KutBinnenlanders.nl

Auteur: Stefan Pietersen (Page 15 of 18)

Stefan Pietersen: werd ooit gèboren en daarna steeds wedergeboren en worstelt zich middels liedjes, gedichten, toneelteksten, verhalen en wat niet nog meer; is er eigenlijk nòg meer tussen hemel en diepe depressie?, tot elke dag weer herboren wordt in schoonheid.

Een lelijk goeie keuze

Een lelijk goeie keuze

  • “Hoi! Ik wil jou!’

  • ‘Dank je! Sorry, ik jou niet.’

  • ‘Waarom, vraag ik me af, zoals je nu wel ziet.

    Waarom pak je, neem je mij niet aan?

    Waarom ga jij op een voetstuk staan?

    ruk je mijn lepel leeg van je tepel?

    Wie denk je dat je bent?

    Jij heet toch Riet?”

  • “Excuses, jij bent mooi!, ik ben

    te lelijk voor de woorden die je zegt

    Dus als ik je hiermee straf, sta ik in mijn recht

    Ik sluit me in, jouw paradijsje uit

    Ik volg de ellende met de rots door de ruit

    die scherven, die sterven in mijn hart

    Ben op zoek naar geluk

    kom op dit breekpunt

    dus wel terecht.”

  • “Ja, afzichtelijke, afstotelijke trol

    Ik ben zo ontzettend mooi dat ik me zo verveel

    Vandaar dat ik met jouw zelf-haat speel

    Er mag er namelijk maar één

    van mij en van jou/mij wezen

    Ik wil over ons in nieuwe bijbels lezen

    Over Riet en Casanova, het enige unieke

    in dit enige leven

    Ik bied jou een Koprol.

    Dus pieker niet meer

    Ga gloeien van genot

    Spreidt het sprei met beide benen

    Zeg, je bent toch gene pot?”

  • Ach, Super-‘Nova’ , gróótse jongeheer

    Ik geloof in God, dus mag dit een andere keer?

    Zie daar: de vuile afwas

    Zie daar: een pik, geschikt

    die opleeft van zure regen

    en van de wind waarin jij stikt.

Kijk dus in mijn vuilnisbelt

Zie het allemaal nu helder:

want daar op de kwelder ligt

een Moby Dickje dat me past.

Wij gaan trouwen

in de zomer van mijn dromen

En jij mag ook best komen

als jezelf, als die ander, als

superkleine supernova

Oh, hooggeëerde gast…

Ja, ik kom!”

De katers van vroeger

De katers van vroeger

En de volgende ochtend werd hij wakker, terwijl de vorige avond pijnlijk zijn weer slapend verstand binnendrong.

Hij had gedronken. Gedronken en niets gegeten, terwijl hij onmachtig zich te verzetten het ene na het andere flesje Gulpener voor zich liet zetten en uit pure vriendelijkheid en een lichte angst zijn vrienden teleur te stellen ook dat flesje maar weer achterover sloeg. Gedronken, dronken geworden. Niets gegeten en hoe hij thuis gekomen, mocht Joost weten. Die hem had ingestopt en toen weer terug naar de vrienden in de bruine kroeg was gegaan. Om verder te vieren dat de stadsdichter in het ambt was gezet en hen een (goeie!) reden had gegeven om het weer op een zuipen te zetten.

Natuurlijk, het was enorm gezellig geweest en hij had er ook zeker iets aan gehad. Het opperhoofd had op een gegeven moment zijn kop bij de zijne gestoken en hem een belangrijke levensles gegeven, waar hij zelf gedurende jaren van wanhoop en eenzaamheid in het nachtleven van Tilburg het nodige aan had gehad. En waarvan hij nu verder mocht genieten, tot het tijd zou zijn geworden dat hij die op zijn beurt in een van zijn eigen verhalen zou verwerken. Of, bij gebrek aan een staketsel voor die wijsheid of een verhaalstructuur, gewoon de kop bij een eigen protegé zou steken en hem in diens kop stampte.

Wat de levensles was geweest? Of, beter, wat ie ook weer precies was, kon hij niet meer exact achterhalen. En ach, misschien had die levensles ook wel de nodige slijtage en overdrijving gekregen voor ze in zijn oor werd gefluisterd. Want, gelijk een bijbelverhaal, was die waarschijnlijk van generatie op generatie, of beter: van oor tot oor, door gebrabbeld, misverstaan, mis geïnterpreteerd en overdreven en gekleineerd en met een oog op het verkeerde detail doorverteld. Zoals die toneeltruc bewees, waarbij je in een kring stond en een zinnetje in je rechter-partners oor fluisterde, die hem dan weer doorgaf en zo door. Waarna die, als die weer bij je terugkwam nauwelijks meer klonk als de zin waarmee het begon.

Don’t worry and be happy. Daar kwam het volgens hem op neer. Of niet?

Maar goed, de feedback van de boodschap werd ook verstoord door de diepe slaap en wilde dromen die hij onderweg naar die ochtend had gekregen. En door de dubbele bodem. En natuurlijk de dubbele tong die ze gaandeweg allebei hadden gekregen, waardoor het moeilijk was feit van fictie te scheiden. Wat sowieso al moeilijk was, omdat het barstte in zijn vriendenkring en in hun hoofden van de fictie-schrijverij; in zijn eigen hoofd niet minder. Lieg de waarheid, zoals hij Jeroen Krabbé ooit had horen zeggen als Gerard Réve in de Vierde Man. De film, niet het boek. Dat had hij nooit gelezen, net zo min als de andere romans van die Grote-Drieschrijver. Die zei katholiek te zijn, maar waarvan, deels omdat ie dood was, niet viel na te gaan of ie dat werkelijk was geweest of dat hij dat zei om boeken te verkopen.

Moest hij toch eens doen, al die schrijvers lezen. De grote èn op de kleine gaan letten. Maar dat waren er zo veel, waar moest hij beginnen en hij was eigenlijk allang niet meer zo’n lezer. Nee, dat had u goed gelezen; geen lezer. Hij wás een schrijver, maar zelf kon hij zich nauwelijks meer op een boek concentreren. Vreemde paradox. Moest hij maar eens een verhaal over schrijven.

Lezen, ach. Zoals een andere grote schrijver in een, zeker best leuke, film ooit zei: ‘Schrijvers schrijven, opdat lezers kunnen lezen. En andersom natuurlijk. ‘ Best handig, zo’n uitspraak, hoefde hij in principe ook nooit meer iets te lezen. Kon hij gewoon lekker doorgaan met alleen maar schrijven.

Iets anders. Hij was eigenlijk ook niet meer zo’n drinker. En hij had zich tegenwoordig best goed in de hand. Nam meestal pas om 22.00 uur een biertje. Eén pijpje pils. En daar kon hij zich dan meestal uitstekend bij in zijn bed neerleggen. En dan sliep hij als een prins.

Gisteravond was echter een avond geweest waarvan hij hoopte dat er  nog velen zou volgen. Niet dat hij het zo leuk vond dat Joost hem naakt had gezien, ingestopt in bed. Of dat hij zich het naar huis gebracht worden eigenlijk niet meer herinnerde. Maar die vriendschap, die vertrouwelijkheid, die broederschap, gelijkheid, die samensmelting, begeleid door een niet beperkte hoeveelheid lekkere pilssmaak. Nee, dat smaakte op zich naar meer. Het leek alsof hij wakker was geworden na een hele tijd te hebben geslaapwandeld in zijn leven.

Maar dit was andere koek.

Hij werd dus wakker. Niet zozeer van dat beeld dat zich zo scherp stelde in zijn brein. Hij werd wakker van een geluid. Hij werd wakker van gemiauw.

Niet het gejank van zijn poes, die genoeg had van de eenzame nacht en al een tijdje ongeduldig had gewacht tot zijn ademhaling sneller werd en hij dus wakker. Nee, het klonk meerstemmig. En waar kwam het vandaan? Niet uit de kamer. Niet uit de keuken. Niet van buiten en verder zou hij het ook niet meer weten.

Het kwam van binnen moest hij constateren toen hij iets te snel opstond en wankelend op zijn benen in de slaapkamer stond. Zijn Maagkater gaf al meteen over en draaide woest in zijn lijf. Vervolgens begon de Zeurkater in zijn achterhoofd en wekte de Hoofdkater die luid piepte alsof iemand hem op de staart trapte. Maar hij vluchtte niet ver, want onmiddellijk begon hij de kamer te schommelen en werd het zwart en dan weer flikkerend voor zijn ogen.

En de katers jankten.

En ze bonkten.

En ze maakten een hels kabaal, dat nochtans niet leidde tot het wakker worden van de hele straat, van heel Tilburg. Slechts van hem. Hij kreunde. Niet slechts van pijn, maar vooral van het besef dat dit zijn eigen schuld was. Dat hij ze zelf had binnengelaten. Maar waar kwamen ze vandaan? Hij kende ze niet. Had ze nooit zien lopen in zijn straat, in zijn buurt en hij kon zich ook niet herinneren dat hij de afgelopen tijd een nieuw nest had aangeschaft.

Waar was de poes eigenlijk? Hij wankelde naar de keuken en moest onmiddellijk zijn darmen legen op de wc, die hij maar ternauwernood haalde. En de geur deed zijn Maagkater weer de kont draaien voor zijn ogen. De Hoofdkater zat op zijn hoofd, waardoor hij voortdurend de neiging had om zijn kop omlaag te neigen, wat de Maagkater nogal aanjoeg.

Hij zette koffie en draaide het elektrische fornuis op aan. Hij bakte, op aanwijzingen van het opperhoofd, die hij zich ongeveer herinnerde, een ei en verorberde dat al staande in zijn keukentje. Daarna voelde hij de katers een voor een van zich afglijden en liep hij met zijn koffie terug naar de woonkamer. Een hels gekrijs op het plaatsje kon hem daar niet vanaf brengen. Tot hij vijf minuten na de laatste slok koffie toch maar eens op zoek wilde gaan naar zijn poes. Die op dat moment binnen strompelde. De staart en het achterlijfje vervolgens omhoog stak, terwijl hij haar aaide en alles weer normaal leek te zijn. En sprak. Spràk, goed gearticuleerde, goed van de tongriem, snedig Nederlands tot hem:

‘Wil je dat nooit meer doen?’

‘Wat?’

‘Wil je dat nooit meer doen?’

Ja, nee, ik bedoel, wát nooit meer doen?’

‘Zo veel zuipen en zo laat thuiskomen met al je vroegere katers in ons huis.’

‘Waren dat…? Waren dat mijn vròegere katers dan?  Ik dacht toch echt dat ik ze net nog…’

‘Ja, omdat jij ze wakker hebt gezopen,, gisteravond.’

‘Ik?’

‘Ja, jij, je bent verantwoordelijk, hoor. En voor je eigen katers. Echt mazzel dat je me twee jaar geleden hebt laten steriliseren, trouwens. Anders waren het er misschien over een tijdje nog wel meer.’

‘Weet je dat dan nog?’

‘Ja, en ik weet ook dat die katers eindelijk eens konden maffen, nadat jij hun scheppers eindelijk onder controle, met mate had. Dat ene biertje normaal ’s avonds, dat is normaal. Maar vijfentwintig pijpjes, zoals gisteravond?! Zulk gedrag maakt elke kater nog wakker.’

‘Maar wat moet ik nou dan? ‘

‘Dat eitje van net, daar zijn ze van gaan slapen. Maar je moet nu heel stil zijn. Anders komen ze terug. En je bent dan binnenkort, eind van de volgende maand, wel jarig, maar dat ben je nog lang niet als je je niet weer een beetje in de hand krijgt. Okee? Hand erop?

Okee, en nou mag je wel effe een uiltje knappen en mijn arme gebutste aarsje likken op het goed te maken.’

‘Zeg, ben jij nou helemaal! (…) Nou, rustig maar, hoor. Mijn katers. Kom maar hier. Met dat lekkere kontje van je….’

De baby

De baby

En de man maakte zich los

van het kind in hem dat

huilde, piste, en inkakte

en dan, even later weer

de witte bonen bruin bakte

en los liet in het bos.

Het enge bos waar Zoef

hem imiteerde als was hij, oef!

een meneer de uil die van hem was gescheiden

en verder ging als was hij een ander

Een vreemde die in hem huisde

een vader die er altijd en toch

nooit was als hij naar hem groef

in zichzelf.

En de man maakte zich vrij

van het kind in hem dat

boerde, scheet en boos baarde

en dan even eerder weer

een nieuwe vorm van hem-zijn baarde

en dan bedoelt ie mij.

In het huis, gevangen tussen muren

in de tijd verlangend naar de uren

die ik, ingebed tussen de lakens

was ingeslapen, mijn uren makend

tot het tijd was om op te staan

en een nieuw stel ouders

als was hij eindelijk

ouder in te gaan.

Tot het kind dan in mij huilde

en zich wrong door mijn oksel naar het licht toe

dat ik dan uitknip om nog even

te kunnen dromen van een mooi moment

Om dat kind in mij te baren

om het op te voeden en te sparen

voor de appel, voor de dorst

voor de worst hem voorgehouden

die hem uiteindelijk lauw en veganist maakt.

Tot hij naakt de wereld

durft te zien zoals ik ben

tot hij zichzelf in dat alles herkent

en zijn eigen kindje draagt

en uiteindelijk in de cirkel baart.

Angst-tandarts

Angst-tandarts

Werd wakker vanmorgen

zonder zorgen maar met een

gigantisch, niet verkozen pijn

die ergens in mijn mond moest zijn

maar waar mijn woorden geen vat op kregen.

Ik opende mijn ramen

en likte de dorst van de regen

die uit zijn eigen namen

om te krijgen, verzon

voor ontbrekende rozengeuren

En maneschijn, met gaten

die zweterig stonken

naar dronken adem uit

waar de pijn dan ook vandaan kwam

en die ik toen even voor

levendig en lief nam

en toen toch maar

greep naar de Gouden Gids.

En daar stond het pips en ik belde

sleepte me weg uit bed en naar West

waar de beste angsttandarts

al smachtend op me zat te wachten

in zijn elektrische draagstoel.

‘Wat mag het wezen: trekken of boren?’

Je kon het tot in de wachtkamer horen

Tandartsen, investeerden ze hun

glazure geld maar eens in dikke wanden

Dan zaten er vast binnenkort

landen aan patiënten in die kamer

om ongeleid mee te lullen tot die trut

je dan komt halen.

Maar ik was wie ik was: de eerste

de enige en de weg en ware

en hij, verkozen om een klus

aan te nemen, te verklaren

met een judaskusje op de revers

voor iets te veel op de lever

en te weinig in de beurs.

‘Mond open en niet praten

u moet mij mijn werken scheppen laten

Ik scheur uw scheur dicht

op uw gezicht, zittend en bekkend

met de assistente

op uw zuur en verdien wat centen

met uw pijn.’

Hij keek eens en keek nog eens

peuterde ouwelijk in mijn tandvlees

en zag toen de Boze, ondoenlijk

voor de kiezen, maar niet voor

de hogepriester van de angst.

Hij zeide: ‘Ik zal u wel bevrijden

Geen kwestie van kiezen:

Een gedeelde ziel

met een gat erin, te groot om te vullen

ik verdoof uw hoofd en hart met wat u

gewoonlijk drinkt om maandagmorgen

zonder zorgen nog te trekken.’

En dat laatste deed hij dus

ik voelde de leegte

en veegde me beter

en voortaan niet meer daaronder

Want dat is zonde

van dat wonder bij monde

van een beugelfles te nemen

zonder kiezen op elkaar.

En het volgende moment

lag ik, zonder centen

en in de dood

door te bloeden in mijn dakgoot

en verder omhoog naar toog en

vroeg open kroeg bij te komen

van een bezoek aan tandarts Bangerik.

Het stenen tijdperk

Het Stenen Tijdperk

Lang, lang geleden, ergens in de toekomstige tijd leefde er een vreedzaam, gewetensvol volk op aarde dat, om niemand en niets te kwetsen van levenloos voedsel leefde. Men at rots, men at steen, vulde de maag met modder en leste de dorst met water uit de lucht en van wat er na een regenbui in de modder en het landschap bleef staan. En men was tevreden en zelfs soms gelukkig. Niet iedereen was even gelukkig, niet altijd tenminste. Dan waren er bijvoorbeeld weer een paar avontuurlijke types, die regenbogen afgingen met potten om de voordelen ervan te verzamelen. Er waren er ook – deze mensen aten meestal gewoon zand – die de deuren langs gingen om lood, om oud ijzer. Wolven, zo noemde men de kanniballistische figuren die de zwaartekracht testten en op jacht gingen om getrouwde Roodkapjes en De Jagers te overvallen om hun zware stenen. Maar veel geluk hadden die lui meestal niet. Een sprookje, zo werd het genoemd als je dacht van verzinsels en unhappy endings te kunnen leven.

Maar zij waren, helaas niet alleen op de planeet. Er waren ook andere wezens, die andere dingen dachten en dachten te kunnen eten. De ergsten waren de vegetariërs, waaronder sommige judassen en overlopers van de kant van de mensen. Die vraten, je hield het niet voor mogelijk, groenten, kruiden en fruit! Wezens die zich niet konden verweren, die niet konden schreeuwen van pijn, die niet konden gebaren dat ze dit gedrag niet leuk vonden, die niet de straat op konden om te demonstreren of petities met handtekeningen verzamelen. Ze konden zelfs niet debatteren met de planten-eters, want daar had je een tong voor nodig.

Daarnaast was er de domme rest, die vlees at, elkaar opat en daardoor al snel zorgde dat er bijna geen levende wezens meer overbleven op de planeet. Maar daar kon je niet lang boos op blijven, die wisten gewoon niet beter. Nee, dan de mensen, ik bedoel de übermenschen waar ik dit verhaal mee begon.

Ach, wat is het Stenen Tijdperk toch een interessante tijd.

Maar al dat aanmodderen had ook een wrede kant. Tenminste, dat zou je nu zeggen, nu we beter weten. U weet het misschien niet, maar deze planeet is zelf ook een levend wezen. En dat wezen, ze heette Aarde in de volksmond, was op zich niet zo heel blij met alle drie de levensvormen. Een beetje vergelijkbaar als de hond of de kat, die meestal ook niet zo blij is met de vlooien in haar huid en de vliegen om haar hoofd. Dat sommige van die vlooien elkaar opaten, dat was tot daar aan toe, maar dat ze hun bord niet wilden leegeten dat de Aarde haar vlooien voortzette, dat kon niet langer zo.

Op een dag besloot ze dat ze haar dak dan maar openzette, hopend op een goede bui die de bewoners wakker zou schudden en tegelijk zou doen beseffen wat ze misten. En ach, als ze het dan toch niet in de kop wilden krijgen, ja, dan ging ze maar gewoon voor altijd op reis door het heelal, om nooit meer ergens aan te komen, of zelfs een tijdje te blijven. Ze was, in diepste zin, eigenlijk best wel een rusteloos wezen, dat zichzelf ook nodig weer eens uit moest laten.

Het duurde dan ook niet lang, met dat dak open en het lot op de loer tot er een grote steen het dakraam binnen kwam vliegen en het stof deed op warrelen. Lucht was het eerste wat er verdween. De mensen hapten naar adem, maar vonden die niet. Daarna de vleeseters en toen tenslotte ook de planten-eters met het groen uitstierf, was het gedaan met de onnodige domheid en wreedheid.

En zo, vijfenzestig miljoen jaar later, mochten wij hun plaats innemen, die we voorlopig niet af hoeven te staan van Mama. Want wij, u hoort het elke dag, lieve kinderen, wij flierefluiters leven van de wind. En zo was het ook bedoeld. Toen al en nu nog.

Ach, geluk, je hoeft er echt niet veel voor te doen.

Knoop dat in uw oren en adem maar eens uit.

Aaaaah!

Huiswerk: zoek uit of er aliens zijn, jeweetwel, de wezens die wèl onzin en bullshit eten, en schrijf uit op één A-viertje waarom ze nooit de aarde zullen bereiken. Morgen inleveren èn een overhoring.

Uit liefde voor een planten-eter

Uit liefde voor een planten-eter

Je komt door de velden, spoedt je door gras

hakt je door menselijk naar een wenselijk ras

dat onderweg naar haar de mooisten uit de landeren plukt

om je wereld te veranderen in het grootste geluk.

   Mijn been, mijn poot, mijn steel is gebroken

   om liefde te stoken in andermans hart

   Toi toi toi, succes, break a leg en ga koken

   bereid me voor, maal Tijd om mijn smart.

Je trekt door de wereld, herademt vervuild

en zingt naar de wolken tot haar lucht naar je huilt

blaast al lucht-knuffelend het bos van de sokken

tot jouw godin je onderscheidt van de bokken.

                         (refr.)

Diner voor twee, alles, voor één omelet

Spaar om ons de hamster en spek niet haar zorgen.

Nieuw snufje nootmuskaat, met haar eitjes naar bed

Kom kommer je niet om ons en peer em voor morgen…

                          (refr.)

Met links geschreven

Met links geschreven

Die kogel kwam van links

maar ik liet hem voorgaan…

geen kunst en er weer aan.

Ik schrijf dit in de kelder

van het hospitaal

en de moordenaar zit er bellend

naast

kijkt over mijn rug mee en smaalt:

‘Is het in mijn moedertaal?

(hij doopt de pen nog eens

op het hart, drukt door)

Is het, zoals het is geweest?

Ben jij er eigenlijk wel geweest?

Is het iets voor allemaal?

Voor alle taal in koor?

Is het iets toevalligs, goed

voor mijn eindfeest?’

En ik kom aan, vertrek

bij het begin van deze eind-

het meest nog –

zin in een patatje oorlog – smikkelsmek!  –

Of iets in die geest…

Dit is mijn lichaam

Dit is mijn lichaam

We hadden ruzie

ze kon haar gezicht

niet meer laten zien

en toen wilde ze

opnieuw een fusie

die ik haar

een maaltje of tien

steeds weer zak

steigerend weigerde

tot zij die trok

over haar kop

en tastend naar die lul

mij toen zeide:

‘Dit is mijn lichaam…’

ging door de knieën

kroop waar het niet ging

mijn ding, dat knielde

in vergeving in

en we leefden tesaam

op aan mijn kruis

erin en eruit en nu weer

eruit en samen thuis.

Nieuwe muze

Eerste muze

 

Ik heb jouw geest, jouw levenswerk

in mijn velletjes uitgestort

Het bleek, omdat het nog steeds

en dan te kort wordt

een te sterk verhaal dat schort

en op papier verdort.

 

Misschien, als jij nog één keer naakt

als ik nog één maal uit jouw Geest opmaak

Misschien een joint, een pint absint

of heel veel glaasjes port?

Ik zie jou, muze, toch al niet vaak

Wellicht dat het nu, alsnog iets wordt.

 

Jij belichaamt mijn werk toch eenzaam

Ik zelf kom er nauwelijks meer in voor

Je stuurt mijn pen in en uit mijn naam

Wat stel ik voor als ik jou niet hoor?

 

Ik heb jouw lijf nog nooit aanschouwd

of aangeraakt, bezeten

Misschien een keertje samen eten?

Om te bespreken wanneer je mij voor gezien houdt.

 

Ik ben maar schrijver, jou niet vaardig

Misschien dat Mulisch, Wolkers wellicht

Hoe teken je dat beeld

schrijf je licht waardig

Hoe schep je vorm in jouw gezicht?

 

Ik voel je, ik beoog, behoor je te spreken

sta op van mijn kruis om passie te preken

Vaders bevrijend om moeder te wreken

ik heb de inhoud nu toch es goed bekeken

Muze, lief, ik laat je gaan.

 

Nooit ontslagen, genezen je gekte

Een vreemde vogel die mij te veel bekte

Ik heb een ander, dat mag je best weten

in een nieuw jasje, ik trek jullie beiden aan

Veel plezier: de eerste te daten

muze op de maan!

Ik heb er oog voor

Ik heb er oog voor

Die geamputeerde zit

met  het verkeerde been omhoog

De bankzitter haalde brons

uit een potje bal met regenboog

Dat doktertje wil mijn derde oksel

vullen

‘k heb hem nog gezoogd!

Mensen zijn zo onbetrouwbaar

Oh staar, neem niet mijn derde oog

Ik weet het gewoon:

je loog…!

« Older posts Newer posts »

© 2026 KutBinnenlanders.nl

Theme by Anders NorenUp ↑