De jongens met ik voetbal, sturen me de verkeerde kant op
Vegen kluitjes aan me met die ene losse nop
Vinden me raar, noemen me laf, beschouwen mij als een apart geval
Ik kom elke zondag terug, bij zonovergoten en potdichte lucht
Bij winst, gelijkspel of verlies…
Want ik weet niet wat buitenspel is
Want ik weet niet wat buitenspel is….
De jongens met wie ik douche verwijten mij de verloren potjes
Scheppen met me op, gaan naar huis met de dotjes
Die ik maar niet versier, zelfs in een overwinningsroes
Ik kom elke zondag terug, bij zonovergoten en potdichte lucht
Bij winst, gelijkspel en verlies…
(refr.)
Het heeft me verder meegezeten
Maar ik kan de jongens niet vergeten
Twee keer per week een potje keten
Ongelukkig in het leven
Opgewekt uit de dood in het spel.
(refr.)
Buitenspel
Verleden, heden en toekomst
Geven we achterblijvers spontaan gelijk of steevast ongelijk? Deze vraag zou weldra die over het koloniaal verleden, het verleden racisme en de zin van vaccinatie wegspoelen. Twee kanjers uit de media spannen samen. Ze willen het debat bijsturen, desnoods ombuigen.
De fles wodka tussen hen in is halfleeg, hun glazen halfvol.
‘Wie zullen we daarvoor in schakelen?’ ‘Die komiek van de eindejaarsconférences. Hij zit al een tijdje droog, doet al een paar jaar geen eindejaar meer.’ ‘Goed idee. Wie zal hem betalen?’
Alles en iedereen en nog wat presteert immers pas als hij of zij wat toegeschoven krijgt. ‘We vinden wel een sponsor. Als het moet laten we de Boerenbond wat geld ophoesten. Of de Voetbalbond. Ze kunnen die bedragen altijd aftrekken in hun belastingvoordeel’.
Spontaan nemen beiden hun glas, klinken op de achterblijvers en drinken het in een teug leeg.
Café en wetboek
‘Napoleon schreef eerst een heel wetboek vooraleer hij zijn oorlogen aanvatte’. Op dit uur van deze dag zit het café Napoleon goed vol. De man aan het woord lijkt haast erudiet. Misschien is hij bibliothecaris. Dan zou hij een grote insteek hebben, die niet onderdoet voor de steek op het hoofd van Napoleon. Zijn gesprekspartner aan de toog geeft snelle repliek: ‘Die oorlogen heeft hij verloren maar met zijn wetboek zitten we nog steeds opgescheept. Wie schrijft die blijft’.
In een halfduistere hoek van het café ontmoeten een man en een vrouw elkaar. Lang zullen ze hier niet blijven.
Buiten is het weer halfzacht, geen echte winter. Toch voelt het kil aan.
Dooien
Herschrijving van een lied uit 2003/2004
De kou lijkt uit de lucht
maar vooral uit het kloppen van mijn aderen
het inzicht door mijn ogen
verwijding van mijn kader
Een leven dat ineens niet meer
voor dood op de grond ligt.
Ik voel haar vlooien door mijn haren
Haar haar dat als bont op haar borst ligt
Haar woorden zijn ineens zo licht en zwaar
als pepernoten overal verstrooid
klinkend door tot het licht wordt.
Het ging dooien door het wicht
dat van de liefde spreekt
alsof het zich in mij beweegt
alsof zij zo heet.
Verliefd als een dief die midden in de nacht
een kandelaar streelt
in het kille duister in de kamer
Ze flonkert als een schat
terwijl het niets scheelt of hij wordt
door het kat – en muisspel
meegesleept in een doos van Pandora
terwijl zij door gaten in de wand
ziet hoe hij gegrepen is.
(refr.)
Ik lig hier ‘s ochtends op mijn buik
en weet van haar warmte niet
hoe het moet heten en wat het wil zeggen
al wil het zwijgen om tot elke cent
om uitstel te krijgen tot het weer
weg mag zwemmen uit de fuik.
Uit de bocht uit het hart
De bocht ligt er scherp bij. Bart Konijn, zo genoemd naar zijn tanden, woont er al sinds decennia. Hij houdt het zaakje in de gaten en houdt de boekhouding bij van het aantal en de aard van de slachtoffers. ‘Ik word er niet rijk van noch wereldberoemd. Ik heb al die ambities niet’, legt Bart geduldig uit. ‘Mijn tuin is het enige dat telt. Dat ik daarna de bocht bijhoud is bijzaak’. Hij pauzeert even.
‘Niets overtreft groenten uit eigen tuin en eieren van eigen kippen.’
Denkt Bart Konijn dan nooit globaal? ‘De andere wereld? Op woensdag rijd ik met de fiets naar de markt in de stad om fruit te kopen. Mijn appelboom en perelaar geven niet genoeg om het een jaar lang vol te houden en ik eet graag al eens iets exotisch.’ Zijn oogjes twinkelen. Verder vragen we hem niets.
Op café
Die ochtend in het dorpscafé. ‘Het virus heeft de gele hesjes verdrongen en overwonnen, wat ik je brom.’
‘Hoezo?’
‘Hoor jij nog iets van die gele hesjes? Nu zijn het de lulploegsteerten die geen vaccin willen die op straat komen. De oproerkraaiers hebben hun hesje aan de haak gehangen en roepen nu tegen het virus en tegen het vaccin.’ ‘
En weer kan de politie ze nat en plat spuiten’.
‘Juist, de politie is de enige factor van zekerheid in deze onzekere tijden’.
Daarop bestelden ze nog een rondje. Op de televisie speelde een voetbalwedstrijd, ver van ons bed, er zat haast niemand naar te kijken.
Op zoek
Ik loop langs de kerken, maar ik loop ze voorbij
want ik ben nog op zoek naar mezelf
Ik zie mensen lopen, ik zie mensen lopen
maar loop ze voorbij, want ik ben nog op zoek naar mezelf.
Ben nog vloeistof, stroom langs kruisingen
in een lange lijn zonder zij-rivieren
Nog op zoek naar dagen die moeten komen
Ik ben nog op zoek naar de waarheid.
Vertel aan iedereen, ik ben nog op zoek
Op zoek naar de waarheid in mezelf
Ik zeg aan iedereen, ik ben nog op zoek
Ik kan niet blijven bij jou, ik ben op zoek.
Ik loop te kleumen in de felle wind
tot ik schreeuw om een plaats om te rusten
Ik loop hier in het kille
Ik zou wel anders willen
Ik ben nog op zoek naar de warmte die me kust
en die mijn vrezen sust.
Ik zeg aan iedereen, ik ben nog op zoek
Kan me niet vinden in wat ik tegenkwam
Zeg aan iedereen, ik ben nog op zoek
langs de regels en de bladen
Pagina’s buiten het boek
Kan niet blijven bij jou
Ik moet door…
Ik ben nog op zoek naar de mij in jou
ben nog verlangend naar warmte
Ben nog op zoek naar je lichaam en armen
vervulling voor mijn armte
De klamte die me vasthoudt wil ik drogen in je ogen
waarin de hitte te zien is en de tranen
Vergeef als ik huil uit dankbaarheid
voor het echte dat ik bij jou vind
geen surrogaat.
En dan komt misschien die winter niet
van dichte deuren en verdriet
komt de krekel niet tevergeefs
aan de deur van de mier
Ik blijf stug doorgaan tot ik vind wat ik zoek
Of bang voor leven dat me niet laat leven
me verstop.
Zeg aan iedereen, ik ben nog op zoek
in het leven, ook al is me dat soms te groot
Vertel aan iedereen, ik ben nog op zoek
Ook naar een goede dood!
Ik ben nog op zoek, ben nog op zoek
Ben nog op zoek, ben nog op zoek…. 4X
_________________________________________________________
Hik et nunc
De hik is een gretig bestudeerd verschijnsel. Hij maakt geen onderscheid tussen links- en rechtshandige, jong en oud, vrouw en man, rijk en arm … zijn er nog tegenstellingen? De hik maakt er komaf mee.
Een multidisciplinair team kwam tot deze conclusie. Een half schrandere socioloog stelde voor de hik een jaardag te geven. Hij gooide het in de groep maar ving bot.
‘Er zijn al genoeg jaardagen die bovendien eenzijdig de focus leggen op een kant van de medaille, op een enkele kant van de tegenstelling. Een jaardag voor de linkshandigen, niet voor de rechtshandigen, die blijven die dag lekker in de kou zitten. Ze hebben overigens geen jaardag en hebben die niet nodig. Zo werkt dat dus. De hik zou dat spel bederven.’
Aldus sprak de filosoof in het team. De wiskundige viel hem meteen bij. De anderen volgden schoorvoetend.
Youp

Goeie God Godiva
Dierenleed, alweer een deel
Op mijn lijdensweg naar de faculteit diergeneeskunde overvalt me een ondraaglijke gedachte die me meteen op de rug valt.
Ik ben tenslotte een lastdier. Die gedachte brengt me in beeld als het paard dat een naakte vrouwe Godiva draagt. Zij draagt zwarte nylon kousen en verder niets. Of misschien toch een vleugje parfum?
Haar lange haar valt veel te mooi over haar rug om waar te zijn.
Ik voel op slag minder hard de reuma in mijn gewrichten.
© 2026 KutBinnenlanders.nl
Theme by Anders Noren — Up ↑


Reactietjes