“Pénurie heet het in het Frans, mijnheer”. We zitten in een café in een provinciehoofdstad. Het woord heeft wat weg van pijn. Een pijnlijk tekort. Een tweesnijdend gebrek.

Waarom hij dat zonodig in het Frans moet zeggen? Ik vraag het niet. Veel mensen in deze stad denken nog in het Frans zoals eeuwen geleden de hele opperklasse had gedaan.

Het heeft de volksmond aangetast en vergiftigd.

“Geen schitterend gebrek, nee”, repliceerde ik tot slot. “Pas splendide du tout”, vertaalde ik hem maar. Je weet maar nooit.

“Ik had het begrepen maar het woord ontging me”, zei hij en deed er verder het zwijgen toe.

 
Marc Tiefenthal
Marc Tiefenthal
In tijden van toenemende verdomming en groeiend nationalisme is het gepast, ha, erop te wijzen dat Marc Tiefenthal gemakkelijkheidshalve kan worden gecatalogeerd als Belgisch dichter, die zowel in het Nederlands als het Frans schrijft. In diezelfde context, stijgende verdomming en toenemend nationalisme, vraagt menigeen zich af waar de dichter verblijf houdt. Daar hij op twee plaatsen in de wereld verblijf houdt, dit is bilokaal woonachtig, heeft hij op het Groot Smoelenboek van de heer Sukkelberg, voor de lol Bobigny als woonplaats opgegeven. Kom hem daar maar niet bezoeken. Evenmin als in Menen, Ieper, Leuven, Bossière, Brussel, Antwerpen noch Temse, waar hij ooit gewoond heeft.