leuk, Botrange – thanks for having me !

Genoeg gezwamd, want de capriolen die ik heb moeten uithalen om terug in Tilburg te komen, interesseren jullie toch niet. Filmpje !

P.S. Voor de fans van Frank Tilemans, ik had toestemming om ook één gedicht van hem voor te dragen. De oplettende luisteraar zal dus ook zijn werk even horen passeren.

Het Meer

Heb ik al gezegd dat ik van het IJsselmeer hou?

 Een paar jaar geleden zag ik bij de lijstenmaker een klein schilderij hangen, van drie platbodems op een stukje open water. ‘Het IJsselmeer,’ zei ik. ‘Dat is beslist het IJsselmeer.’ De ambachtsman was daar niet van onder de indruk, het kon wel duizenden plassen zijn, je zag immers geen kustlijn die een aanwijzing kon geven. Maar ik was zeker van mijn zaak en kocht het vergezicht. Eenmaal thuis zocht ik de schilder op. Hij bleek een Edammer te zijn. Ik had het op de kilometer na geraden, zuiver afgaande op de kleur en het patroon van het water.

Soms, heel soms, kun je in de stad het IJsselmeer ruiken. Na een dag zwoegen zit je op je balkonnetje te chillen en opeens komt het je neusgaten in: de geur van Het Meer. Modderig, fris, ruig en lekker. Het kribbelt aan je ziel; eventjes voel je je vrij, ver van de stadsneurose.

Vandaag heb ik afscheid genomen van Het Meer. Morgen vertrekken wij. Ik moest nog even in mijn eentje de dijk op, turen naar de einder. Tegen zessen, dat is het beste. Als ik vaar ben ik meestal de enige allochtone, in een verder 100% Nederlands-Nederlandse vaarnatie. Ik weet dus dat er elke dag stipt om zes uur massaal gegeten wordt. Het IJsselmeer ligt er dan verlaten bij.

 Ik tuur. Een prachtige aak (lange platbodem, 2 masten, bovenhelft wit geverfd, onderkant monumentengroen) vaart rustig  in de verte voorbij, haar twee masten onbetuigd. Op de motor dus, terwijl ze wind mee hebben. Zouden er gaten in de bemanning zijn gevallen?

Verderop naar rechts, op een uitstulping van de dijk, een plukje schapen, als een pukkel op een heksenneus. Ik blèr naar ze toe – ze kennen me immers, als ik bij het ochtendgloren de dijk opkom word ik steevast door elk van hen begroet. Nu zijn ze te ver, ze horen me niet.

 Het meer golft flink onder de noordenwind. Ze heeft stroken van verschillende kleuren: petrolblauw op moddergroen. Op de rug van elke golf strooit de zon met duizenden stukjes spiegels, die puntig in mijn ogen schijnen.

Heb ik gezegd dat ik van het IJsselmeer hou? Vandaag leek mijn liefde zo groot, dat Het Meer van mij werd.

Myristica Fragrans

Uit: Een broekzak vol rijst, ongewone verhalen uit Indonesië
Auteur: Theo Wilton van Reede

Norbert had iets met nootmuskaat. Als kind al, in Holland. Als zijn moeder kookte, wilde hij er bij zijn als het grote moment daar was. Het moment waarom zijn moeder het potje met de magische bolletjes pakte en haar rasp. Het moment waarop zij nootmuskaat verdeelde over haar sudderlapjes, haar bloemkool of haar tomatensoep. Die geur… oh, die geur….
Hij kreeg er een welhaast mystieke binding mee, met die geur. Op zijn kleine houten zolderkamertje, op de plank naast zijn bed, had hij altijd wat van die noten liggen. Hij liet ze door zijn handen rollen, knikkerde er mee, speelde winkeltje en droomde van verre reizen. Dat hij op een schip mee voer als nootmuskaatkoopman, met een zwaard en een pistool aan zijn gordel, zo’n oud pistool waar maar één kogel in ging.

Hij moest immers zijn belangen verdedigen op zo’n eiland van palmen en witte stranden met ruige branding. Dat eiland van beschilderde inboorlingen die blij waren dat ze hun magische bolletjes konden ruilen tegen de rasp en de houten pollepels die hij had meegenomen uit de keuken van zijn moeder.
De Scheepsjongen van Bontekoe had hij verslonden en de Muiterij op de Bounty en Toontje Poland. De bladzijden sloeg hij om met een noot in zijn van spanning vochtige hand. De noot begon dan steeds sterker te geuren en de scheepsjongen, de muiters en Toontje raakten doorwasemd van de nootmuskaat.

Het was zijn leven gaan bepalen. Op de middelbare school hadden zijn klasgenoten hem vreemd gevonden. Dat was niet alleen omdat hij naar nootmuskaat rook, met een noot in zijn zak en nootmuskaat als broodbeleg, het kwam meer omdat hij in een andere wereld leek te leven.
Bij scheikunde had hij meer interesse in de organische verbinding van nootmuskaat dan in H2O. Bij biologie deden baarmoeders hem weinig maar kon hij lyrisch worden over de voortplanting van de nootmuskaat. Bij aardrijkskunde wist hij niet waar Granada lag maar wel dat Indonesië er mee moest concurrereen waar het nootmuskaat betrof. En bij geschiedenis leken de koloniale oorlogen meer om de noten te draaien dan om de knikkers.
Kortom, hij werd fanaat.

Even had hij het met een studie in Wageningen geprobeerd doch hij merkte alras dat het wel en wee van de nootmuskaatboom niet hoog scoorde in het totale onderwijspakket. Hij hield het er voor gezien.
Hij keek nog wat rond ind e wereld van im- en export, ontwierp achter zijn bureau nootmuskaatreizen waarmee hij in de reiswereld weinig waardering oogstte, schreef een boekje over nootmuskaat dat geen uitgever wilde publiceren en maakte zelfs een soort ganzebord waarin het wemelde van schimmels en andere rampen maar waarbij de winnaar het monopolie van de nootmuskaathandel kon verwerven.

Norbert besloot het anders aan te pakken. Hij leefde zuinig, legde van zijn uitkering het nodige opzij, kluste zwart bij in een Indische toko op de markt, waarbij hij iedereen meer nootmuskaat aansmeerde dan men bestelde, en vroeg aan zijn familie geld voor zijn eenentwintigste verjaardag.
Norbert ging naar Indonesië.
Oorspronkelijk had het plan bij hem postgevat daar een nootmuskaatplantage te beginnen. Later had hij zichzelf meer gezien als adviserend deskundige, rondstappend in een mooi wit pak-met-tropenhelm temidden van arme nootmuskaatboeren die erg gelukkig waren dat hij er was om hen te helpen.

Toen het vliegtuig Jakarta naderde en hij uit het raampje keek, zag hij, niet meer zo diep onder zich, sawah’s en bosjes. Groen, veel groen, met kleine rode daken er tussen. Hij was er van overtuigd dat dat de huisjes waren van de nootmuskaatboeren.

Jakarta viel hem daarom wat tegen; veel verkeer en weinig bomen, laat staan nootmuskaatbomen. Hij begreep echter wel dat nootmuskaatbomen, gevoelig als die zijn, in een drukke stad niet echt welig konden tieren. Hoewel een tikje ontdaan, liet hij zich dus niet uit het veld slaan.

Hij besprak zijn verlangen een nootmuskaatboom te zien met een taxichauffeur bij zijn hotel, een vrije jongen met halflang haar, die al snel geld rook alsmede statusverhoging in de desa van herkomst. Hij kwam uit de buurt van Tretes, een toeristenoord in de bergen, en wist dat toeristen soms eigenaardige wensen hebben ter vervulling waarvan ze goed betalen. Robby zou wel regelen dat Norbert snel zijn eerste nootmuskaatboom te zien kreeg. Op Java. En daarna, daarna zouden ze samen naar Banda gaan, in de Molukken, dat alleen maar uit nootmuskaat bestond …..

Norbert sliep heerlijk die nacht en droomde van noten die zo groot waren dat hij ze nauwelijks kon dragen en die een geur verspreidden, zo zwaar en zo heerlijk, dat Norbert nooit meer wakker wilde worden.

Veel geld en twee dagen later ontmoette Norbert zijn eerste nootmuskaatboom, ’s middags om half vier in een afgelegen hoek van een stille tuin.
Zijn handen streelden licht trillend de stam en de bladeren. Zijn mond bracht vreemde geluiden voort alsof hij de boom niet wilde laten schrikken van zijn van ontroering overstromende gemoed.
Vervolgens omarmde hij de boom langdurig en vooral intensief.
Tenslotte zette hij zich in lotuszit aan de voet van de boom, hem niet loslatend uit zijn blik.

Langzaam werd het donker en krekels begonnen te zingen. Robby had er genoeg van en probeerde hem mee te krijgen.
Maar Norbert wilde niet.
Op de vraag van Robby wat hij dan wel wilde, antwoordde Norbert slechts: “Food with nutmeg, much nutmeg, very much nutmeg.” En hij haalde een noot uit zijn zak waarop hij zacht begon te knabbelen.
Hoe men ook probeerde Norbert weg te krijgen van zijn boom, het mocht niet baten. Als men poogde hem aan te raken, sloeg Norbert, de goede, zachtmoedige en dromierige Norbert, wild om zich heen. Eten wilde hij nog wel, maar alleen dingen die van nootmuskaat of foelie waren gemaakt. Drinken wilde hij ook wel, maar alleen thee.
Als die thee werd gebracht, haalde Norbert langzaam en ritueel de rasp van zijn moeder tevoorschijn en raspte er veel nootmuskaat in.

De mensen begonnen hem te zien als een heilige of een geest, de vleesgeworden geest van de nootmuskaatboom. Ze begonnen hem offergaven te brengen die ze plaatsten tussen hem en de boom in.

Norbert vermagerde snel, kreeg grote, starende ogen en sprak in orakelen die niemand begreep. Maar ja, ze verstonden dan ook geen Nederlands, daar in die desa in de buurt van Tretes. Hallucinaties deden hem zweven ver, ver boven de nootmuskaatboom uit. Werelden van nootmuskaat zag hij, in allerlei vormen en kleuren: groen van de bladeren, rood van de foelie, bruin van de stam en de noot, blauw van de hemel, goud van de zon en zilver van de maan.
Zelf kleurde Norbert ook: zijn gelaat werd rood als foelie, zijn inmiddels blote bovenlijf bruin als nootmuskaat boven de rond zijn lendenen gewikkelde sarong.

En de geur die hij verspreidde; zo doordringend naar nootmuskaat had het in de desa nog nooit geroken.
Soms, zo beweerden de mensen, zweefde hij even boven de grond, vooral als het donker werd. Ze spraken er over met een diep, diep ontzag – Norbert was hun eigen nootmuskaatgeest geworden, een beschermer.

Niet lang daarna legde Norbert zijn lichaam definitief af, het lichaam dat er uit was gaan zien en rook als perkament dat van nootmuskaat was gemaakt.
De dorpelingen begroeven het aan de voet van de boom, eerbiedig en ritueel, en hielden op de daartoe vastgestelde dagen selamatans.

De boom liet eenmaal per jaar, op de dag dat Norbert een met hem was geworden, al zijn eenslachtige, tweehuizige bloemetjes tegelijk vallen op het graf en de desa geurde die dagen doordringend naar nootmuskaat. De dorpelingen aten dan zoete vruchtvleeslekkernij en dronken er thee bij die met behulp van Norberts rasp verrijkt werd met nootmuskaat.

De boom werd de grootste, de sterkste en de mooiste nootmuskaatboom van Indonesië en zo vruchtbaar dat de hele desa er voor altijd van kon leven.

toko: winkeltje
sawah: rijstveld
desa: plattelandsgehucht
food with nutmeg etc: eten met nootmuskaat, veel nootmuskaat
selamatan: gebedsdienst, besloten met gezamenlijke maaltijd; ceremoniële rijsttafel

De Ooi

De schapen op de dijk zijn van Cor, want die pacht de dijk. 

Ze waren eerst een kruising van twee soorten. Dit jaar is er een Zwarte Tesselaar als ram bijgehaald. De jonkies hebben opeens zwarte koppen.

‘Waarom doen ze dat?’ vraag ik de boer.
‘Het is goed voor het onen.’
Het onen, dat is het kalven van ooien.

Eén ooi blèrt onophoudelijk. Twee schapen wachten op haar een paar meters verderop. Zij heeft haar hoofd afgewend van deze groep en blèrt. Opeens komen er drie jonkies aansnellen, ze klimmen de dijk op en voegen zich naar het groepje. Je ziet dat het jonkies zijn aan hun zwarte koppen en aan de grootte van de uiers. Bij de oude generatie bungelen die vol van melk. De ooi blijft de andere kant op blèren, waar heel in de verte nog een plukje schapen grazen. Dan draait ze naar de wachtenden toe en zegt: ‘Ze komen niet, verdomme. Ik ga ze even halen.’ En vertrekt. Haar achterpoten steken als de magere beentjes van een dame op leeftijd uit een vieze bontjas.

De rest wacht en kijkt haar na. Op een gegeven moment beginnen ze weer te grazen, maar blijven wel op dezelfde plek, die ze immers heeft aangewezen. Zij loopt wat sneller dan normaal naar de andere kant van de dijk toe. Ergens op driekwart blijft ze steken. Ze roept iets wat wij, noch haar volgelingen, kunnen verstaan. Iets later zien we haar grazen. Haar groepje wacht nog steeds, bij elkaar. Ze durven nog niet weg te lopen, maar gaan dat straks zeker doen. Zij is ze volkomen vergeten. Dat vinden zij helemaal niet erg.

Hoe heerlijk is het bestaan van het schaap.

Venlo

Uit: Een broekzak vol rijst, ongewone verhalen uit Indonesië
Auteur: Theo Wilton van Reede

Lieve Ouders,

Wij Balinezen zijn slechte briefschrijvers, gewend als wij zijn aan mondelinge overdracht en vertelkunst. Maar jullie hebben geen telefoon, ik heb geen geld en bovendien ben ik niet gewend aan zo’n apparaat. Omdat ik jullie toch wil laten weten hoe het mij vergaat, doe ik nu een poging tot het schrijven van een brief.

Toen ik te horen kreeg dat onze hele groep een maand naar Holland zou gaan, was ik erg opgewonden. Ik kon het eigenlijk niet begrijpen en daarom schrok ik er ook wel een beetje van. Hoe moest het met school en met het werk op het land?
Ik heb in de pura speciaal aan Ganesha geofferd om zo om wijsheid te vragen.
Het is maar geluk dat wij, de mensen van desa Batuan, als groep leven en samen het land bewerken.

Het was een spannende tijd, die weken voordat we vertrokken.
En veel drukker dan wij gewend zijn; ’s ochtends werken op het land en naar school, ’s middags ons hele gamelan-instrumentarium opnieuw schilderen, helpen met de decors en het naaien van de kleding van de dansers en danseressen en dan ook nog repeteren en ’s avonds de voorstellingen in de hotels.
Iedereen wilde in Holland bijverdienen en was ook nog bezig met het maken van schilderijen, maskers, fluiten, goudbedrukte sarongs of wat dan ook om die daar te kunnen verkopen.
Enfin, jullie hebben het zelf allemaal meegemaakt.
Eigenlijk zijn we maar een raar dorp – iedereen is boer en kunstenaar tegelijkertijd.

Wat was het een gedoe om voor iedereen uitreisvisa te krijgen en kleding. Bijna niemand van ons had een nette broek of shirt. We waren blij dat we die van onze sponsor kregen. Toen we bij Bapak Gubernur kwamen om een toespraak aan te horen, zagen we er in ieder geval netjes uit: allemaal in zwarte broek met geelbruin batikshirt.
Het was een mooie toespraak trouwens. Hij zei dat wij Indonesia vertegenwoordigden en dat we ambassadeurs waren en dat we ons netjes moesten gedragen. Hij wenste ons veel succes. Daarna kregen we allemaal een glas limonade.

We konden ons van Holland niets voorstellen. De meesten van ons waren zelfs nooit op Java geweest. En dan nu zo ver… We praatten er veel over maar eigenlijk konden we net zo goed over de maan fantaseren. Er lagen in het huis van de kepala desa wel bladen over Holland. Met foto’s. Die vonden we wel vreemd.
Er waren foto’s bij van heel grote sawahs. Maar het was ons niet duidelijk wat daarop groeide: er waren lange banen rood en geel en blauw. Op andere foto’s stonden witte sawahs.
Er waren foto’s van Amsterdam, maar ook die plaatjes waren vreemd voor ons. De huizen zien er daar zo anders uit en er reed een trein door de straat. Er is daar ook veel water. Er stond een boot op die veel groter leek dan onze vissersboten maar veel kleiner dan onze vrachtschepen.
We praatten er langdurig over, dat maakte het wel spannend.

Toen we in Denpasar op het vliegtuig stapten, waren we nerveus. Er klopte van alles niet met de kisten waarin het instrumentarium, de decors en de danskleding zaten. Uiteindelijk vertrokken we vijf uur te laat.
Die vlucht naar Holland ging wel goed. Sommigen waren misselijk en hebben overgegeven in zakjes. We durfden niet naar de WC omdat we niet begrepen hoe die werkte. Ik heb bijna aldoor geslapen.

Het vliegveld in Holland is erg groot, veel groter dan op Bali. Je kunt er makkelijk verdwalen, zodat we met zijn vijftigen maar heel dicht bij elkaar bleven. Op dat vliegveld zijn bewegende straten. Je kunt er op gaan staan en dan hoef je niet te lopen. Ketut en Nyoman zijn er wel op gesprongen maar wij durfden niet. Wij zijn gewoon gaan lopen.
Ze zeggen dat het in Holland in juni warm is, maar wij hadden het al erg koud gekregen van dat stuk lopen naar de bussen. Ik zag dat de mensen in Holland een jas droegen, maar wij hebben geen jas. Alleen Ketut en Nyoman hebben een leren jack. Die hebben ook een zonnebril.
Ik moest erg naar de WC, maar ik durfde nog steeds niet. Weten jullie dat de bussen in Holland een WC hebben? Ik vind het een raar idee dat een bus dat allemaal meeneemt. Wat zouden ze er mee doen? Op het land gooien?

We gingen met de bus meteen van Amsterdam naar Venlo. Ze zeiden dat dat ver was, maar dat vond ik wel mee vallen. Weten jullie dat Holland heel klein is? Zo groot als Bali, zeggen ze hier. Ik begreep daar niets van want als Holland zo klein is, hoe kon het dan vroeger zo machtig zijn geweest?
De wegen hier zijn heel anders dan bij ons. Allemaal recht en breed. Heel breed. Ik raakte er duizelig van. Ze rijden hier aan de rechterkant van de weg en dan wel met drie bussen naast elkaar in dezelfde richting. En zo snel….. het leek wel alsof we in een vliegtuig zaten. Misschien komt het doordat hier geen bergen zijn. Bij ons zijn de wegen smal en ze kronkelen, dalen en stijgen. Maar hier niet.
Holland is erg groen. We zagen veel sawahs. Er stonden vaak buffels in, bijna allemaal zwart met wit. En ook dieren die op geiten leken, maar dikker en met veel meer haar. Ze waren grijs. Sawahs zoals op die foto’s, wit of met banen in kleuren, heb ik niet gezien.

Ketut en Nyoman vonden alles prachtig. Ze hadden hun jacks aan en hun zonnebrillen op en deden erg stoer tegen de meisjes uit de groep. Ik moest er wel om lachen. We hebben ook zo’n rare groep; de oudste is zevenenvijftig en ik ben zestien.
De jongsten sliepen steeds in de bus, dwars door de uitleg van onze gids heen. Die zegt trouwens dat mijn naam in Holland ‘Benjamin’ moet zijn. Omdat ik de jongste ben.

We waren eerder in Venlo dan we dachten. Ik was zelf ook weer ingedommeld; dan voelde ik niet zo erg hoe nodig ik naar de WC moest.
Wat een schok toen de bus stopte en we onze ogen open deden: we waren omringd door militairen met stenguns! Daarachter hoge hekken met prikkeldraad!
Weten jullie waar wij een maand lang moeten blijven? In een kazerne….. achter prikkeldraad.
Dat had de directeur van de schouwburg in Venlo geregeld. Die had ons naar Nederland gehaald.
Wij Balinezen zijn helemaal niet dol op militairen en ik denk dat de andere Indonesiërs dat ook niet zijn. Wij houden niet van oorlog. En nu zaten we er ineens midden tussenin. Ik was angstig. Heel angstig. Ik wist niet wat er gebeurde en ik moest nodig naar de WC. Zelfs Ketut en Nyoman waren stil.

Lang heeft onze bus niet stil gestaan. We reden het terrein op en stopten bij een grote barak. Daar mochten we er uit. We moesten meteen naar binnen.
Toen we het gebouw in liepen, zagen we ineens een grote WC: een hele rij witte bakken. Toen bleek dat de anderen ook zo nodig moesten. Allemaal samen durfden we wel. We stonden in een lange rij naast elkaar en moesten om die situatie erg lachen. Ketut en Nyoman hadden al weer veel plezier en maakten rare opmerkingen.
Even later werden we ontvangen in een paar grote zalen die in elkaar overliepen. In de ene zaal was een soort toonbank met pompen. Daar kon je bier krijgen. In de andere stonden spelletjes. Er was een voetbalspel op een tafel en er waren machines waar je geld in moest gooien. We begrepen niet wat daarvan de bedoeling was. Wij vonden het jammer van dat geld. Je kon er ook biljarten. Dan moet je met stokken tegen een bal aan tikken. We werden door een Belanda toegesproken maar Ketut en Nyoman begonnen met die stokken en die ballen. Maar die ballen wilden niet op de tafel blijven liggen als ze er tegen prikten.

De toespraak duurde gelukkig niet lang. Ze legden uit dat we in een kazerne waren en dat we niet zomaar in en uit konden lopen. Daar moesten we een pas voor laten maken. En als we bezoek kregen dan moest dat bezoek ook iets moeilijks doen. Ik begreep niet wat, maar niet iedereen mocht bij ons komen. We vonden het maar raar en voelden ons opgesloten.
In een kamer vlakbij konden we eten. Indonesisch zeiden ze.
Dat werd klaar gemaakt door orang Indo-Belanda. Die moest de hele maand voor ons koken.
Maar bijna niemand had honger. Het eten was trouwens Javaans. Wij, als hindoe, konden dus niet alles eten omdat er veel sapi bij was. Ik heb een stukje gebraden kip en witte rijst met sambal gegeten.

Daarna brachten ze ons naar onze kamers. Sommige waren groot, andere klein. We konden zelf kiezen waar we wilden slapen. Omdat ik altijd erg om Ketut en Nyoman moet lachen en omdat ze bijna alles durven, ben ik bij hen op de kamer gegaan, samen met Pak D. Die is wel oud maar nog ondeugend.
Jullie weten dat ik altijd de goden alle eer wil geven, dus liet ik Ketut vragen aan welke kant het westen was. De bedden stonden langs de kanten met het hoofdeind in verschillende richtingen. En wij moeten met ons hoofd naar het westen slapen.
Toen we de bedden in de goede richting hadden gezet, kwam er een militaire meneer. Die leek een beetje boos en zei dat dat zo niet kon. Die meneer sprak het Bahasa Malayu van vroeger.
Ik verstond hem niet goed. En mijn Indonesisch is natuurlijk niet zo goed als mijn Balinees.
We begrepen dat we konden verbranden als de bedden zo bleven staan. We hebben toen maar ‘Ya, Tuan‘ gezegd en de bedden teruggeplaatst. Maar ’s avonds laat, toen die meneer er niet meer was, hebben we de matrassen op de grond gelegd met het hoofdeind in de goede richting. Zo op de grond lag het toch veel lekkerder. Wij zijn nu eenmaal geen bedden gewend.
We zijn niet verbrand.

Ik heb de eerste nacht niet goed geslapen. Ik was bang en moest weer naar de WC. Maar ik durfde niet alleen te gaan, ’s nachts in zo’n groot gebouw.
Ketut, Nyoman en Pak D. sliepen, dat kon ik horen, en ik wilde ze niet wakker maken.
Het was zo raar stil. Weten jullie dat Holland ’s nachts helemaal stil is? Ik kreeg er pijn van in mijn oren.
In de desa hoor je ’s nachts de kikkers en de krekels, de gekko en de honden, er zijn vogelgeluiden en soms dansen de muggen rond je oren.
Maar hier….. helemaal niets. Het was oorverdovend. En griezelig. Net of Holland dood was.
De zon doet hier ook raar. Weten jullie dat die niet altijd op dezelfde tijd opstaat of gaat slapen?
Bij ons staat ze elke dag op om zes uur en gaat ook om zes uur slapen. Maar hier, zeggen ze, staat de zon in januari op om negen uur en gaat om vier uur slapen. En in juli staat ze om vier uur op en gaat ze om tien uur slapen. Ze probeerden ons dat uit te leggen, maar zelfs Ketut en Nyoman begrepen het niet.
“Susah“, zei Ketut, “Mata hari gila disini!“
Ik heb wel begrepen dat het het koude seizoen is als de zon veel slaapt.
Maar ik heb het nu al zo koud en ik kan niet begrijpen hoe dan het koude seizoen is.

Omdat wij altijd baden voordat de zon opkomt, waren we heel vroeg wakker.
Met zijn vieren zijn we op onderzoek gegaan, want we wisten niet hoe en waar we moesten baden.
We kwamen een jonge Hollandse militair tegen die erg vriendelijk tegen ons was. We maakten wasbewegingen tegen hem.
“Oh,” zei hij, “dusyen, dusyen, dèèr, hir.” Hij bracht ons naar een zaal met allemaal kamertjes er in. Van één kamer deed hij de deur open en zei weer: “Dèèr!”. En toen ‘good morning’ en toen was hij weg.

Daar stonden we. We zijn in dat kamertje gaan kijken. Er waren een paar buizen en kranen. We zagen dat een kraan blauw was en een kraan rood. Ketut draaide aan de blauwe om te kijken wat er gebeurde. Ineens kwam er heel veel koud water over ons hoofd. We schrokken daar vreselijk van en deinsden achteruit waarbij we over Pak D. heen struikelden. Daar moesten we erg om lachen. Dat koude water bleef maar stromen. Wij zeiden drijfnat tegen Ketut dat hij die kraan had open gedraaid en dat hij die daarom ook dicht moest doen.
“Dat is goed,” zei Ketut, “maar dan ga ik eerst mijn leren jack halen.”
Even later was hij terug en met zijn jack aan heeft hij die kraan dichtgedraaid. We hadden veel plezier. Ketut zij dat het nu Nyomans beurt was. Dat hij aan de rode kraan moest draaien.
“Dat is goed,” zei Nyoman, “maar dan wil ik jouw jack aan.”
Inmiddels waren er ook anderen van onze groep bij komen staan. Iedereen praatte door elkaar en gaf advies.
Toen heeft Nyoman de rode kraan opengedraaid, heel vlug, terwijl hij meteen naar achteren sprong.
Er kwam een kleine straal lauw water uit. Dat was goed. Nyoman maakte er een voorstelling van en ging met zijn broek en jack aan onder dat straaltje staan. En deed zeep onder de oksels van het jack. Maar dat straaltje werd een straal en ineens was het kokend heet. Nyoman gaf een gil en dook midden tussen ons in.
Hij ging op de grond liggen wentelen in al dat water dat daar al lag. Hij kronkelde en maakte geluiden als een van onze tempelapen. Hij riep alsmaar dat zijn ogen verbrand waren en dat hij nu geen witte vrouwen meer kon zien en dat zijn lippen verbrand waren en dat hij nu geen witte vrouwen meer kon zoenen.
En hij hield zijn beide handen tussen zijn benen en riep dat wat daar zat niet mocht verbranden omdat hij dan geen witte vrouwen meer kon….., jullie begrijpen het wel.
De tranen liepen over onze wangen van het lachen. Iedereen maakte lawaai. Die akelige eerste nacht waren we al helemaal vergeten.
Uiteindelijk zijn we met z’n allen onder die dusyen gegaan. We konden met elkaar praten omdat er geen dak op die kamertjes zat. Niemand wilde kokend water over zich heen dus we hebben de blauwe kraan een beetje open gezet en toen geprobeerd ons te wassen.
Het gaat wel heel anders dan bij ons en ik miste onze grote waterbak met het schepemmertje waarmee je veel water over je heen kunt gooien.

Die ochtend kregen we een Hollands ontbijt. Ze wilden ons laten zien wat de mensen hier eten. Er was brood, kaas, boter, eieren, dunne plakjes van iets dat later vlees bleek te zijn en jam en melk en koffie.
Maar wij hindoes eten niets dat van een sapi komt omdat die heilig is. Dus wij raakten de boter en de kaas niet aan. Hoe dat met het vlees zat, was ons niet duidelijk, maar om geen fouten te maken, hebben we dat ook niet gegeten. Brood lust niemand. Dus we hebben die ochtend alleen een ei met zwarte koffie genomen. We vonden dat niet erg. De mensen die ons hier helpen, zijn allemaal erg aardig.

Ondertussen was ik al meer dan twee dagen niet voor een grote boodschap naar de WC gegaan. Dat kwam doordat wij niet weten hoe dat hier moet. Bij ons moet je immers jongkok en heb en heb je altijd veel water bij de hand. Maar hier kun je niet jongkok want er is alleen een grote, hoge bak. En papier in plaats van water. Ik vond dat vies.
Ik vroeg een beetje blozend aan Ketut en Nyoman hoe zij het deden. Die begonnen mij te plagen en zeiden dat ik een maand lang niet naar de WC kon gaan en dat zij dat ook niet deden. Ik wist niet goed of ik ze moest geloven, want ze hadden al bier gedronken uit die pomp.
Pak D. hoorde ze plagen. Hij was al eerder met onze groep in Holland geweest en wist hoe het moest. hij zei dat het de bedoeling was dat je op die bak gaat zitten. Maar dat hij een beetje deed zoals thuis: hij kleedde zich uit en ging dan jongkok op die bak. Aan de militairen had hij om een lege fles gevraagd. Die vulde hij in die dusyen met water uit de blauwe kraan. Dat ging allemaal goed. Ik vond het maar griezelig en besloot mijn bezoek aan de WC nog wat uit te stellen. Maar ’s middags, terwijl ik goed oplette of ik helemaal alleen was daar, heb ik het toch geprobeerd. Nu kan ik het ook. Ik ben daar een beetje trots op, gek he? Net of ik nu ook een beetje een Hollander ben.

Nu ik toch over dit soort dingen schrijf: er is nog iets dat ik een beetje vies vind en niet goed begrijp. Ik ben in het vliegtuig verkouden geworden, pilik. Ik moet dus aldoor mijn neus snuiten. Dat deed ik zoals wij dat in Indonesia gewend zijn: naar buiten lopen en dan je neusgaten een voor een op de grond leegspuiten. Maar toen ik dat hier deed, kwam er net een peleton soldaten langs gemarcheerd en die keken mij zo raar aan. ik werd er verlegen van en dacht dat dat met mijn neus te maken had. Toen heb ik eens opgelet wat de Hollanders doen. Weet je wat?
Die hebben een doekje. Daar doen ze hun snot in en dan bewaren ze dat in hun broekzak! Vies hè? En weet je wat de vrouwen hier doen? Die doen het ook in zo’n doekje en bewaren dat in hun tasje!
Ik wil dat niet en daarom loop ik nu naar een paar struiken vlak bij de ingang en als er niemand kijkt doe ik het daarachter. ’s Nachts doe ik het gewoon uit het raam. Ketut en Nyoman en Pak D. doen dat ook.

Pak D. had die ochtend aan een orang Indo-Belanda uitgelegd dat we hindoes zijn en dat we dus geen sapi eten. Die mensen begrepen dat meteen. Maar ze moesten toen andere boodschappen doen en varkensvlees kopen en zo. Daarom kregen we voor middageten weer Hollands eten. Reepjes kentang goreng, dat noemen ze hier pattat priet. We vonden het allemaal erg lekker. Er was weer kip bij en saus. We hebben lekker gegeten.
’s Middags zijn we met een groep en twee gidsen Venlo gaan bekijken. De kazerne ligt aan de ene kant van een rivier en de stad aan de andere kant. Je kunt zo een brug over, dus het is niet ver.
We hebben vaak gelachen want er is zo veel te zien en zo veel dat we niet begrijpen. Af en toe doen we alsof we het wel begrijpen; dan bedenken we zelf een uitleg.
Bijvoorbeeld als we etalages bekijken. We hebben bij een slagerij binnen gekeken. Aduh, je moet naar de universiteit geweest zijn om te begrijpen hoe dat hier gaat met dat vlees. Ketut en Nyoman hadden van Pak D. een camera geleend en hebben er foto’s van genomen. Ze hadden veel plezier en vroegen, met hun neus net om de deur: “Foto? Foto?”
Ze durfden daar wel, want tegen het raam hing een poster met onze groep er op.
De mensen in die winkel hadden allemaal witte jassen aan. Het was net een ziekenhuis. Ze moesten ook om Ketut en Nyoman lachen en vonden het best, die foto’s. De baas van die winkel maakte duidelijk dat hij best een foto van Ketut en Nyoman wilde maken met de meisjes er op die in de winkel werkten.
Toen hij indrukte gaven Ketut en Nyoman die meisjes snel een kusje. We stonden er door het raam met z’n allen naar te kijken.
De klanten moesten er ook om lachen. Het was ook zo’n raar gezicht. Een beetje zwart-wit eigenlijk. Al de mensen hier zijn wit en deze hadden ook nog witte jassen aan. Ketut en Nyoman zijn donker; zwart haar, zwart jack, zwarte zonnebril.
Alles wit en twee zwart. Het leek wel schaken.

Even later heb ik voor het eerst in mijn leven een trein gezien. Ik vond het heel spannend. Toen onze gidsen dat merkten zijn we het perron op gegaan. Ketut en Nyoman wilden dat de trein bleef wachten tot er een foto van hen bij die trein gemaakt was. Maar onze gidsen wilden daar niet bij helpen. Jammer, een andere keer dan maar.
En we zijn op een trap geweest net als die bewegende straat, maar dan omhoog. Je gaat op de eerste tree staan en dan hoef je niet meer te lopen totdat je boven bent. We durfden er eerst niet op en bleven onderaan staan. Maar toen moesten we er wel op want de Hollandse mensen achter ons werden een beetje ongeduldig. Uiteindelijk sprongen we er met z’n drieën tegelijk op. Dat hadden we beter niet kunnen doen, want we struikelden natuurlijk. Nou ja, in ieder geval weten we nu hoe het moet. Zo goed dat we er een spelletje van hebben gemaakt.

Ketut en Nyoman zijn wel brutaal. De mensen hier hebben grote, mooie motoren. Helemaal blinkend. Telkens als we langs zo’n geparkeerde motor kwamen, gingen ze er bovenop zitten en dan moest ik een foto maken.
Ketut leek wel Michael Jackson, met z’n lange haren, z’n zonnebril en z’n zwarte jack op die motor.

We hebben ook nog iets gedaan wat ze hier ‘uit de muur eten’ noemen.
Er staat een muur met allemaal vakjes met raampjes er in. Achter die muur wordt gekookt en als dat eten klaar is wordt het in zo’n vakje gedaan. Dan moet je geld in een gleuf doen en dan zegt het ‘klik’ en kun je het raampje open doen.
Omdat wij nog geen Hollands geld hadden, deden onze gidsen voor hoe het moest. Er zit ook eten in dat uit Indonesia komt, zeiden ze. Dat noemen ze een bola nasi. Het is nasi goreng die ze tot ballen draaien met meel eromheen en dan opnieuw bakken. De nasi goreng smaakt hier anders dan bij ons. Er zit volgens mij geen ketjap in en geen knoflook. Ze hadden ook bola mie. Ik vond het toch wel een beetje lekker.

Ik denk dat de Hollanders allemaal erg rijk zijn. Alles is hier mooi en duur en nieuw. Iedereen heeft fietsen en auto’s en motors. Ze hebben ook veel geld om te eten, want ze zijn allemaal veel dikker dan wij. Ook op straat lopen ze vaak te eten.
Ze hebben ook allemaal mooie kleren en vaak hebben ze zonnebrillen op. En ze zitten op straten en pleinen aan tafels allemaal bier te drinken. Ik begrijp niet dat ze niet aldoor dronken zijn.
Ketut en Nyoman zijn er gewoon tussen gaan zitten. Wij bleven op een afstand staan kijken. Toen de bediende kwam vragen wat ze wilden zeiden ze “Bier. Bier.” Want bier is gewoon bier in het Hollands. Alleen schrijf je het anders. Met een e er bij.
Maar die bediende vroeg nog van alles wat Ketut en Nyoman weer niet begrepen. Die bleven ‘bier’ zeggen en wezen aan wat een Hollander dronk. Toen kregen ze heel grote glazen. Maar er was weer verwarring want ze moesten betalen en waren vergeten dat ze zelf geen geld hadden. onze gidsen hebben uiteindelijk betaald. Die zeiden dat het heel sterk bier was en dat dat bier setan heette.En dat Ketut en Nyoman dat wel zouden merken.
Dat klopte want ze werden helemaal duizelig. Of ze deden alsof.

’s Avonds hebben we goed gegeten. Er was nasi kuning, nasi goreng en nasi putih. Met twee soorten vlees en veel groente. En het was lekker pedas.
Ketut en Nyoman zijn gaan biljarten. De anderen zijn TV gaan kijken. Weet je dat ze hier wel 22 kanalen hebben!!?!! Uit allerlei landen. Maar wij kunnen er toch niets van verstaan, dus het maakt niet uit of we Duits of Nederlands horen. Wij kijken plaatjes. Er was een serie die wij ook op Bali kunnen zien: ‘Hill Street Bues’. Dat was leuk.
Later hoorde ik dat Ketut en Nyoman tot twee uur ’s nachts hebben zitten kijken want dat er een film blu was. Ik niet. Ik was heel vroeg naar bed gegaan, want ik was erg moe. Dat vond ik wel jammer. Ik heb nog nooit zo’n film gezien.
Ik vraag jullie vergeving dat ik dit zo schrijf. Jullie moeten niet denken dat ik slecht ben geworden op die paar dagen. Ik ben alleen maar nieuwsgierig. En u, vader, u hebt mij gezegd dat ik in Holland veel moest leren. Ik weet wel dat u dit niet bedoelde. Maar ik kijk om mij heen en dan denk ik: “Dat hoort bij jullie, niet bij mij.” Ik leer alleen de goede dingen, vader.
Maar wat Ketut en Nyoman mij vertelden over die film heeft me toch in verwarring gebracht.
Ik ben nog klein en heb nog geen ervaring. Maar ze zeiden dat ze in die films dingen doen die wij op Bali niet doen. En nu kijk ik ineens anders tegen de Hollandse vrouwen aan. Zo van: ‘Goh, doen jullie dat….?’ Ik wil dat niet leren. En plotseling dacht ik ineens ook weer aan dat WC papier en nu ben ik ineens een beetje bang van Hollandse vrouwen. En dat terwijl ik droomde dat ik hier misschien wel een Hollandse vrouw zou vinden die dan met mij meeging naar Bali. Dan moest ze wel hindoe worden natuurlijk.

Ook moest ik denken aan wat u vertelde over de Hollandse tijd op Bali, van 1906 tot 1942.
Dat de vrouwen bij ons gewoon met blote borsten liepen, zoals oma nog steeds doet. En dat dat van de Hollanders niet mocht. En dat wij dat nu niet meer doen maar de Hollanders op onze stranden nu weer wel.
Ik raak van die dingen in de war.
In de kazerne zijn gelukkig geen vrouwen. Alleen de meisjes uit onze groep en de Indische vrouwen die voor ons koken. Maar die begrijpen ons wel.
Ketut en Nyoman willen nu alsmaar Hollandse vrouwen hebben maar ik niet. Pak D. weet wel van die dingen. Hij zegt: “Kijken, luisteren en leren. Maar nooit met een Hollandse vrouw trouwen, dat geeft alleen maar susah, straks op Bali. En kasian, zo’n vrouw, die wordt misschien nooit gelukkig bij ons.”
Hij zegt ook dat wij nooit iets mogen veroordelen dat wij niet begrijpen. En dat Hollandse vrouwen heel flink zijn en dat alle Hollandse mensen altijd heel aardig tegen ons zijn en dat als Hollandse vrouwen vriendelijk tegen ons zijn dat ze daar niets mee bedoelen, zoals bij ons.
En dat Hollanders van Indonesische mensen houden en dat ze op zondag vaak nasi goreng eten en dat je hier Indonesische winkels hebt waar je van alles kunt kopen dat vers uit Indonesia komt en dat de straten hier vaak namen hebben van Indonesische eilanden. En dat ze veel geld betalen om ons naar Holland te halen en om onze voorstellingen te zien en zo te leren van onze cultuur. En dat wij daar respect voor moeten hebben.
En dat ik niet altijd naar Ketut en Nyoman moet luisteren omdat die alleen maar met hun andere hoofd denken. En hun hersenhoofd te weinig gebruiken.

Lieve ouders, ik ga deze brief afsluiten die ik in de avond van de tweede volle dag in Holland aan jullie heb geschreven. Het is al laat.
In gedachten omhels ik jullie en vraag de goden jullie te zegenen.
Wees gerust – er zal mij niets slechts overkomen.
Ik zal mooie cadeautjes mee brengen als ik terug kom.
Mijn liefde stuur ik nu al vast.

Jullie ‘Benjamin’.

pura: tempel
Ganesha: (de god met het hoofd van een olifant) de god van hen die naar wijsheid zoeken.
desa: dorpje
Bapak Gubernur: Vader Gouverneur: de gouverneur van Bali
batik: batikken: methode om weefsel te verven, waarbij telkens het gedeelte dat niet gekleurd moet worden met was wordt bedekt. Daarna wordt de stof in een verfbad gedaan.
kepala desa: dorpshoofd
orang Indo-Belanda: gemengbloedig: van Indonesisch-Nederlandse afkomst: Indische mensen. (vgl. Indo-Ingriss: Indonesisch-Engels gemengbloedig.) Belanda: Nederland(s) (van het Portugees: blanca)
sapi: koe of buffel
Bahasa Malayu: Maleis. Bahasa = taal
Ya, Tuan: ja, mijnheer.
Susah, mata hari gila disini:  Wat een gedoe, de zon is hier gek
dusyen, dusyen, dèèr, hir: douchen, douchen, there, here
jongkok: hurken
pilik: neusverkouden: loopneus
kentang goreng: gebakken aardappels
bola nasi: nasibal
setan: duivel. hier: Duvel (biersoort)
nasi kuning: gekruide, gele rijst
nasi putih: witte rijst
pedas: scherp
film blu: blue movie: pornofilm
susah: gedoe, trammelant
kasian: heb medelijden

De Boer

Het is een dag van grote hitte geweest (30 graden). Na het avondeten liep de boer in zijn blauwe overall het land op, ver op dat strookje. Met zijn lange magere benen klom hij over een hek alsof hij nog een jonkie was.

 Hij pakte een lange stok die tegen het hek leunde: een stok met een emmer eraan, om water uit de sloot te scheppen, voor de schapen. Een emmer van 10 liter. Hij ging vijf keer heen en weer tussen de sloot en de rode bak. Toen hij klaar was lag er 50 liter slootvocht klaar voor de volgende dag. Daar moesten 80 schapen het mee doen. Schapen drinken namelijk niet zo veel. En ze drinken slootwater dus. Had ik toch niet verwacht. Want slootwater is toch niet iets wat je je als drinkbaar voorstelt, al zijn het ‘maar’ schapen. Sloten hebben een dikke deken kroos, waar lucht noch licht doordringt. Het dekt een soort soep af, een bruinig iets dat vreselijk stinkt. Of stinkt het alleen als je roert? Dat moest ik toch een keer gaan verifiëren.

De boer had zojuist een controleur van het ministerie van landbouw over de vloer gehad. Die wou weten of hij een huurcontract op schrift had met de buurman verderop op wiens land zijn schapen af en toe graasden. ‘Waarom moet u dat weten?’ zei de boer terecht. ‘Als u dat niet heeft, dan dient u bij elke overplaatsing van uw dieren — elke keer dat u de schapen naar het weiland van de buurman brengt — een week van tevoren een vergunning aanvragen.’ De boer zijn mond was ervan open gezakt. Terwijl hij wel wat gewend was, wat onnodige regeltjes betreft. De week ervoor was er al zo’n ambtenaar, met een meetapparaatje in de hand, die kruipend in de wei het gras was komen meten. ‘Voor de ganzensubsidie,’ had hij er nog bij gezegd. De boer zou geld krijgen voor elke millimeter gras die de wilde ganzen van zijn akkers hadden gesnoept.

Daar moest hij het tegenwoordig van hebben: milieusubsidies. Want van het boeren kwam je met fatsoen niet meer rond. Het leek wel een complot van hogerhand. Alles wat hij boerde werd streng aangepakt en zwaar belast, maar als hij de natuur een handje hielp dan kreeg hij daar wat voor. Ook niet veel, maar toch. Het zette hem aan het denken. Zijn koeienstapel had hij jaren geleden al verkocht, vanwege het mestquotum dat niet meer op te hoesten was. Nu had hij maar wat schapen, die hij aan de straatstenen niet kwijt raakte: wol kwam uit Australië en schapenmelk bliefden Nederlanders niet. Alleen aan het vlees kon hij nog een stuiver verdienen. Meer een tijdrovende hobby dan een volwaardige baan, zou je kunnen zeggen.

Op de weg terug sprong hij even over de sloot naar de reep weiland ernaast, die aan een andere boer toebehoorde. Bij de terugsprong zag je dat hij een kievietsnest onder zijn arm klemhield, als een kostbare schat die zeker niet in het water mocht vallen. Hij plaatste het nest op zijn land, tussen het gras. ‘Zo,’ dacht hij tevree, ‘weer 150 euri binnen.’ De ouders zouden de eieren wel weer vinden, dacht hij. Hij had het al zo vaak gedaan.

Fluitend koerste hij met rasse stappen naar zijn stulpje. Tijd voor een bakkie en een tukkie, zo in zijn luie stoel. Gelukkig was het onenseizoen voorbij. Dan was hij de hele nacht in de weer met het verlossen van de lammetjes. Nu moest hij alleen nog maar straks de late avondronde doen.

Het Offer

Uit: Een broekzak vol rijst, ongewone verhalen uit Indonesië
Auteur: Theo Wilton van Reede

Dit boek is vanaf heden te bestellen via onze webshop.

Bijna twee maanden was hij nu op Java, de oude, magere Hollan­der. Zijn gelaat was al ingevallen, hetgeen zijn spitse neus nog sterker deed doen uitkomen. Zijn weinige, zilveren haren waren kort gehouden en lagen dicht tegen zijn hoofd­huid. Hij maakte een verzorgde indruk; zijn pantalon altijd in de vouw, zijn shirt gestreken, zijn schoenen gepoetst. Zijn lichaam was nog even vitaal als zijn geest.

Hij was op Java geboren in de tijd dat het nog Hollands gebied was. Op de theeplantage van zijn vader had hij een onbezorgde jeugd doorgebracht. Met de natuur had hij altijd een specia­le band gehad. Met de desajon­gens, zijn vriendjes uit het dorp, was hij op pad geweest, had met hen in de kali gevist en gezwommen, donkere bospaden beklommen, hoog tegen de bergen op, en hij had van de perku­tut’s meer genoten wanneer zij vrij koerden dan wanneer ze in een kooitje zaten. Hij kende de planten en hun functies en had ’s nachts ogen gehad als van een uil gehad en radar als van een vleer­muis.

Hij was in de stad naar school gegaan, waarbij het leren hem makkelijk afging. Omdat hij op het gymnasium, zo tussen al die witte klasgenootjes, zijn speelkameraadjes uit de desa miste, was hij rechten gaan studeren: inlands recht. Zo hield hij de band vast met de echte Indonesiërs, meende hij. Niet dat hij zichzelf veel anders zag. Voor hem was hij iemand van het land. Slechts zijn huidskleur verschilde van die van de meerderheid.

Terwijl hij zich voorbereidde op zijn afstuderen, waren de Japanners binnengevallen. Dat die Japanners hem niet zagen als iemand van het land maar als een overheerser, was een immense schok voor hem geweest. De jaren die volgden, in een concentra­tiekamp, hadden hem steeds meer van zijn stuk gebracht. Dat kwam niet doordat hij als dwangarbeider dagen­lang in de felle zon zwaar werk verrichtte of leed aan ziekten en honger. Nee, het kwam meer door de avondlijke gesprekken met zijn lotgeno­ten.

Steeds duidelijker was het hem geworden dat hij erg van hen verschilde.

Zij dachten heel anders over de Indonesiërs; keken er op neer.

Langzamerhand was hij erachter gekomen dat hij veel minder van het land was dan hij had gedacht. Dat hij bevoorrecht was geweest. Alleen al zijn studie …., wie had er ooit gehoord van een desajongen op een gymnasium?

Hij was zich gaan realiseren dat hij eigenlijk maar heel weinig wist van de Javaanse cultuur. Wat wist hij van de gamelan die ’s avonds laat in de verte weerklinkt met zijn gongs en xylo­foons die weer­kaatsen tegen de bergen? Wat wist hij van het schimmenspel dat wordt uitgevoerd op hoogtij­da­gen, de gebeden en selamatans, de motie­ven op de sarongs van vorsten en de sate­verkoper wanneer die op vrijdag naar de moskee gaat? Of van de intieme riten die voorafgaan aan een Javaans huwelijk?

Terwijl de meesten van zijn lotgenoten op al die dingen neerkeken ook al wisten ze er niets vanaf, was hij zich schuldig gaan voelen dat hij zich er zo weinig in had ver­diept. Van inlands recht wist hij veel, evenals van de kwaliteit van het bier en de jenever in de studentensocië­teit, maar van al dat andere, zo in overdaad aanwezig, wist hij tragisch weinig.

En terwijl de grootste frustratie van zijn lotgenoten het verlies van hun machtspositie leek te zijn, begon hij meer en meer te begrijpen dat er in zijn leven, als iemand van het land, iets fundamenteel fout had gezeten.

Waar zijn lotgenoten ’s avonds achter de kampomheining van bamboe en ge­vlochten riet luidruchtig bazige plannen maakten voor Java, luisterde hij, samen met een enkele vriend, naar de geluiden van de cicak, de kikkers en de tokeh en overdacht stil hoe hij zijn leven straks een nieuwe, diepe inhoud zou gaan geven.

De oorlog was voorbij en de Japanners waren gegaan. De revolu­tie was uitgebroken en een paar jaar later was Indone­sië onafhankelijk geworden.

Die revolutie had hem innerlijk verscheurd. Waar hoorde hij thuis? Bij die Hollanders die met bruut geweld hun oude rijk trachtten te herstellen maar wier vrouwen en kinderen door eveneens bruut geweld omkwamen? Of bij de Indonesiërs waar hij zich veel dichterbij voelde staan maar die hem niet meer zagen als iemand van het land alleen vanwege zijn huid die wit was en zijn ogen die blauw waren? Omdat hij de ene partij niet wilde steunen en de andere hem niet accepteerde, vlucht­te hij naar Holland  –  een land dat hij niet kende en dat hem niets zei, maar waar iedereen er tenmin­ste uitzag als hijzelf.

Het was hem in Holland redelijk wel gegaan. Hij had carrière gemaakt, was getrouwd, had kinderen gekregen.

Indonesië had hij diep weggestopt al had hij de gewoonte naar een Indonesisch restaurant te gaan wanneer hij in Den Haag was. Zonder gezel­schap, alleen met zijn gedachten.

Zijn vrouw was vroeg overleden en met zijn kinderen slaagde hij er steeds minder in een goed gesprek te voeren. Niet dat ze niet hartelijk of zorgzaam waren; ze kwamen vaak genoeg. Maar ach, ze hadden zo hun eigen leven. Met Indië had hij ze niet opgevoed en nu, nu hij ouder werd en de oude gevoelens en banden sterker en sterker werden, kon hij zich maar moeilijk tegenover hen uiten.

Hij ging vervroegd met pensioen en had een reis naar Indone­sië geboekt. Met een reisgezelschap vanwege de angst voor herinne­ringen en pijn en vanwege de angst dat de Indonesiërs hem, net als tijdens de revolutie, als een vijand zouden zien.

Het was een fantastische reis geworden, vol heerlijke erva­rin­gen. In het reisgezelschap had hij zich niet op zijn plaats gevoeld maar te midden van de Indonesiërs was hij volmaakt gelukkig geweest. Tranen van verdriet waren er nauwe­lijks geweest, tranen van ontroering in overvloed. Hij was teruggekeerd op een nest vol warmte.

De jaren daarop volgend was hij telkens teruggegaan. Hij had veel gestudeerd. De motieven op de sarongs kende hij nu en de sateverkoper had een naam gekregen. De mystiek en de techniek achter de gamelan kende hij en nieuw verworven Javaanse vrienden hadden hem uitgenodigd voor besnijdenissen, huwelij­ken en begrafenissen. Waar hij werd gevraagd voor een toe­spraak, ver­stond iedereen hem in de eigen taal en noemde hem vader.

Maar wat hij niet van zich af kon zetten, was een gevoel van schuld.

Schuld voor wat de Nederlanders op Java hadden aangericht, het goede dat zij hadden gedaan daar gelaten. En het gevoel van schuld dat de rijkdom van zijn familie en zijn jeugd gebouwd leek te zijn geweest op de gebogen ruggen van die oude mensen die nu zo vriendelijk voor hem waren. En schuld omdat hij niets voor zijn desavriendjes had gedaan en uit verwarring en lafheid naar Holland was gevlucht.

En nu was hij dan al weer twee maanden op Java. Hij had ze doorgebracht bij de Tengger, in een van hun dorpjes, hoog tegen de berghellingen van het Tenggergebergte in Oost Java, niet ver onder de krater waarin ook de Bromo en de Batok liggen.

Hij was in de kost gegaan bij een familie die hem liefderijk had opgenomen. Hun taal, een oud Javaans dialect, was hij niet machtig zodat hij hun onderlinge gesprekken niet kon volgen. Hij had dat jammer gevonden. Uiteraard spraken de Tengger Indonesisch met hem en deden hun best in hun uitleg van van alles en nog wat. Maar helemaal hun kern raken, dat kon hij zo niet en dat voelde hij. Ze hadden hem verteld van hun oude religie, een religie waarin nog veel school van duizend en duizend jaar geleden. Over hun relatie met de eigen geesten en goden waren de rijke golven van het hindoeïsme gebruist en later van het boeddhis­me. Zo had hun geloof vorm gekregen. Toen de islam kwam en het oude rijk van Majapahit ten onder ging, waren ze de bergen van Tengger in gevlucht. Zeshonderd jaar woonden zij daar nu, een volk van zestigduizend eigen­zin­nige zielen.

Het waren twee heerlijke maanden geweest, zo overdacht hij op zijn vaste plekje, een grote rots aan de rand van een helling die glooiend richting rivier liep, diep onder hem.

Voor zover mogelijk was de helling bebouwd met prei, kool, wortel, bloemkool en andere gewassen die de Nederlanders er ooit hadden gebracht. Het had iets ironisch: die bloemkool naast het stenen hindoe altaar met hemzelf als synthese erbij.

Tegenover hem rees een berghelling steil omhoog, met dichte bebossing en wilde rotsen. Hij zag een kleine gestalte omlaag klauteren. Het was vijf uur geweest en het begon snel af te koelen. De nachten in de Javaanse bergen zijn koud. Hij zag de mannen huiswaarts keren, hun sarong over hun hoofd hangend tot aan de kuiten, de armen er onder.

Het was voor de Tengger een drukke tijd: het jaarlijkse Kassa­dafeest stond voor de deur. De Tengger hadden geen tempels maar kwamen voor religieuze bijeenkomsten bij elkaar op een grote, platte steen op de top van een heuvel, vlak bij de begraaf­plaats. Ook die avond zouden ze bij elkaar komen en hij zou er bij zijn.

De priester zou de mensen behulpzaam zijn met het uitkiezen van de offergaven. De volgende nacht zouden ze met bloemen, vruchten, kippen en geiten de lange tocht naar boven maken, over de kraterrand heen, de zandzee door en dan nog verder omhoog, naar de rand van de Bromo. Daar zouden ze bidden en met gebogen hoofd aan hun priester hun diepste verlangens kenbaar maken. Die zou middelaar zijn tussen hen en Bromo. Daarna zouden ze hun offergaven in de kolkende, walmende diepte van de krater werpen, tweehonderd meter lager.

Die avond, te midden van de Tengger op de steen op de heuvel­top, overdacht hij zijn eigen offergave en het was daarbij alsof het licht van de kleine gloeilampjes ook een donkere plek in zijn hart verlichtte.

De zon was al lang onder gegaan toen de stoet uit het dorpje zich de volgende avond langzaam in beweging zette bij het licht van toortsen en zaklantaarns. Het was een lange stoet die voortdurend nog groeide bij elk dorp dat werd gepasseerd. Jongeren in leren jack waar over­heen een sarong, zwangere vrou­wen, oude mannen te paard, zacht protesterende kippen en bokkige geiten vormden een geheel. Langs de weg waren houts­koolvuurtjes en hun geur vermengde zich met de geuren van kruidnagelsigaretten en fruit.

Het was geen stille tocht. Om hem heen werd veel gepraat en vaak gelachen. Hij voelde zich volkomen op zijn plaats en een grote rust maakte zich van hem meester. Hoewel de weg steil omhoog liep voelde hij zich niet moe worden. De kou raakte hem niet want ook hij droeg zijn sarong vanaf het hoofd.

Dan liep de weg ineens zacht golvend naar beneden. Hij wist dat ze nu aan de rand van de zandzee kwamen. Even later klotsen de hoeven van paarden en geiten niet meer op keien. Het liep makkelijker nu; de grond was meer egaal. Het zwarte zand reflecteerde het licht niet dat werd meegedra­gen, waardoor hij het gevoel had op donkere wolken te lopen.

Al meer dan twee uren liepen ze zo. Hij praatte niet meer met de mensen rond hem heen; denken deed hij ook niet veel meer. Het was nog slechts een kwestie van overgave. 

De lange, steile trap omhoog lag plotseling voor hem, de steile trap naar de kraterrand van Bromo. Elke tree nam hij met stijgende moeite. Hij transpireerde ondanks de kou en zijn ademwolken waren zichtbaar door de lichten. De zwaveldamp benam hem bijna de adem.

De laatste paar treden was zijn lichaam niet zwaar meer; hij leek het overwonnen te hebben. Toen hij wankelend aan de kraterrand stond, voelde hij helpende handen onder zijn oksels. Hij waardeerde die zorg­zaamheid. De handen hielpen hem richting priester; gezichten kon hij niet onderscheiden. Hij boog het gelaat toen hij voor de priester stond en bracht zijn diepste wens in het Indonesisch over. Even was er een stilte in ruimte en tijd, toen hoorde hij de priester zacht iets zeggen in het Tengger. De helpende handen leidden hem naar de kraterrand en even later voelde hij nog slechts een snel sterker wordende warmte onder zich.

De priester legde aan Bromo de diepte van dit zoenoffer uit en bracht de diepste wens van de oude man over: dat er tussen Holland en Indonesië nooit meer pijn zou zijn.

************

desa: dorpje
kali: stroompje, rivier
perkutut: tortelduif
gamelan: orkest van o.a. gongs, metallofoons en drums
selamatan: gebedsdienst gevolgd door gezamenlijke, rituele maaltijd
sarong: omslagdoek van heupen tot aan de enkels, zowel voor mannen als voor vrouwen
cicak: muurhagedis
tokeh: gekko


Noot van de redactie: De auteur is helaas niet meer onder ons. Zijn boek echter wel! Deze mooie bundel vol prachtige kortverhalen is nog te verkrijgen via arjanodw@gmail.com voor Euro 10,- + verzendkosten.

ISBN 90-5117-235-4
Uitgeverij Edu Actief
Overgenomen met toestemming.

La Garzuela

Over haar eigen moeder placht zij te zeggen: ‘Zij was intelligent en lui.’ Die moeder was de dochter van een armoedige en muzikale edelman uit de Bohemen, zelf had zij ook iets aristocratisch over zich, met het gitzwart haar, lelieblanke huid en hang naar het farniente. Zij sprak drie talen en las alleen maar: romans, doorlopend, overal. Haar kleding hing aan elkaar van veiligheidsspelden, haar huishouden was verslonsd, haar kinderen vrij. Wij noemden haar ‘la mémé borgne‘, vanwege haar oog dat er na een ongeluk vreemd was blijven uitzien. Mijn oma Toune zelf was intelligent en helemaal niet lui, wellicht in reactie op haar moeder.

.

Ze was het wonderlijkste wezen op aarde. Dat zullen alle lieden die haar hebben meegemaakt, vriend of vijand, beamen. Zij had een ongekend grappig voorkomen en een hoge stem waarmee zij voortdurend bijtend kritisch commentaar leverde op haar omgeving: een eeuwige bron van vermaak. Althans voor degenen, zoals mijn tantes, mijn neven, mijn vader en ik, die qua humor op dezelfde golflengte zaten. Voor de rest, onder anderen mijn moeder, was zij vreselijk irritant, zo niet kwaadaardig.

Voor mij, haar eerste kleinkind, was zij de hemel. Ik heb dan ook menige vakantie opgeofferd om maar weer bij haar te mogen zijn; al was zij ver in de negentig en ik bijna een halve eeuw oud en inmiddels gevangen in een land waaruit je logistischerwijze alleen kon ontsnappen als je het in je had om maanden van tevoren vervoerskwesties te regelen – een hoedanigheid die ik nog steeds ontbeer. Ik had ook de pech dat zij, vermogende vrouw, overal in Frankrijk landgoeden bezat, waar ze zonder waarschuwing naar toe verkaste: het was dan zaak om haar op te sporen en mijn lang van te voren geboekte vlucht- of treinschema om te buigen tot iets bruikbaars.

Komische blik op het leven

Nooit in mijn leven heb ik zoveel gelachen als met haar. Ik zie mezelf nog vastklampen aan de deurpost om niet ineen te zijgen van de slappe lach. Ze kon er niets aan doen: ze had een komische blik op het leven, en de schelle stem waarmee ze haar overpeinzingen de wereld in stuurde was onweerstaanbaar. Zij draaide haar hand er niet voor om om, tot ze bijn 100 was, midden in een verhaal op te staan om deze of gene te imiteren. Nu eens liep ze als met een mankepoot, dan weer deed ze een dame na. Ze had die gave: je zag die mensen voor je. Zij kon ook putten uit een peilloos reservoir aan randdebielen – mijn geboortestadje. ‘Als ik die ’s ochtends zie, raak ik het beeld niet meer kwijt.’ verzuchtte zij weleens. Ik herinner mij haar: ‘Il est bien poilu pour un curé’ (wat heeft ie toch een haar voor een priester) bij het TV-optreden van een geestelijke, een groepering die het sowieso moest ontgelden: ‘Ces prêtres, c’est tous des pédés’ (allemaal homo’s die priesters).

Eens moest ze naar de polikliniek in de grote stad. Mijn tante reed haar daar naar toe, in haar oude Mercedes “une grosse bagnole allemande pas chauffée”. Door de sneeuw kwamen ze een uur te laat aan. Het team was in alle staten: ‘Waar blijft mevrouw nou?’ zuchtte haar geneesheer. Zij stond achter hem: ‘Maar dokter, hier ben ik.’ Zij volgt hem in zijn kamer, doet haar jas en haar pruik uit, en hangt die allebei aan de kapstok. Zij gebruikte haar pruik als muts. De arts lachte zo erg dat hij de foto niet kon maken. Zo deed zij ook haar gebit uit haar mond voor elke maaltijd. Tanden droeg zij slechts ‘pour la galerie’. Kauwen kon je toch niet met die nepdingen. Als ik haar vroeg hoe ze dat dan deed, kauwen, antwoordde zij: ‘Ik heb mijn tandvlees zo getraind dat het hard is geworden.’

Vrouwen die zich teveel om hun uiterlijk bekommerden becommentarieerde zij met ‘Ciel pommelé et femme fardée sont de courte durée’ (Lucht met schapenwolkjes en vrouw met make-up zijn van korte duur) en mijn ouders kregen er regelmatig van langs: ‘Ton père a une panse de pachyderme et ta mère un cul de baleine’ (je vader heeft de pens van een pachyderm en je moeder de kont van een walvis). Een man buiten aan het werk kon rekenen op: ‘Regarde la comédie qu’il fait pour gagner quatre sous ce pauvre type.’ (Kijk aan wat een gehannes voor deze arme man om twee centen te verdienen). Zij kon het ook nooit over iemand hebben zonder pauvre ervoor te zetten: ‘Ce pauvre monsieur Untel’ of ‘cette pauvre Truc-machin-chouette’ waren ook standaard uitdrukkingen uit haar repertoire.

Op zeer oude leeftijd (88-96 jaar) ging ze opeens als sopraan on stage zingen. Als ze me belde dan klonk er: ‘Ik bel je snel tussendoor, moet zo naar het theater. Ik belde om te horen of je mijn 150 euro had ontvangen. Oh ik moet gaan zie ik. Dag lieve schat.’ En weg was ze weer. Als ze verhalen vertelde over vroeger, dan zei ze steevast: ‘Toen ik jong was…’ Ze had het dan over toen ze in de vijftig was. Ik was toen net 40 en vond mezelf al oud.


De “razier”

Mijn tantes waren ook fans. Zij vertelden dat zij eens op de winkel pasten terwijl Toune naar le razier ging, één van de terreinen waar ze elke dag tot haar dood op 96 jarige leeftijd ravotte. Het was een kolenterp van de mijnen, die ze van de gemeente gekregen had in ruil voor een stuk land dat ze nodig hadden. Iedereen verklaarde haar voor gek: wat? Een afvalberg? Waar in de kern vuur smeult? Die elk moment in kan storten? Maar zij liet zich niet weerhouden. Het uitzicht was er fenomenaal: je bevond je op een kunstmatig plateau tussen twee bergen die zachtjes naar beneden helden, naar het Westen toe, waar de horizon in de verte doorgestreept werd door een Tafelbergachtige rij stenen tanden. Daar ging de zon dan onder, elke avond. Daar ben ik ook vanaf mijn achtste opgegroeid, want mijn vader eigende zich al gauw het leeuwendeel van die terp toe en bouwde onze villa erop alsmede megalomane fabrieken.

Mijn oma bedekte het kolengruis met potgrond en plantte er moeskruiden en fruitstruiken. Elke dag stookte zij er een vuurtje, met het snoeisel en verder alles wat ze niet meer nodig had; ze bracht er zelfs expres voor haar vuilniszakjes afval mee van thuis. Bij haar crematie toen wij naar buiten liepen en keken naar de pluim zwarte rook uit de schoorsteen kronkelen merkte mijn neef dan ook giechelend op: “We hadden een oud plastic zakje en een leeg conservenblik in de kist moeten doen.” We hebben die dag uren de slappe lach gehad, niet in de laatste plaats omdat mijn tante Monique haar gave voor imitaties geërfd heeft – een passender afscheid kon je haar niet toewensen.

Ik heb vertegenwoordigers gezien die, op zoek naar haar, op de razier terecht waren gekomen, en die stokstijf en met open mond naar haar waren blijven staren. Zij verwachtten een deftige dame, n.l. de eigenaresse van een winkel in een toeristisch stadje, en zagen daar een klein mollig dingetje in slobberbroek, die ondanks haar vergevorderde leeftijd in bomen klauterde om er een tak van af te zagen, en die, als zij haar uiteindelijk riepen, onder de schutting door rolde om naar ze toe te geraken.

Maar die middag dat mijn tantes op de winkel pasten, moesten er klanten komen om een bestelling te halen. Toune kwam terug van haar exercitie in het groen, duwde resoluut de glazen voordeur open en schalde met haar schelle stem door de winkel: ‘ILS SONT VENUS CHERCHER LA CAME?’ (= zijn ze nog de rotzooi komen ophalen?) De klanten bevonden zich nog in de winkel.

De pech voor mijn moeder – het drama van mijn moeder zou ik moeten zeggen – is dat ik, haar éérste (en ook vreselijk gewenste) kind, met de jaren steeds meer op mijn oma bleek te lijken; iets dat ik me pas ver in de veertig realiseerde – toen viel de puzzel ook genadeloos op zijn plaats. Mijn moeder haatte mijn oma. Zij haat ook de dochters van mijn oma, die allebei ook elk op haar eigen manier op haar lijken, en zij zou mij eigenlijk het liefst ook openlijk haten, als dat op een of andere moreelplichtsmatige manier niet vreselijk onhandig uitkwam (ik haar bloedeigen dochter zijnde, die haar geen ander vreselijk onrecht aan heeft gedaan dan op mijn oma te lijken).

Mijn oma dus. Onze komische mater familias. Onze oppernar. Ons baken in de duisternis. Ons kompas. Onze ontembare, grappige, aanbiddelijke, excentrieke en vreselijk intelligente Toune. Een bohemien tegen wil en dank. Een onuitwisbare verschijning, met haar eeuwige joggingbroek aan (in een tijd en op plekken waar niemand die dingen droeg, waar die dingen niet eens bestonden), haar spaarzaam geworden haar dat maar niet grijs heeft willen worden, de vormeloze hoed, de oude, versleten spullen waarmee zij zich bleef omringen, al was zij inmiddels vermogend genoeg om zich in luxe te laven. Aan luxe had zij een hekel. Haar geld spendeerde zij enkel aan het bemachtigen van grote lappen land en aan het spekken van haar kleinkinderen – iets waar ik haar niet genoeg voor kan danken: in mijn armzaligste jaren was zij de enige die mij regelmatig geld toestopte, wat vaak genoeg mijn enige bron van inkomsten was en mij zodanig voor de hongersnood cq totale aftakeling heeft behoed.

Zij heeft een onuitwisbare stempel op onze wereld gedrukt. Mijn tantes spreken daarom eerbiedig van ‘l’ère Tounesque’  als zij het hebben over de tijd waarin zij leefde.

Vroege jeugd

Zij werd in 1914 geboren in Bochum als Maria Adelina Andreatta, uit Italiaanse ouders die in de Piemonte maar niet van hun zijderupsenkweekerij bleken te kunnen leven en naar Duitsland waren geëmigreerd. Na de Eerste Wereldoorlog wilden zij trouwen maar dat mocht niet zomaar: de regering dwong het gezin te kiezen tussen de Duitse nationaliteit of vertrek. Het verliefde paar koos voor het laatste en ze namen met de twee dochters die ze toen hadden de trein terug naar hun landgoederen in de Piemonte. Hun moeder, mijn overgrootmoeder Maria Magdalena, zwanger van mijn oudtante Gemma, kon enkel haar donzen dekbedden meenemen – die haar door een streek des toevals op een stationsperron ontstolen werden. In Rueglio werden ze ontvangen door mijn betovergrootmoeder Domenica. Daar is Gemma geboren, die uit dankbaarheid de doopnaam van haar oma kreeg en eigenlijk Domenica heette, zonder dat iemand in de familie die naam ooit gebruikte. Toune, die altijd zong en danste, kreeg van de dorpsgenoten het koosnaampje ‘la Garzuela’ wat zoiets als ‘de vrolijke kikker’ betekent moet hebben. Gedreven door armoede week het gezin echter al snel uit naar de bergen van Frankrijk, waar Victor werd geboren. Het gezin was afgrijselijk armoedig. Vader en moeder werkten in de mijnen (vader diep onder de grond en moeder aan de triage). Elke ochtend behalve zondag stonden ze midden in de nacht op om vijf kilometers naar de schachten te lopen. Wel zorgden de mijnen in die vroege jaren al voor onderdak en kolen, en moet er iets van een ziekenfonds zijn geweest. Toune was 7 jaar oud, en sprak Duits en Piemontees. Op de basisschool waar ze op terecht kwam werd ze gepest: de dorpse kinderen scholden haar uit voor ‘la Boche‘ (de Moffin).

Eens kreeg Toune van haar oom Louisin een modieus hoedje waar ze de hemel te rijk mee was. De eerste dag dat ze hem op deed om naar school te gaan werd het hoedje van haar hoofd gemept door klasgenoten. Het lieflijke hoofddeksel belandde in de modder, de kinderen hebben erop gestampt. Het zou nog vijftien jaar duren voor mijn oma opnieuw iets moois kreeg om aan te trekken, tot de estheet van een Fransman met wie ze trouwde (mijn opa) zich de gewoonte aanmat voor haar elegante jurken te kopen. Na zijn verdwijning uit haar leven is zij daar dan ook spoedig mee opgehouden, en, ondanks dat zij een jongere vriend kreeg, hebben wij haar nooit anders gekend dan in vormeloze gemakskleding. Misschien droeg ze liever kleren waarvan het niet zonde was als ze vertrapt werden in de modder.

De liefde

Toune was bovenmatig intelligent. Ik heb schriften uit haar middelbareschooltijd gezien, van vakken zoals biologie en scheikunde, waar ik steil van achterover viel: van het niveau waar biologie scheikunde wordt en scheikunde biologie. Je verwacht het niet van een allochtoontje van het vrouwelijk geslacht uit een armoedige emigrantenfamilie in de jaren ’20. Zij haalde de beste cijfers en mocht doorleren. In haar vrije tijd werkte ze bij een fotograaf, die haar, naast haar gewone taken ook veelvuldig liet poseren. Gaandeweg kon hij zijn verliefde gevoelens niet meer verborgen houden: ze was ook werkelijk beeldschoon. Maar er waren kapers op de kust. Albert, een jonge beeldhouwer, oudste zoon van een uiterst serieuze Franse familie had de schone hulp van de fotograaf opgemerkt en maakte haar het hof. Zij was niet ongevoelig voor zijn charmes, al ontkende zij later in alle toonaarden hem ooit aantrekkelijk te hebben gevonden: “Hij had een grote neus en grote voeten”, en ik en mijn eigen kinderen ook, want, u raadde het al, die jongen was mijn opa. Hij was geen lolbroek. Het is eigenlijk een raadsel waarom zij, extraverte vrolijkerd, voor zo’n gesloten kerel koos. Opposites attract of zoiets. Of het moet zijn intellect zijn geweest: net als zijn twee broers was hij gecultiveerd en politiek geëngageerd. Die broers maakten uiteindelijk carrière in het hoge onderwijs terwijl hij voor het ambacht koos maar dat maakte niet veel uit: hij had de dictie van een heer. Dat Toune hem meer dan leuk vond bleek al gauw: op een zondag nodigde hij haar uit voor een picknick. Hij moet op dat ogenblik charmant hebben weten over te komen, zoals veel mannen dat opeens kunnen opbrengen in de vrouwenjacht. Daar op die bloeiende weide liet zij zich kussen, en meer dan dat. Toen zij een paar weken later weer eens kotsmisselijk wakker werd en de tijd van de maand maar niet kwam moest ze wel beseffen: ze was zwanger. En 19.

Haar moeder was katholiek. Voor haar geen sprake van dat haar dochters een atheïst zouden huwen. Bovendien wenste zij niet minder dan ingenieurs voor haar getalenteerde dochters. Iets dat gelukt is bij Isabella en Gemma, maar wat voor de eerste rampzalig is uitgepakt: hij dronk en sloeg haar. Maria Magdalena sprak haar veto uit over de affaire en stuurde mijn oma linea recta naar een echtpaar dat aan de Middellandse zee woonde, waarvan een broer met haar zou trouwen en het kind adopteren. Toune was ontroostbaar. Op een dag is ze gevlucht. Met haar koffer in de hand zat ze in Nice op een bank in het park, hoogzwanger, tranen met tuiten te huilen toen een voorbijgangster haar vroeg naar de reden van dat grote verdriet. De reddende engel schreef toen iets op een papiertje en gaf dat aan haar. Het was het adres van een tehuis voor gevallen meiden in Lyon, zo’n 150 km van thuis. Daar, verborgen voor de onwetende buitenwereld, gaf mijn oma na een bloederige strijd – hij moest met de tang gehaald worden – het licht aan mijn vader. Vervolgens ving ze, de boreling in haar armen, de reis terug aan naar ons stadje hoog in de bergen.

Ze stapte de bus uit bij het stadhuis. Wie schetste haar verbazing toen zij daar de aanstichter van haar misère zag staan, met een bos bloemen en een aanzoek. Hij had al die maanden zwijgend op dit moment gewacht. Ze wierp zich om zijn hals, liet hem zijn zoon zien, mijn overgrootmoeder zwichtte en ze trouwden.

Ze kregen al gauw nog een kind, een meisje, Janie, die ziekelijk bleek. Zij had acute gewrichtsreuma en iets aan haar hart. Mijn oma had ondertussen haar diploma als onderwijzeres behaald en begon les te geven, terwijl Albert in zijn kleine atelier tegenover de begraafplaats beelden hakte uit het blanke marmer uit Carrara. Mijn opa had zijn dienstplicht bij de marine gedaan en had er een passie voor de zee aan overgehouden. Ze spendeerden dus hun vakanties steevast aan de kust.

De Tweede Wereldoorlog

De Tweede Wereldoorlog brak uit. Mijn opa, die communist was, ging het verzet in, dat in de bergen zeer actief was en le maquis werd genoemd. Als senior coördineerde hij het een en ander. Liet spoorbruggen opblazen, dat soort dingen. Toune en Albert kregen een derde kind, mijn tante Monique, die zich haar vader niet zou herinneren. In de nacht van 29 maart 1944 werd het gezin opgeschrikt door hard gebonk op de deur. Dat was de milice (de Franse gestapo), die mijn opa kwam arresteren. Iemand had hem verlinkt. Zij stormden naar de slaapkamers op de eerste verdieping. Mijn oma, met mijn tante Monique op de arm, merkte op dat het vreselijk koud was voor de baby, en vroeg of ze de kachel aan kon maken: in de ijskoude winter in de hoge bergen geen ongebruikelijk verzoek, dat dan ook ingewilligd werd. Toune daalde de trap af naar de begane grond, gooide een stapel papieren in de haard en stak het aan. Ze keek het eventjes branden, en spoedde zich weer naar boven: ze had belangrijk bewijsmateriaal zoals namen van compagnons verzetsstrijders vernietigd, die laatsten zodoende reddend van wrede marteling en een wisse dood.

Een laatste blik naar zijn mooie vrouw, zijn kinderen, zijn baby, en Albert werd weggesleurd om nooit meer terug te komen. In eerste instantie belandde hij in Lyon in een niet al te onaangename gevangenis in Saint Sulpice-La Pointe, waar hij de tijd doodde met het houwen van beelden uit stukjes hout die hij vond, met ad hoc gereedschap. In juli 1944 ontruimden de Duisters het kamp. De gevangenen werden ’s nachts in veewagens per spoor naar Buchenwald vervoerd, het concentratiekamp waar politieke gevangenen, Roma’s en homo’s werden opgesloten om vermoord te worden. Hij werd te werk gesteld in de zoutmijnen van Plömnitz vlakbij Bernburg. Albert vermagerde zienderogen. Hij was niet bestand tegen het zware regime in het kamp. Als in de lente van 1945 van twee kanten de verlossing oprukte, vanuit het Westen de Amerikanen, vanuit het Oosten de Russen, was hij een schim van zichzelf: vel over been, het lichaam bedekt met hongeroedemen. Op 12 april 1945 bevalen de SS de ontruiming van het kamp, zodat de gruwelen ervan niet ontdekt zouden worden. Albert was te zwak om te lopen: hij zakte in elkaar en met een genadeschot in de nek rolde hij de berm in. Met een dertigtal lotgenoten kreeg hij ter plekke een massagraf. Hij was 36 jaar oud.

Nooit meer

Toune was zich van het drama niet bewust, toen na de capitulatie van Duitsland de Franse autoriteiten de rapatriëring van de gevangenen aankondigden. Zijn naam stond op de lijst. Vol verwachting telde ze de dagen. Op de voorspelde datum kleedde zij haar kleine Monique aan en begaf zij zich met bonkend hart naar het plein voor het stadhuis, waar de bus met de gevangenen weldra parkeerde. Het ene na het andere scharminkel stapte uit de wagen, gebroken zielen zonder hoop op herstel. Haar man zat er niet tussen. Wel haar broer, die zich met een mengeling van blijdschap en schaamte bij haar voegde. Zij kuste hem. Hij murmerde wat, durfde het niet hardop te zeggen. Maar hij kon de aanblik van Toune niet verdragen, die met haar peuter aan de hand over zijn schouder heen nog steeds naar de stroom overlevenden tuurde, in de hoop haar man te ontwaren. Haar man zou niet komen, nooit meer, zei haar broer. Zij hoorde het niet, keek naar de rij gedaantes omhelsd door dierbaren.

‘Wat bedoel je Victor?’

‘Ik heb zijn plaats ingenomen’

‘Zijn plaats? Waarvoor?’

‘Anders moest ik op eigen houtje terug komen. Ik was maar een gewone gevangene, hij kwam uit het concentratiekamp, die werden gerepatrieerd, ik niet. Het spijt me heel erg zusje, maar je man is dood. Doodgeschoten door die vuile SS’ers.’

Haar wereld verging. Daar stond ze: een weduwe van 30 jaar oud, met de eigen zaak van Albert waarvoor zij het lesgeven opgegeven had om die voort te zetten in zijn afwezigheid, en drie kleine kinderen, waarvan een raddraaier van een zoon, een ziekelijk geval en een peuter.

Pas recentelijk, toen hij op 82 jarige leeftijd de Yad Vashem kreeg, ontdekten wij dat Gaston, een broer van Albert, honderden Joden had gered door ze te voorzien van valse identiteitsbewijzen, wat hij kon doen omdat hij, onderwijzer zijnde, tijdelijk gerecruteerd was als medewerker van de burgerlijke stand in de omgeving van Grenoble. Het balletje ging rollen en zo kwamen wij er achter dat ook Gemma en Victor in het verzet hadden gezeten. Geen van allen hebben er hun hele leven een woord over gerept, sterker nog: zij hebben ons zonder een krimp te geven 60 jaar lang de heldenrol van de familie laten toebedelen aan Albert. Wat de familie op haar beurt voor Gaston geheim heeft gehouden, is de brief die Albert vanuit Saint Sulpice aan het thuisfront schreef, waarin hij vertelde kans te hebben gehad om te ontsnappen, maar daar vanaf had gezien door de belofte van Gaston dat hij hem er via zijn contacten spoedig uit zou halen. ‘Ik heb zo’n spijt dat ik naar Gaston heb geluisterd.’ schreef hij. Gaston werd daarover zijn leven lang verteerd door schuldgevoelens. Hij die honderden Joden had gered had zijn bloedeigen broer de dood ingejaagd.

Wie Albert verlinkt heeft blijft gissen. In 1980 werd een straat in het stadje naar hem vernoemd. Mijn oma weigerde naar de plechtigheid te gaan. In de wandelgangen vatte ik op dat de verrader zich onder de initiatiefnemers van dat plan bevond. Veel later hoorde ik dat de fotograaf waar ze als jonge vrouw werkte er iets mee te maken kon hebben. Hij was immers verliefd op haar en kon het niet verkroppen dat mijn opa haar onder zijn neus vandaan schaakte.

Dat het de Amerikanen waren die Buchenwald bevrijdden is min of meer toeval: van alle kanten rukte de verlossing op. Russen, Britten, Canadezen en Amerikanen namen de Duisters in de tang. In een documentaire werd uitgelegd waarom de Amerikanen zich zo laat met die oorlog bemoeiden; ze hadden er gewoon geen zin in. Pas toen duidelijk werd dat de Russen zover waren gekomen in hun mars naar het Westen schokken zij wakker. Zij moesten coûte que coûte een rode suprematie in Europa voorkomen. Dus trokken zij ten strijde, ontscheepten op D-day massaal in Normandië en koersten verder naar het Oosten. Voor het nageslacht blijven de Amerikanen echter de überverlossers, de onbaatzuchtige helden die in groten getale hun leven gaven om ons te redden uit de klauwen van de wrede onderdrukker. Wat tegelijkertijd ook waar blijft, natuurlijk.


Incompatible

Uit: Een broekzak vol rijst, ongewone verhalen uit Indonesië
Auteur: Theo Wilton van Reede

Dit boek is vanaf heden te bestellen via onze webshop.

Charles Pilger deed in computers en was al een paar jaar in Azië. Zwervend van het ene land naar het andere, want het was hem als buitenlander niet toegestaan ergens langer dan een paar maanden te blijven.

Met vallen en opstaan had hij zich connecties in Indonesië verworven waardoor hij betrokken was geraakt bij automatiseringsprojecten op Java.

Eigenlijk haatte hij Azië. Hij haatte het klimaat en hij haatte de geuren. De mensen stonden hem tegen. Je kon ze niet vertrouwen, vond hij, en al helemaal niet op ze bouwen. Altijd die ondoorgrondelijke lach bij een botsing met zijn zakelijke en technisch ingestelde aard. De bureaucratie en de traagheid van Indonesië stonden haaks op zijn ambities en eerzucht. Hij keek neer op de mensen en hun levensstijl.

De Chinezen waren zakelijker, vooral hier in Singapore. Maar ze waren arrogant en veeleisend en stelden daar weinig tegenover. Tot ze doordringen kon je al helemaal niet. Al die keren dat hij in Singapore was geweest, was hij nooit bij iemand thuis genood voor een borrel of zo.

De eeuwige zakenontbijten, zakenlunches en zakendiners waren op zijn zenuwen gaan werken. Net als telefoongesprekken. Het Singlish, Singaporees Engels, waarin hij werd aangesproken, verstond hij maar half, vooral door de telefoon. Af en toe reageerde hij verkeerd omdat hij niet wilde laten blijken dat hij een vraag of een mededeling niet goed had begrepen.

Zijn irritatie nam gaandeweg toe, vooral na de lunch van daarnet, toen hij hevig met zijn eetstokjes had zitten worstelen. De Chinezen maakten dat hij zich lomp voelde. Hij had zijn agitatie maar moeilijk kunnen verbergen, iets dat in Azië slecht is voor business.

Hij wond zich meer en meer op achter het stuur van zijn leaseauto. Zelfs de Chinese karakters op de stickers op het dashboard irriteerden hem. Hij had het gevoel dat Azië zich tegen hem keerde en dat zelfs de auto hem afwees.

Hij had het benauwd terwijl de airconditioning toch vol aan stond. Vanaf Arab Street draaide hij Beach Road in om een Singapore Sling te gaan drinken in het Raffles Hotel. De oude, koloniale ambiance lag hem. Bedienden kenden daar nog hun plaats en de auto werd voor de ingang overgenomen door een dikke, donkere Tamil in rode livrei die diep voor hem zou buigen. Zo had Pilger het graag. Hij nam zich voor zich aan de bar te bezatten.

Toen hij in de buurt van het Raffles kwam, kreeg hij het steeds benauwder. Terwijl hij zijn stropdas en de bovenste knoop van zijn overhemd losmaakte, realiseerde hij zich dat de airconditioning niet meer werkte. Dat maakte hem woest. In een stad als Singapore, met zijn wolkenkrabbers, zijn luxe en technische hoogstandjes, behoorde een AC feilloos te werken. Hij ervoer de weigering als een persoonlijke aanslag van Azië en de auto op zijn welzijn. Zijn gelaat werd roder en het zweet stond op zijn voorhoofd terwijl hij met zijn klamme hand een klap tegen de knoppen gaf.

Het verkeer werd traag in lange rijen, opgehouden door stoplichten en invoegende stadsbussen. Zijn veiligheidsgordel knelde. Om zijn gedachten af te leiden, zette hij de radio aan om een Engelstalige zender te zoeken. Hij draaide aan de volumeknop maar de radio bleef net zo dood als de airconditioning. Hij voelde het bloed naar zijn hoofd gestuwd worden toen hij dacht aan een uitspraak van iemand aan de hotelbar, de vorige avond.

“Azië pakt je,” had de man gezegd, “ofwel je voelt je zo op je plaats dat je er nooit meer weg wilt, ofwel je krijgt er zo’n hekel aan dat je er nooit meer terug wilt keren….. Azië pakt je!”

Toen hij de oprit van het Raffles in wilde draaien, merkte hij dat hij op de verkeerde voorsorteerstrook zat waardoor hij was gedwongen Bras Basah Road op te rijden. Het bloed bonkte tegen zijn slapen. Om lucht te krijgen, wilde hij de ramen openen. Hij drukte op de knop van de electrische bediening maar de ramen bleven dicht.

Paniek begon hem te bevangen. De gordel knelde zo dat de druk op zijn ribben pijnlijk werd. Zijn linkerhand trilde terwijl hij probeerde de gordel los te maken maar er was geen beweging in de sluiting te krijgen.

Als vanzelf paste de auto zich aan de snelheid van het verkeer aan. Het tempo ging omhoog. De gordel trok steeds strakker om zijn lijf. Een waas trok voor zijn ogen terwijl hij panisch het stuur naar links draaide om uit de sneller rijdende file te geraken. De auto reageerde niet. Terwijl hij op de rem stampte, brak zijn sleutelbeen onder de krachtig aantrekkende gordel. De wagen volgde de stroom en draaide twee maal naar links, Clemanceau Avenue op.

Pal boven de Singapore River, midden op de brug, drong een brekende rib zijn hart binnen.

De auto minderde vaart en stopte voor een schrijn van Kali, de hindoegodin die bloed uit schedels drinkt.

De man aan de bar had gelijk gekregen. Azië had Charles Pilger gepakt.

ISBN 90-5117-235-4
Uitgeverij Edu Actief
Overgenomen met toestemming.

« Older posts Newer posts »

© 2026 KutBinnenlanders.nl

Theme by Anders Noren — Up ↑